[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. M.K. Bulthuis),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. Eiser heeft op 22 september 2025 opnieuw in Nederland asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen als ongegrond met het bestreden besluit van 7 november 2025. Daarbij is aan eiser een terugkeerbesluit en een inreisverbod met een duur van twee jaar opgelegd. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om voorlopige voorziening. Eiser is niet verschenen. Zijn gemachtigde heeft zich afgemeld. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Na afloop van de zitting is onmiddellijk uitspraak gedaan.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Overwegingen
2. De minister heeft de rechtbank op 30 december 2025 bericht dat eiser met onbekende bestemming vertrokken is gemeld op 23 december 2025 door de vreemdelingenpolitie Noord-Nederland. Ter onderbouwing is een kopie uit het INDIGO systeem overgelegd.
De gemachtigde van eiser heeft op 18 februari 2026 gereageerd en aangegeven dat zij geen contact meer heeft met eiser en niet weet waar hij verblijft. Daarbij is gesteld dat eiser belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van het beroep.
3. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of eiser nog een concreet en reëel belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
Uit vaste rechtspraak van de Afdeling volgt dat wanneer een vreemdeling, die een asielaanvraag heeft ingediend, met onbekende bestemming vertrekt zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft, er in principe vanuit wordt gegaan dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem in eerste instantie gezochte bescherming in Nederland. Dit is alleen anders als een vreemdeling nog contact met zijn gemachtigde onderhoudt.
In dit geval heeft eiser de opvang verlaten, de minister en de gemachtigde niet op de hoogte gesteld van zijn verblijfsplaats en heeft hij ook geen contact meer met zijn gemachtigde. Dit maakt dat de rechtbank ervan uitgaat dat eiser geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland of een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep. Het is de rechtbank niet gebleken van concrete aanknopingspunten om hiervan af te wijken.
4. Gelet op het voorgaand is het beroep niet-ontvankelijk. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
5. Omdat de rechtbank uitspraak heeft gedaan op het samenhangende beroep is een voorlopige voorziening niet meer nodig. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om deze reden af.
Deze uitspraak is door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2026, in aanwezigheid van A.J. van Bruggen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.
Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal.
Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open.