RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 3 maart 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer: [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.53335
(gemachtigde: mr. E.A. Welling),
en
(gemachtigde: mr. R.R. de Groot).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De gehoren van eiser zijn zorgvuldig geweest en de minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat de identiteit van eiser ongeloofwaardig is. De minister stelt zich ook terecht op het standpunt dat eiser geen vluchteling is zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiser heeft op 12 mei 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 oktober 2025 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond en heeft aan eiser een terugkeerbesluit zonder vertrektermijn en een inreisverbod van twee jaar opgelegd.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 21 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft de Somalische nationaliteit en stelt minderjarig te zijn. Eiser is in 2015 benaderd door Al-Shabaab om zich bij hen aan te sluiten. Eiser heeft dit toen geweigerd. Al-Shabaab heeft daarna contact opgenomen met zijn ouders en aangekondigd eiser te komen ophalen als hij wat ouder is. 9 of 10 maanden later is eiser door de leden van Al-Shabaab meegenomen en na drie dagen weer vrijgelaten, nadat het stamhoofd had toegezegd dat eiser zich op latere leeftijd zou aansluiten. In 2020 is eiser opnieuw benaderd door leden van Al-Shabaab om zich bij hen aan te sluiten en eiser heeft dit wederom geweigerd. In 2022 is eiser ontvoerd en drie weken vastgehouden door Al-Shabaab. Nadat eiser is ontsnapt is hij ondergedoken bij zijn oom, gevlucht naar Mogadishu en heeft vervolgens het land verlaten vanwege vrees voor Al-Shabaab.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De identiteit wordt echter niet geloofwaardig geacht. Eiser heeft dit volgens de minister namelijk niet met objectieve documenten onderbouwd. De verklaringen van eiser over zijn identiteit vormen daarnaast geen samenhangend en aannemelijk geheel en een Dublinonderzoek in Griekenland heeft uitgewezen dat eiser meerderjarig is. Daarnaast stelt de minister zich op het standpunt dat de problemen met Al-Shabaab vanwege rekrutering niet geloofwaardig zijn. Volgens de minister loopt eiser bij terugkeer geen risico op vervolging of een reëel risico op ernstige schade. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag kennelijk ongegrond is.
Zijn de gehoren van eiser zorgvuldig geweest?
5. Eiser voert aan dat zijn gehoren onzorgvuldig zijn geweest en daarom niet aan het bestreden besluit ten grondslag mogen worden gelegd. Volgens eiser had de minister moeten nagaan of hij tijdens de aanmeldgehoren in het dialect Af-Maay gehoord wilde worden. Ten aanzien van het nader gehoor voert eiser aan dat hij weliswaar is gehoord met behulp van een Af-Maay tolk, maar dat dit geen registertolk was. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen registertolk beschikbaar was, omdat dat volgens eiser wel het geval was. Verder voert eiser aan dat in gehoorverslagen standaard wordt opgenomen dat de vreemdeling de tolk goed heeft verstaan en begrepen. Van de waarheidsgetrouwheid van die zinnen kan dan ook niet standaard worden uitgegaan. Volgens eiser bieden correcties en aanvullingen juist de ruimte om dit te nuanceren.
De rechtbank stelt vast dat uit artikel 38 van de Vw 2000 volgt dat een vreemdeling wordt gehoord in zijn voorkeurstaal, tenzij een andere taal kan worden gebruikt die hij begrijpt en waarin hij helder kan communiceren. Eiser is tijdens zijn aanmeldgehoren in het Somalisch gehoord, nadat hij daarvoor de voorkeur heeft uitgesproken. Dit wordt door eiser ook niet betwist. Bovendien heeft eiser zowel aan het begin als aan het einde van de aanmeldgehoren verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. Uit de verslagen van de aanmeldgehoren blijkt volgens de rechtbank niet van onbegrip of miscommunicatie en eiser heeft niet geconcretiseerd waaruit blijkt dat dit wel het geval was. Ook heeft eiser niet kunnen concretiseren wat hij niet heeft kunnen verklaren doordat hij niet door een Af-Maay tolk is gehoord. Dat eiser later aangeeft dat het beter was geweest als hij in het Af-Maay dialect was gehoord, doet daar niet aan af. Dit betekent volgens de rechtbank namelijk niet dat hij de aanmeldgehoren niet heeft begrepen of dat deze onzorgvuldig zijn afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De rechtbank stelt vervolgens vast dat eiser tijdens zijn nader gehoor is gehoord met behulp van een Af-Maay tolk. Niet in geschil is dat hierbij geen registertolk is ingezet. Artikel 28, eerste lid, van de Wet beëdigde tolken en vertalers (Wbtv) bepaalt dat uitsluitend gebruik mag worden gemaakt van beëdigde tolken en vertalers. Op grond van het derde lid kan hiervan worden afgeweken indien geen registertolk tijdig beschikbaar is of het register geen ingeschrevene bevat voor de betreffende taal. In dat geval moet dit op grond van het vierde lid schriftelijk en gemotiveerd worden vastgelegd. De rechtbank stelt vast dat de minister in het verslag van het nader gehoor heeft toegelicht dat geen registertolk beschikbaar was, ondanks inspanningen om via het tolkenbureau een Af-Maay registertolk te regelen. Daarmee is volgens de rechtbank voldoende gemotiveerd waarom van het gebruik van een registertolk is afgezien. Eiser heeft niet onderbouwd dat er op dat moment wel een registertolk beschikbaar was en heeft ook niet aangegeven wat hij niet heeft kunnen verklaren doordat geen gebruik is gemaakt van een registertolk. Bovendien heeft eiser aan het begin en aan het eind van het nader gehoor verklaard dat hij de tolk goed kon verstaan en begrijpen. De rechtbank ziet daarom geen aanknopingspunten voor het oordeel dat het nader gehoor onzorgvuldig is afgenomen. De beroepsgrond slaagt niet.
De enkele stelling van eiser dat standaard in verslagen van gehoren wordt opgenomen dat een vreemdeling de tolk goed heeft verstaan en begrepen, leidt niet tot een andere conclusie. Dat zou immers betekenen dat in het algemeen niet meer van de juistheid van de gehoren uitgegaan kan worden.
Mocht de minister de identiteit van eiser ongeloofwaardig achten?
6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte stelt dat zijn identiteit niet geloofwaardig is. Hij voert aan dat hij zijn identiteit heeft aangetoond door het overleggen van zijn identiteitsbewijs, geboorteakte en een kopie van zijn Griekse pas. Volgens eiser heeft de minister ten onrechte gesteld dat zijn identiteitsbewijs en geboorteakte vals zijn. Daarnaast voert eiser aan dat de minister onzorgvuldig heeft gehandeld door de verklaring van het onderzoek van Bureau Documenten pas na het voornemen aan hem te verstrekken, omdat hij daardoor niet op een zorgvuldige wijze kon reageren. Daar komt volgens eiser bij dat de minister niet heeft aangegeven wat het vergelijkingsmateriaal van dit onderzoek inhoudt. De enkele verwijzing naar de vakbijlage is volgens eiser onvoldoende. Verder voert eiser aan dat hij meerdere keren heeft aangegeven om mee te willen werken aan een leeftijdsonderzoek in Nederland en voert hij aan dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt waaruit de leeftijdsbeoordeling in Griekenland heeft bestaan. Tot slot voert eiser aan dat hij over de, volgens hem, verkeerde genoteerde gegevens heeft geklaagd bij de Griekse autoriteiten, maar dat daar niks mee is gedaan.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt stelt dat de identiteit van eiser niet geloofwaardig is. De rechtbank stelt vast dat er een leeftijdsregistratie in Griekenland heeft plaatsgevonden, waarin is vastgesteld dat eiser, anders dan hij zelf aanvoert, meerderjarig is. Volgens de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij van deze leeftijdsregistratie mag uitgaan. De rechtbank licht dit toe.
In de eerste plaats heeft eiser geen authentieke documenten overgelegd die zijn identiteit aantonen. Bureau Documenten heeft geconcludeerd dat het overgelegde identiteitsbewijs en de overlegde geboorteakte hoogstwaarschijnlijk niet bevoegd zijn opgemaakt en afgegeven. Hoewel de documenten door Bureau Documenten niet vals zijn bevonden, wat de minister op de zitting heeft erkend, mocht de minister wel uitgaan van de conclusies van dit onderzoek en daarom niet de waarde aan deze documenten hechten die eiser aan de documenten wenst te zien. Een onderzoeksrapport van Bureau Documenten wordt namelijk aangemerkt als een deskundigenbericht. Dat de verklaring van het onderzoek pas na het voornemen aan eiser is verstrekt, is volgens de rechtbank niet onzorgvuldig nu eiser (in beroep) op dit onderzoek heeft kunnen reageren. Dat heeft eiser op 4 augustus 2025 ook gedaan. Daar komt bij dat eiser geen contra-expertise heeft overgelegd of concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd voor twijfel aan (de conclusie) van het onderzoek. Verder hoeft de minister volgens de rechtbank niet in detail toe te lichten welk vergelijkingsmateriaal is gebruikt. Het openbaar maken van deze details kan het onderzoeksproces namelijk schaden en de precieze totstandkoming van de conclusies wordt met goede redenen, zoals ook aangegeven in de vakbijlage, niet gedeeld.
In de tweede plaats heeft eiser een kopie van een Griekse pas overgelegd. De rechtbank volgt het standpunt van de minister dat deze kopie niet als een objectief en verifieerbaar identiteitsdocument kan worden aangemerkt en bovendien is niet gebleken dat eiser deze pas heeft verkregen na het overleggen van authentieke identificerende documenten.
Tot slot is de rechtbank van oordeel dat de minister niet ten onrechte stelt dat eiser wisselend heeft verklaard over zijn geboortedatum. Zo heeft eiser bij zijn intake verklaard dat hij zijn exacte geboortedatum niet weet. Tijdens het aanmeldgehoor heeft eiser vervolgens verklaard dat hij op [geboortedatum] 2006 is geboren.
Omdat eiser zijn identiteit niet heeft aannemelijk heeft gemaakt, mocht de minister uitgaan van de (meerderjarige) leeftijdsregistratie in Griekenland. Het had volgens de rechtbank op de weg van eiser gelegen om te klagen over deze leeftijdsregistratie. De enkele verklaring dat niks met zijn klacht is gedaan, is niet onderbouwd en daarom onvoldoende. De minister had volgens de rechtbank dan ook niet opnieuw een leeftijdsonderzoek in Nederland hoeven uitvoeren of navraag moeten doen bij de Griekse autoriteiten wat het leeftijdsonderzoek in Griekenland precies heeft ingehouden. De beroepsgrond slaagt niet.
Mocht de minister de problemen met Al-Shabaab vanwege rekrutering ongeloofwaardig achten?
7. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het standpunt van de minister dat zijn problemen met Al-Shabaab vanwege rekrutering ongeloofwaardig zijn. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding af te wijken van het standpunt van de minister.
Loopt eiser bij terugkeer risico op vervolging of een reëel risico op ernstige schade?
8. Eiser betoogt dat hij bij terugkeer naar Somalië te vrezen heeft voor vervolging en een reëel risico loopt op ernstige schade. Hij wijst op verschillende bronnen die aangeven dat burgers vaak slachtoffer zijn van aanslagen van Al-Shabaab en dat leden van Al-Shabaab zich vrij kunnen bewegen en infiltreren. Eiser betoogt dat naast gericht geweld ook sprake is van willekeurig geweld. Eiser voert daarom aan dat de minister had moeten onderzoeken of kan worden uitgegaan van de informatie in het ambtsbericht. Volgens eiser komt hij namelijk uit een gebied waar Al-Shabaab de controle heeft en moet hij door een gebied reizen dat onder de controle staat van Al-Shabaab. Volgens eiser moet de minister een hoger niveau van willekeurig geweld voor dit gebied aannemen. Eiser voert daarbij aan dat hij voortdurend ondergedoken zat in de korte periode waarin hij in Mogadishu verbleef.
De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade, als gevolg van willekeurig geweld. Uit het meest recente ambtsbericht volgt dat het gebied waaruit eiser afkomstig is niet onder controle staat van Al-Shabaab. Daarnaast wordt de route vanuit het vliegveld in Mogadishu naar de eerdere woonplaatsen van eiser niet door hen gecontroleerd. Voor deze gebieden wordt daarom een relatief lager niveau van willekeurig geweld aangenomen.De bronnen waar eiser naar verwijst geven onvoldoende aanleiding om aan dit landenbeleid te twijfelen en een hoger niveau van willekeurig geweld aan te nemen, omdat de informatie uit deze bronnen al is betrokken in het ambtsbericht. Dit betekent dat de minister mocht uitgaan van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en dat eiser dus met individuele elementen moet komen die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Dit heeft eiser niet gedaan. De enkele stelling van eiser dat hij in Mogadishu voortdurend ondergedoken zat, is daarvoor onvoldoende. Daar komt bij dat zijn problemen met Al-Shabaab vanwege rekrutering, zoals overwogen onder 7, niet geloofwaardig zijn geacht. Om deze reden wordt eiser ook geen voordeel van het twijfel gegeven.
Heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom de aanvraag als kennelijk ongegrond is afgewezen?
9. Eiser voert aan dat dat minister onvoldoende heeft onderbouwd waarom zijn aanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond. Volgens eiser blijkt uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten namelijk niet dat sprake is van overgelegde valse documenten.
De rechtbank is van oordeel dat de minister de aanvraag van eiser mocht afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000. Het gaat er bij dat artikel volgens de rechtbank om dat eiser probeert in een gunstigere positie te komen door bewust informatie te verstrekken die aantoonbaar onjuist is of informatie achter te houden.Hij probeert als het ware de autoriteiten op het verkeerde been te zetten, teneinde in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning. Nu de minister, zoals overwogen onder 6.1, niet ten onrechte de identiteit van eiser ongeloofwaardig heeft geacht mocht de minister de aanvraag kennelijk ongegrond verklaren. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. Kompier, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Pruijn, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.