RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie.
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.49632
(gemachtigde: mr. M. Demirtas),
en
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat eiser niet langer procesbelang heeft bij een inhoudelijke behandeling van zijn beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 6 augustus 2025 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
De rechtbank heeft partijen op 23 oktober 2025 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op de zitting van 18 november 2025. Op 11 november 2025 heeft de minister de rechtbank echter schriftelijk geïnformeerd dat eiser met onbekende bestemming de locatie van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers (het COa) had verlaten. Daarbij heeft de minister de rechtbank verzocht om te beoordelen of eiser nog procesbelang heeft bij de onderhavige procedure.
Gelet op dit bericht heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser op 12 november 2025 via een schriftelijk bericht in het digitaal dossier gevraagd om aan te geven of zij nog contact heeft met eiser en zo ja, of eiser nog in Nederland verblijft, waar hij verblijft en of hij op de hoogte is van de behandeling van zijn zaak op de zitting van 18 november 2025. Daarbij is de gemachtigde van eiser ook gevraagd om aan te geven wat de consequenties voor de onderhavige procedure zouden zijn, in het geval zij geen contact meer heeft met eiser.
Op 14 november 2025 heeft de gemachtigde van eiser gereageerd en laten weten dat zij sinds 7 november 2025 geen contact meer heeft met eiser. Hoewel zij pogingen heeft gedaan om het contact te herstellen, was eiser op dat moment telefonisch niet bereikbaar. In haar bericht heeft gemachtigde de rechtbank verzocht om gelet op de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 1 juli 2024, voorzichtig om te gaan met het niet-ontvankelijk verklaren van eisers beroep. Daarbij heeft zij ook verwezen naar de Afdelingsuitspraak van 8 augustus 2024, waaruit volgt dat contactverlies van 6 tot 9 dagen onvoldoende is om het procesbelang te laten vervallen. Gelet op het korte contactverlies en de inbreng van eiser van medische documentatie, stelt gemachtigde dat het contactverlies van tijdelijke aard is.
Dit bericht van de gemachtigde van eiser is voor de rechtbank aanleiding geweest om de zaak met het bericht van 17 november 2025 aan te houden en de behandeling daarvan enkele weken uit te stellen tot een nader te bepalen datum. Op dat moment was voor de rechtbank namelijk niet duidelijk of eiser nog prijs stelde op een inhoudelijke behandeling van zijn beroep.
Enkele weken later, op 16 december 2025, heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser via een bericht in het digitaal dossier gevraagd om aan te geven of zij sinds 7 november 2025 nog contact met eiser heeft gehad. Op 19 december 2025 heeft de gemachtigde gereageerd dat dat niet het geval is en er sinds 7 november 2025 geen contact meer met eiser is geweest. Enkele pogingen om het contact te herstellen zijn tevergeefs geweest, want eiser was telefonisch niet bereikbaar.
Dit bericht vormde voor de rechtbank aanleiding om op 23 december 2025 bij de minister navraag te doen of eiser zich intussen weer bij het COa had gemeld of dat hij ook bij de minister nog altijd staat geregistreerd als met onbekende bestemming vertrokken. De minister heeft op 24 december 2025 laten weten dat eiser zich sinds de brief van de minister van 11 november 2025 niet weer bij het COa heeft gemeld. De minister verzoekt daarom om niet-ontvankelijkverklaring van eisers beroep.
Naar aanleiding van dit bericht heeft de rechtbank partijen op 19 januari 2026 laten weten dat zij een zitting gelet op de recente ontwikkelingen niet langer nodig vindt en gevraagd of partijen het daarmee eens zijn. Omdat partijen daarna niet om een zitting hebben gevraagd, heeft de rechtbank het onderzoek gesloten en de zaak niet behandeld op een zitting.
Beoordeling door de rechtbank
Heeft eiser nog procesbelang?
3. De rechtbank ziet zich gelet op bovenstaand procesverloop voor de vraag gesteld of eiser nog belang heeft bij een inhoudelijke beoordeling van zijn beroep.
4. Als een vreemdeling in Nederland een asielaanvraag heeft ingediend en vervolgens met onbekende bestemming vertrekt, dan kan dat betekenen dat die vreemdeling geen prijs meer stelt op de door hem of haar gezochte bescherming in Nederland. De rechtbank kan het beroep dan niet-ontvankelijk verklaren, omdat de vreemdeling in dat geval geen procesbelang (meer) heeft. De rechtbank moet daar wel voorzichtig mee omgaan. Als de gemachtigde van de betrokken vreemdeling nog contact onderhoudt met de vreemdeling over het verloop van de procedure, dan mag er in beginsel van uit worden gegaan dat de vreemdeling nog wel procesbelang heeft. Dat is alleen anders als er concrete aanknopingspunten bestaan waaruit dat worden afgeleid dat de vreemdeling geen prijs meer stelt op bescherming in Nederland en ook op een andere manier geen actueel of reëel belang meer heeft.
5. Uit de omstandigheid dat eiser volgens informatie uit het dossier van het COa met onbekende bestemming is vertrokken, zonder aan de minister te laten weten waar hij verblijft en dat hij sinds 7 november 2025 geen contact meer onderhoudt met zijn gemachtigde en niet meer telefonisch bereikbaar is, leidt de rechtbank af dat eiser geen prijs meer stelt op de door hem gezochte bescherming. Daarom oordeelt de rechtbank dat eiser geen procesbelang meer heeft bij de inhoudelijke beoordeling van het door hem ingediende beroep. De rechtbank verklaart het beroep daarom niet-ontvankelijk.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het beroep van eiser niet inhoudelijk beoordeelt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. G.W.B. Heijmans, rechter, in aanwezigheid van F. Metz, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.