ECLI:NL:RBDHA:2026:4363

ECLI:NL:RBDHA:2026:4363

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer SGR 23/3317, SGR 23/3320 en SGR 23/4995
Rechtsgebied Bestuursrecht; Omgevingsrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Intrekking omgevingsvergunning dakopbouw, zeer spoedeisende bestuursdwang en kostenbeschikking. Intrekkingsbesluit vernietigd omdat geen herstelmogelijkheid als bedoeld in artikel 5.19, derde lid, van de Wabo is geboden, maar rechtsgevolgen in stand gelaten. Toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang door middel van onmiddellijke verwijdering van de dakopbouw, zonder aan eisers een korte begunstigingstermijn te bieden, was niet gerechtvaardigd. Volgt vernietiging, ook van de kostenbeschikking. Beroepen gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaken tussen

[eiseres] B.V., uit [vestigingsplaats] , eiseres

het college van burgemeester en wethouders van Den Haag, het college

Samenvatting

Bestuursrecht

zaaknummers: SGR 23/3317, SGR 23/3320 en SGR 23/4995

(gemachtigde: mr. A.A.M. van Hoorn)

en

(gemachtigde: mr. R.E. Helder).

1. Eiseres heeft op 20 april 2018 een omgevingsvergunning aangevraagd voor het vergroten van de woning [adres] door het plaatsen van een dakopbouw die met het besluit van 12 juni 2018 is verleend.

Deze uitspraak gaat over drie besluiten van het college die alle verband houden met de vergunde dakopbouw:

In de eerste plaats gaat het om het besluit van het college om de omgevingsvergunning in te trekken waarmee de dakopbouw is vergund.

In de tweede plaats gaat het om een besluit van het college om de dakopbouw met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang te laten verwijderen.

Tot slot gaat het om het besluit waarbij het college de kosten van de zeer spoedeisende bestuursdwang aan eiseres in rekening heeft gebracht; de kostenbeschikking.

In bezwaar is het college niet teruggekomen op zijn standpunten over de intrekking van de omgevingsvergunning en de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen de besluiten op bezwaar. Aan de hand van de gronden die eiseres heeft aangevoerd, beoordeelt de rechtbank of die besluiten op bezwaar juist zijn.

Het beroep van eiseres dat ziet op de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang heeft op grond van het recht mede betrekking op de kostenbeschikking.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het volgende oordeel. Het bestreden besluit over de intrekking wordt vernietigd, maar de rechtsgevolgen daarvan worden in stand gelaten. Het bestreden besluit over de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang wordt vernietigd, zodat ook de kostenbeschikking niet in stand kan blijven. Eiseres krijgt dus gedeeltelijk gelijk. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en wat de gevolgen daarvan zijn.

Procesverloop

Voornemen en zienswijze

2. Op 9 september 2022 heeft het college door middel van een conceptbesluit aan eiseres kenbaar gemaakt het voornemen te hebben om de omgevingsvergunning in te trekken. In dit voornemen is een overzicht van geconstateerde gebreken opgenomen. De dakopbouw verkeert op sommige punten in onveilige staat, voldoet het niet aan de voorschriften van het Bouwbesluit 2012 en wijkt ook af van de omgevingsvergunning, aldus het college.

Eiseres heeft op het voornemen gereageerd met een zienswijze. Daarin heeft zij aangegeven welke werkzaamheden zij in reactie op de lijst van gebreken in het voornemen heeft verricht en welke werkzaamheden zij nog moet verrichten. In verband hiermee heeft eiseres het college verzocht om haar een laatste kans bieden als bedoeld in artikel 5.19, derde lid, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) om haar handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de omgevingsvergunning. Het college heeft daartoe geen aanleiding gezien vanwege de eerdere keren dat eiseres is gewezen op gebreken in de bouw, wat niet tot verbetering heeft geleid. Het college ziet daarom geen aanleiding te veronderstellen dat eiseres daar binnen afzienbare tijd wel aan kan voldoen.

Besluitvorming

Met het besluit van 29 september 2022 heeft het college de omgevingsvergunning ingetrokken met toepassing van artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo (intrekkingsbesluit).

Met het besluit van 24 oktober 2022 heeft het college met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang de dakopbouw door een van gemeentewege ingeschakelde aannemer laten verwijderen.

Met de bestreden besluiten op bezwaar van 24 maart 2023 heeft het college de bezwaren van eiseres tegen het intrekkingsbesluit (het bestreden besluit 1) en de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang (het bestreden besluit 2) ongegrond verklaard.

Met de kostenbeschikking van 31 maart 2023 heeft het college de kosten van de uitvoering van de zeer spoedeisende bestuursdwang vastgesteld op een bedrag van € 75.201,50 (de kostenbeschikking).

Beroepsprocedures

Eiseres heeft tegen de bestreden besluiten beroep ingesteld. Het beroep van eiseres over de toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang heeft mede betrekking op de kostenbeschikking. Eiseres heeft, daartoe door de rechtbank in de gelegenheid gesteld, gronden ingediend ter betwisting daarvan.

Het college heeft op de beroepen gereageerd met verweerschriften.

De rechtbank heeft de beroepen op 11 december 2025 gelijktijdig op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, vertegenwoordigd door [naam 1] en [naam 2] , bijgestaan door de gemachtigde van eiseres. Verder hebben aan de zitting deelgenomen: [naam 3] , stadsdeelinspecteur van de afdeling vergunningen en toezicht van de gemeente Den Haag en de gemachtigde van het college.

Beoordeling door de rechtbank

Overgangsrecht Omgevingswet

3. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden.

Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet voor een besluit tot intrekking van een omgevingsvergunning als bedoeld in artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo toepassing is gegeven aan artikel 4:8 van de Awb of een dergelijk besluit bekendgemaakt is, dan blijft op grond van artikel 4.5, aanhef en onder a, van de Invoeringswet Omgevingswet het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het besluit onherroepelijk wordt.

Als vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet een overtreding heeft plaatsgevonden, is aangevangen of het gevaar voor een overtreding klaarblijkelijk dreigde, en vóór dat tijdstip een last onder bestuursdwang is opgelegd voor die overtreding of dreigende overtreding, dan blijft op grond van artikel 4.23, eerste lid, van de Invoeringswet Omgevingswet op die opgelegde last onder bestuursdwang het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing tot het tijdstip waarop de beschikking onherroepelijk is geworden en volledig is uitgevoerd of ten uitvoer is gelegd dan wel de beschikking is ingetrokken of is komen te vervallen.

Omdat het intrekkingsbesluit op 30 september 2022 is bekendgemaakt en de opschriftstelling van de zeer spoedeisende bestuursdwang van 24 oktober 2022 dateert, blijft het recht zoals dit gold vóór inwerkingtreding van de Omgevingswet van toepassing.

Toetsingskader

4. De voor de beoordeling van deze beroepen relevante wet- en regelgeving is opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak. De bijlage is onderdeel van deze uitspraak.

De intrekking van de omgevingsvergunning

5. Eiseres betoogt dat het college geen gebruikt heeft kunnen maken van zijn intrekkingsbevoegdheid omdat het college haar geen termijn heeft geboden als bedoeld in artikel 5.19 van de Wabo.

De rechtbank overweegt dat het college een omgevingsvergunning kan intrekken indien niet overeenkomstig de omgevingsvergunning is of wordt gehandeld. Dat volgt uit artikel 5.19, eerste lid, aanhef en onder b, van de Wabo. Om van die bevoegdheid gebruik te kunnen maken, moet het college eiseres eerst de gelegenheid hebben geboden om binnen een daartoe door het college te bepalen termijn haar handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de vergunning.

Het college heeft eiseres die gelegenheid niet geboden, zoals het college ook erkent. Dat het college geen aanleiding ziet te veronderstellen dat eiseres binnen afzienbare tijd haar handelen alsnog in overeenstemming zal brengen met de vergunning, wat daarvan ook zij, laat onverlet dat het college niet aan het voorschrift van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo heeft voldaan. Het betoog van het college dat al eerder materieel gezien aan dit voorschrift is voldaan, volgt de rechtbank niet. In het dossier bevindt zich namelijk geen stuk met een overzicht van geconstateerde gebreken dat dateert van voor het voornemen. De e-mails van 22 februari 2022 en 8 maart 2022 waar het college in dit verband naar verwijst, gaan niet over de gebreken uit het voornemen. Ook is daarin geen termijn bepaald. Nu door het college dus niet is voldaan aan het voorschrift van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo, had het college ook niet op grond van artikel 5.19, eerste lid, van de Wabo tot intrekking van de omgevingsvergunning kunnen overgaan.

Dat betekent dat het bestreden besluit 1, waarbij het intrekkingsbesluit door het college is gehandhaafd, een gebrek vertoont. De onherstelbare aard van dit gebrek verzet zich tegen toepassing van artikel 6:22 van de Awb of een bestuurlijke lus. Het bestreden besluit 1 kan niet in stand worden gelaten en moet daarom worden vernietigd. De beroepsgrond slaagt.

Wel ziet de rechtbank aanleiding om de rechtsgevolgen van het te vernietigen bestreden besluit 1 in stand te laten. Redengevend daartoe is het volgende. In het rapport van Broersma Bouwadvies van 11 oktober 2022 is geconcludeerd dat de bouwfouten in de dakopbouw zo substantieel en veelvoudig zijn dat het geen reële oplossing is om de reeds aangebrachte constructie te versterken dan wel deels te vervangen. Geadviseerd wordt om de dakopbouw in zijn geheel te verwijderen en opnieuw op te bouwen. De rechtbank leidt hieruit af dat ook als de termijn van artikel 5.19, derde lid, van de Wabo wel zou zijn gegeven, herstel van de in het voornemen genoemde gebreken binnen een redelijke termijn geen reële mogelijkheid zou zijn geweest. De rechtbank betrekt daarbij dat de herstelwerkzaamheden die eiseres in reactie op het voornemen heeft ondernomen ontoereikend waren en zelfs hebben geleid tot het stilleggen van de bouwwerkzaamheden om verdere verergering van de situatie te voorkomen.

De toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang

6. Eiseres betoogt dat ten onrechte zeer spoedeisende bestuursdwang is toegepast. In het rapport van Broersma Bouwadvies (verder: Broersma) van 24 oktober 2022 wordt aangegeven dat tijdens de inspectie op 29 september 2022 is geconcludeerd dat de beplating is verzadigd met water, waardoor die geen schijfwerking meer kan genereren. Deze conclusie kon het college derhalve al bekend zijn sinds de inspectie door Broersma op 29 september 2022 en in ieder geval ten tijde van het rapport van Broersma van 11 oktober 2022, waarin al staat dat de wand – kennelijk - zo slecht was dat daar geen schijfwerking/constructieve eigenschappen – meer – aan ontleend konden worden. Het college had derhalve reeds op 29 september 2022 op de hoogte kunnen zijn van de -vermeende- spoedeisende situatie en heeft bijna een maand heeft gewacht met de toepassing van bestuursdwang. Er was derhalve geen sprake van een spoedeisende karakter en het college was dan ook niet bevoegd om spoedeisende bestuursdwang toe te passen. Zij betoogt verder dat het college haar de mogelijkheid en een begunstigingstermijn had moeten bieden om de dakopbouw of delen daarvan, zelf te verwijderen. Eiseres vindt verder dat het college zich, gelet op het advies in het rapport van 24 oktober 2024, had moeten beperken tot stabiliserende maatregelen.

Zoals in het verweerschrift nader toegelicht, stelt het college stelt dat de externe adviseurs van DGMR Bouw en Broersma de bevindingen van de inspectie op 29 september 2022 in de rapporten van respectievelijk 4 en 7 oktober 2022 op schrift hebben gesteld. Deze adviseurs concludeerden dat sprake is van essentiële constructiefouten die niet zonder het afbreken van de dakopbouw te repareren zijn. Deze rapporten vormden niet de grondslag om spoedeisende bestuursdwang toe te passen maar wel om de dakopbouw vervolgens nader te inspecteren op dinsdag 4 oktober, vrijdag 14 oktober en vrijdag 21 oktober. Bij deze laatste inspectie bleek dat de constructieve staat van de dakopbouw zeer instabiel was. Zo was de OSB-beplating van de dakopbouw totaal verzadigd en brak deze bij een simpele handeling direct af. Dit leidde tot grote zorgen. Daarom is aan Broersma met verzocht om met spoed te onderzoeken of de constructieve staat van het bouwwerk nog voldoende veilig was. Dat bleek niet het geval. Uit de berekening van Broersma van 24 oktober 2022 bleek dat de stabiliteit van het bouwwerk niet mee kon worden gegarandeerd en dat bij hoge windsnelheden een gevaarlijke situatie zou ontstaan. Zeker omdat het dak nog niet was gerealiseerd en een bouwwerk zonder zijwanden zeer kwetsbaar is voor hoge windsnelheden. Om die reden is diezelfde dag besloten om wegens overtreding van artikel 1a, eerste en tweede lid van de Woningwet spoedeisende bestuursdwang toe te passen en de dakopbouw af te breken.

De rechtbank moet in dit geval beoordelen of het college in redelijkheid tot de conclusie kon komen dat de staat van de dakopbouw zodanig instabiel was dat het, met het oog op de veiligheid van personen, aangewezen was om met toepassing van spoedeisende bestuursdwang tot onmiddellijke verwijdering van de dakopbouw en afsluiting van een gedeelte van de openbare weg over te gaan, gelet op de ten tijde van de besluitvorming op 24 oktober 2022 bij het college bestaande kennis en ter beschikking staande gegevens. Dat volgt uit vaste rechtspraak van de Afdeling. De rechtbank stelt voorop dat met het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang zonder begunstigingstermijn en zonder voorafgaand besluit, in het algemeen zeer terughoudend moet worden omgegaan.

In het statisch berekeningsrapport van 24 oktober 2022 is door ing. A. van Holsteijn van Broersma Bouwadvies, onder verwijzing naar de inspectie op 29 september 2022, beoordeeld of de huidige situatie veilig is of dat er eventueel maatregelen genomen moeten worden om een veilige situatie te creëren. Vermeld wordt dat de stabiliteit van de dakopbouw wordt verzorgd middels stabiliteitswanden bestaande uit Hout Skelet Bouw (H.S.B.), in de langsrichting middels de wanden in as 1 en 2. Tijdens de inspectie is geconcludeerd dat de OSB-beplating van de wand in as 2 verzadigd is geweest met water waardoor die geen schijfwerking kan genereren en dat er geen constructieve eigenschappen kunnen worden toegekend aam die beplating in het buitenklimaat. Hierdoor kan de stabiliserende functie van de wand niet vervuld worden vanwege verlies van schijfwerking. Geconcludeerd wordt dat de beplating van de stabiliteitswanden in een zodanig slechte staat verkeert dat er geen constructieve eigenschappen meer aan kan worden ontleend, dat hierdoor de stabiliteit van de dakopbouw niet meer is gewaarborgd, waardoor de kans aanwezig is op een gevaarlijke situatie bij een hoge windkracht. Hoe langer de dakopbouw in de huidige situatie blijft staan, hoe groter de kans wordt op een ongeluk. Advies is om zo gauw mogelijk “maatregelen te treffen bij de H.S.B-wanden in as 1 en 2”, zo vermeldt het berekeningsrapport.

De rechtbank is van oordeel dat uit dit berekeningsrapport genoegzaam blijkt dat als gevolg van de staat van het bouwwerk een gevaar is ontstaan voor de veiligheid, als bedoeld in artikel 1a, eerste lid , van de Woningwet. Voldoende staat vast dat de stabiliteitswanden in een zodanig slechte staat verkeerden dat er geen constructieve eigenschappen meer aan konden worden ontleend, waardoor de stabiliteit van de dakopbouw niet meer is gewaarborgd en de kans aanwezig was op een gevaarlijke situatie bij een hoge windkracht. Het college mocht op basis van dit berekeningsrapport aannemen dat sprake was van een zodanige onveilige situatie dat direct handhavend optreden door middel van het toepassen van spoedeisende bestuursdwang gerechtvaardigd was.

De stelling van eiseres dat het college reeds ten tijde van de inspectie op 29 september 2022 en in ieder geval ten tijde van de het rapport Broersma van 11 oktober 2022 ermee bekend kon zijn dat de OSB-beplating in as 2 verzadigd was met water en daardoor constructief ongeschikt was om nog enige vorm van schijfwerking mee te creëren, doet daar niet aan af. Genoemd rapport is in opdracht van het college opgesteld om de constructieonderdelen van de dakopbouw te beoordelen en daarover advies te geven. Het rapport bevat geen bevindingen en advies over de eventuele risico’s op gevaar voor de veiligheid vanwege de stabiliteit en daarom is ook niet gevraagd. Die risico’s werden pas duidelijk met het berekeningsrapport van 24 oktober 2022. Dat het college naar aanleiding van de inspectie op 29 september 2022 en het rapport van 11 oktober 2022 niet onmiddellijk om een advies heeft gevraagd over de stabiliteit en veiligheid van het bouwwerk, neemt niet weg dat pas op basis van het berekeningsrapport van 24 oktober 2022 voldoende duidelijk was dat de situatie zodanig onveilig was dat onmiddellijk handhavend optreden geboden was.

De rechtbank volgt het college echter niet in het standpunt dat toepassing van spoedeisende bestuursdwang door middel van onmiddellijke verwijdering van de dakopbouw, zonder aan eisers een begunstigingstermijn te bieden, gerechtvaardigd was. In het berekeningsrapport van 24 oktober 2022 wordt niet geadviseerd om de dakopbouw onmiddellijk te verwijderen doch alleen om “zo gauw mogelijk maatregelen te treffen bij de H.S.B-wanden in as 1 en 2”. Welke maatregelen dat zijn vermeldt het berekeningsrapport niet. Ook blijkt niet dat het college aan Broersma Bouwadvies gevraagd heeft welke maatregelen dat zouden moeten zijn. Dat het college op 24 oktober 2022 geen andere mogelijkheid (meer) had dan met toepassing van zeer spoedeisende bestuursdwang de dakopbouw volledig te laten verwijderen, volgt niet uit het hiervoor bedoelde advies en is door het college ook anderszins niet onderbouwd. Het rapport laat expliciet ruimte dat met minder vergaande (stabiliserende) maatregelen kan worden volstaan. Nu het gaat om een zeer ingrijpende en kostbare maatregel, had het college eerst nader moeten onderzoeken of en onderbouwen dat algehele en onmiddellijke verwijdering de enige optie was.

Het college heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat de situatie niet meer toeliet om de spoedeisende bestuursdwang te beperken tot het treffen van (stabiliserende) maatregelen bij de OSB-wanden in as 1 en 2, overeenkomstig het advies in het berekeningsrapport, en om aan eiseres een korte begunstigingstermijn te gunnen om de dakopbouw zelf te verwijderen.

Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het toepassen van zeer spoedeisende bestuursdwang, zoals het college dat heeft gedaan, niet gerechtvaardigd was. De beroepsgrond slaagt. Het bestreden besluit 2 moet worden vernietigd.

De kostenbeschikking

7. Het voorgaande betekent dat ook de kostenbeschikking voor vernietiging in aanmerking komt.

Conclusie en gevolgen

8. De beroepen tegen de bestreden besluiten en de kostenbeschikking zijn gegrond. De bestreden besluiten en de kostenbeschikking worden vernietigd. De rechtsgevolgen van het vernietigde bestreden besluit 1 worden in stand gelaten.

Het college moet het in de beroepen tegen de bestreden besluiten betaalde griffierecht van 2 × € 365,- aan eiseres vergoeden.

Eiseres krijgt ook een vergoeding van haar proceskosten. Het college moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 2.335,- omdat de gemachtigde van eiseres een beroepschrift heeft ingediend (1 punt), aan de zitting heeft deelgenomen (1 punt) en schriftelijke inlichtingen heeft gegeven in reactie op de brief van de rechtbank over het beroep van rechtswege tegen de kostenbeschikking (0,5 punt), met een waarde van € 934,- per punt en een wegingsfactor 1. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.H. Smits, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Gerde, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.

Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Bijlage: voor deze uitspraak belangrijke wet- en regelgeving

Awb

Artikel 5:1

1. In deze wet wordt verstaan onder overtreding: een gedraging die in strijd is met het

bepaalde bij of krachtens enig wettelijk voorschrift.

(…)

3 Overtredingen kunnen worden begaan door natuurlijke personen en rechtspersonen.

Artikel 51, tweede en derde lid, van het Wetboek van Strafrecht is van

overeenkomstige toepassing.

Artikel 5:24

1. De last onder bestuursdwang omschrijft de te nemen herstelmaatregelen.

(…)

3 De last onder bestuursdwang wordt bekendgemaakt aan de overtreder, aan de

rechthebbenden op het gebruik van de zaak waarop de last betrekking heeft en aan de

aanvrager.

Artikel 5:25

1. De toepassing van bestuursdwang geschiedt op kosten van de overtreder, tenzij deze

kosten redelijkerwijze niet of niet geheel te zijnen laste behoren te komen.

(…)

6 Het bestuursorgaan stelt de hoogte van de verschuldigde kosten vast binnen vijf jaar

nadat de bestuursdwang is toegepast.

Artikel 5:31

1. Een bestuursorgaan dat bevoegd is om een last onder bestuursdwang op te leggen, kan

in spoedeisende gevallen besluiten dat bestuursdwang zal worden toegepast zonder

voorafgaande last. Artikel 5:24, eerste en derde lid, is op dit besluit van

overeenkomstige toepassing.

2 Indien de situatie zo spoedeisend is, dat een besluit niet kan worden afgewacht, kan

terstond bestuursdwang worden toegepast, maar wordt zo spoedig mogelijk nadien

alsnog een besluit als bedoeld in het eerste lid bekendgemaakt.

Artikel 5:31c

1. Het bezwaar, beroep of hoger beroep tegen de last onder bestuursdwang heeft mede betrekking op een beschikking die strekt tot toepassing van bestuursdwang of op een beschikking tot vaststelling van de kosten van de bestuursdwang, voor zover de belanghebbende deze beschikking betwist.

2 De bestuursrechter kan de beslissing op het beroep of hoger beroep inzake de beschikking tot toepassing van bestuursdwang of de beschikking tot vaststelling van de kosten echter verwijzen naar een ander orgaan, indien behandeling door dit orgaan gewenst is.

(…)

Gemeentewet

Artikel 125

1. Het gemeentebestuur is bevoegd tot oplegging van een last onder bestuursdwang.

2 De bevoegdheid tot oplegging van een last onder bestuursdwang wordt uitgeoefend door het college, indien de last dient tot handhaving van regels welke het gemeentebestuur uitvoert.

Woningwet

Artikel 1a

1. De eigenaar van een bouwwerk, open erf of terrein of degene die uit anderen hoofde bevoegd is tot het daaraan treffen van voorzieningen draagt er zorg voor dat als gevolg van de staat van dat bouwwerk, open erf of terrein geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

2 Een ieder die een bouwwerk bouwt, gebruikt, laat gebruiken of sloopt, dan wel een open erf of terrein gebruikt of laat gebruiken, draagt er, voor zover dat in diens vermogen ligt, zorg voor dat als gevolg van dat bouwen, gebruik of slopen geen gevaar voor de gezondheid of veiligheid ontstaat dan wel voortduurt.

(…)

Artikel 1b

1. Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk te bouwen, voor zover daarbij niet wordt voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onderdeel a, tweede lid, aanhef en onderdeel d, derde en vierde lid.

(…)

4 Tenzij een omgevingsvergunning voor het bouwen van een bouwwerk het uitdrukkelijk toestaat, is het verboden een bouwwerk, dan wel deel daarvan, in stand te laten voor zover bij het bouwen daarvan niet is voldaan aan de op dat bouwen van toepassing zijnde voorschriften, bedoeld in het eerste lid.

Wabo

Artikel 2.3

Het is verboden te handelen in strijd met een voorschrift van een omgevingsvergunning dat betrekking heeft op:

(…)

b. activiteiten als bedoeld in artikel 2.1, eerste lid, onder a (…)

(…)

Artikel 2.3a

1. Het is verboden een bouwwerk of deel daarvan dat is gebouwd zonder omgevingsvergunning in stand te laten.

(…)

Artikel 5.17

Een besluit tot oplegging van een last onder bestuursdwang of oplegging van een last onder dwangsom gericht op naleving van het bepaalde bij of krachtens de betrokken wet kan inhouden dat het bouwen, gebruiken of slopen van een bouwwerk wordt gestaakt of dat voorzieningen, met inbegrip van het slopen van een bouwwerk, gericht op het tegengaan of beëindigen van gevaar voor de gezondheid of de veiligheid worden getroffen.

Artikel 5.19

1. Het bestuursorgaan dat bevoegd is een vergunning of ontheffing te verlenen, kan de vergunning of ontheffing geheel of gedeeltelijk intrekken, indien:

a. de vergunning of ontheffing ten gevolge van een onjuiste of onvolledige opgave is verleend;

b. niet overeenkomstig de vergunning of ontheffing is of wordt gehandeld;

c. de aan de vergunning of ontheffing verbonden voorschriften of beperkingen niet zijn of worden nageleefd;

d. de voor de houder van de vergunning of ontheffing als zodanig geldende algemene regels niet zijn of worden nageleefd.

(…)

3 Een bestuursorgaan gaat niet tot intrekking als bedoeld in het eerste of tweede lid over

dan nadat het de betrokkene de gelegenheid heeft geboden binnen een daartoe te

bepalen termijn zijn handelen alsnog in overeenstemming te brengen met de

vergunning of ontheffing, onderscheidenlijk de voorschriften of algemene regels,

bedoeld in het eerste of tweede lid, na te leven.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand