RECHTBANK DEN HAAG
Uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] (V-nummer: [V-nummer]), eiser,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder,
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
Zaaknummer: NL24.16272
(gemachtigde: mr. R.W.J.L. Loonen),
en
(gemachtigden: mr. R.E. Thijssen en mr. I. Vugs).
Procesverloop
Eiser heeft op 17 augustus 2022 een asielaanvraag ingediend. Deze asielaanvraag heeft verweerder op 16 augustus 2023 buiten behandeling gesteld op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw).
Bij besluit van 21 februari 2024 heeft verweerder een terugkeerbesluit vastgesteld.
Eiser heeft op 13 april 2024 beroep ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter van deze rechtbank heeft het verzoek om een voorlopige voorziening op 25 april 2024 toegewezen.
Op 14 mei 2024 heeft de rechtbank partijen bericht dat het beroep wordt aangehouden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen die door het Hof in de gevoegde zaken C-244/24 en C-290/24 zijn beantwoord in het arrest Kaduna van 19 december 2024.
Bij besluit van 16 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 ingetrokken en dit besluit onder verwijzing naar artikel 6:19 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) vervangen door een nieuw terugkeerbesluit. Het op 13 april 2024 ingediende beroep heeft van rechtswege mede betrekking op het terugkeerbesluit van 16 juli 2025.
Op 15 augustus 2025 heeft eiser zijn beroepsgronden ingediend.
Verweerder heeft op 24 februari 2026 een verweerschrift ingediend.
Op 2 maart 2026 heeft eiser nog aanvullende beroepsgronden ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Op verzoek van de gemachtigde van eiser heeft de rechtbank dit beroep en verzoek gelijktijdig met de beroepen/verzoeken van negen andere zogenoemde ‘Derdelanders Oekraïne’ die hij bijstaat behandeld. De rechtbank heeft de zes eisers/verzoekers die in persoon zijn verschenen in de gelegenheid gesteld om ter zitting hun individuele relaas naar voren te brengen en vragen te stellen aan de rechtbank en aan verweerder. De rechtbank heeft toegelicht dat de zaken gelijktijdig maar niet gevoegd worden behandeld. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigden.
Overwegingen
1. De rechtbank overweegt allereerst dat eiser te laat beroep heeft ingesteld tegen het terugkeerbesluit van 21 februari 2024 en dat dit niet verschoonbaar is, nu eiser geen valide reden heeft aangevoerd waarom het beroep te laat is ingesteld. De rechtbank is het eens met de gemachtigde dat er door toedoen van verweerder rond die tijd aanzienlijke verwarring is ontstaan. Eiser heeft echter niet uitgelegd waarom hij, juist gelet op de verwarring, dan geen beroep heeft ingesteld om in ieder geval een rechtsingang te behouden. Dat verweerder ‘structureel en grovelijk alle termijnen laat verlopen voor asiel en regulier nareis’, aldus eiser, is, zo overweegt de rechtbank weliswaar indien juist zeer ernstig, maar geen reden om zelf ook geen termijnen te eerbiedigen en al helemaal geen verschoonbare reden. Het beroep heeft weliswaar van rechtswege mede betrekking op het op 16 juli 2025 vastgestelde terugkeerbesluit, maar de rechtbank zal geen proceskostenveroordeling uitspreken in verband met het eerdere terugkeerbesluit dat ten onrechte is vastgesteld. De rechtbank merkt hierbij op dat de rechtbank zelf gehouden is aan artikel 5 van richtlijn 2008/115 (de Terugkeerrichtlijn) en dat deze verplichting niet afhankelijk is van het tijdig aanwenden van een rechtsmiddel en de rechtbank ook om die reden inhoudelijk moet beoordelen of verweerder een terugkeerbesluit mag en moet vaststellen.
2. De rechtbank overweegt vervolgens dat eiser behoort tot de categorie personen aan wie verweerder onverplicht facultatieve tijdelijke bescherming op grond van de Richtlijn Tijdelijke Bescherming (RTB) heeft verleend en welke bescherming in het kader van de onderhavige procedure door verweerder wordt beëindigd. De beroepsgronden die eiser hiertegen heeft gericht zijn reeds gemotiveerd in de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2025. De rechtbank ziet geen aanleiding daar nu anders over te oordelen. Eiser komt in deze procedure op tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit.
3. Deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, heeft in haar uitspraken van 15 september 2025 reeds overwogen dat het beëindigen van de onverplichte tijdelijke bescherming niet in strijd is met het Unierechtelijke rechtszekerheids- en/of vertrouwensbeginsel en dat de beëindiging niet disproportioneel of onevenredig is.
4. Verweerder heeft in het terugkeerbesluit van 16 juli 2025 vastgesteld dat eisers recht op tijdelijke bescherming uit hoofde van de RTB is geëindigd op 4 maart 2024. Eiser verblijft niet (langer) rechtmatig in Nederland en moet terugkeren naar het land waarvan hij de nationaliteit heeft. Hij moet Nederland, het grondgebied van de EU, EER en Zwitserland binnen vier weken verlaten. Vanwege het terugkeerbesluit wordt eiser in het Schengen Informatie Systeem (SIS) gesignaleerd. In het aan eiser opgelegde terugkeerbesluit is verder vermeld dat eiser ten tijde van het besluit nog onder de zogenoemde ‘bevriezingsmaatregel’ valt, die op 4 september 2025 zal eindigen.
5. De rechtbank merkt op, zoals ter zitting besproken, dat verweerder bij de vaststelling van het terugkeerbesluit alleen rekening heeft kunnen houden met feiten en omstandigheden die eiser heeft aangedragen voordat het terugkeerbesluit is vastgesteld. De stelling dat verweerder hiervoor de vreemdeling altijd in persoon moet horen slaagt niet. Uit het Unierecht volgt dat eiser zijn zienswijze kenbaar moet kunnen maken. Eiser heeft niet geconcretiseerd dat dit onvoldoende is gewaarborgd door de mogelijkheid om schriftelijk een zienswijze kenbaar te maken. Voor zover eerder een terugkeerbesluit is vastgesteld heeft bovendien te gelden dat de vreemdeling zal moeten aangeven dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen wezenlijk zijn gewijzigd ten aanzien van de vaststelling van dit eerdere besluit.
6. De beroepsgrond dat verweerder een vergewisplicht heeft om alvorens een terugkeerbesluit vast te stellen na te gaan of eiser een verblijfsrecht in een andere lidstaat heeft slaagt niet. Verweerder is verplicht om vast te stellen dat sprake is van illegaal verblijf. Eiser kan in de zienswijze kenbaar maken en onderbouwen dat hij over een verblijfsvergunning of andere toestemming voor verblijf in een andere lidstaat beschikt. Indien dit het geval is, zal verweerder eiser eerst op grond van artikel 6, tweede lid, van richtlijn 2008/115 moeten opdragen om zich naar die lidstaat te begeven en alleen indien aan die opdracht niet is voldaan, ontstaat vervolgens de bevoegdheid en -in beginsel- de verplichting om een terugkeerbesluit vast te stellen. Verweerder kan wel door raadpleging van ‘de systemen’ nagaan of een andere lidstaat internationale bescherming heeft verleend. Maar de enkele mededeling van de vreemdeling dat ondanks het verblijf onder de RTB in Nederland in een andere lidstaat een aanvraag voor ‘een verblijfsvergunning’ is gedaan, activeert geen nadere onderzoeks- of vergewisplicht voor verweerder.
7. De rechtbank verricht in beroep een actuele beoordeling van de vraag of de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement aan de vaststelling van het terugkeerbesluit in de weg staan. De rechtbank stelt vast dat dit niet het geval is en merkt hierbij op, zoals ook ter zitting uitvoerig uitgelegd aan de aanwezige derdelanders, dat in deze procedure niet aan de orde is of een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 EVRM moet worden verleend, maar uitsluitend de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit wordt beoordeeld. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop en zoals ook besproken ter zitting, dat de beoordeling of artikel 7 van het Handvest in de weg staat aan de vaststelling van een terugkeerbesluit, betrekking heeft op de gevolgen van een mogelijk terugkeerbesluit voor het hier te lande uitgeoefende privéleven. De wens om vanuit Nederland op enig moment te kunnen terugkeren naar Oekraïne houdt geen verband met de beoordeling of het privéleven in de weg staat aan de terugkeer naar het land van herkomst. Dat, zoals ter zitting aangevoerd, een belang is gelegen in het eenvoudiger vanuit Nederland kunnen communiceren met voormalige werkgevers of onderwijsstellingen is niet onderbouwd. Hoewel begrijpelijk vanuit het perspectief van de derdelanders staat dit belang, indien het wel zou zijn geconcretiseerd en onderbouwd, niet in de weg aan het opleggen van een terugkeerverplichting.
8. Ter zitting is de vraag aan de orde gekomen of verweerder kan worden opgedragen om te wachten met de signalering in het SIS. De rechtbank heeft reeds verduidelijkt dat verweerder niet alleen verplicht is om een terugkeerbesluit vast te stellen, maar ook om dit terugkeerbesluit te signaleren in het SIS. De rechtbank begrijpt dat dit gevolgen heeft voor de mogelijkheid om in een andere lidstaat te verblijven. Een terugkeerbesluit behelst echter de vaststelling van illegaal verblijf en de vaststelling van een terugkeerverplichting. Voor de vreemdeling betekent dit dat hij/zij het grondgebied van de Unie moet verlaten en voor verweerder betekent dit de verplichting om de vreemdeling die de Unie niet verlaat binnen de in het terugkeerbesluit vastgestelde vertrektermijn, te verwijderen naar het derde land dat als land van terugkeer in het terugkeerbesluit is vermeld. De verplichting om de Unie te verlaten en dus de gevolgen voor het kunnen verblijven in een andere lidstaat volgt uit het vaststellen van het terugkeerbesluit. De signalering in het SIS brengt mee dat de andere lidstaten op de hoogte zijn van het door verweerder vastgestelde SIS. In de SIS-verordening is geregeld dat het terugkeerbesluit zodra dit is vastgesteld wordt gesignaleerd. De rechtbank overweegt dat dit betekent dat verweerder -uit eigen beweging- door de rechter vernietigde terugkeerbesluiten uit het SIS moet verwijderen indien verweerder tot signalering overgaat voordat de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit is beoordeeld door de rechter en het terugkeerbesluit definitief is geworden.
9. Tot slot overweegt de rechtbank dat zij geen aanleiding ziet om de voorgestelde prejudiciële vragen te stellen, welk verzoek voortkomt uit de gestelde verschillende (taal)versies van de Uitvoeringsbesluiten in twee lidstaten. De rechtbank heeft dit verzoek eerder behandeld en komt in deze procedure tot dezelfde conclusie. De rechtbank verwijst in dit verband op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 24 november 2025.
10. De rechtbank concludeert daarom dat verweerder bevoegd was om de tijdelijke bescherming die aan eiser was verleend te beëindigen en dat verweerder door dat te doen ook verplicht is om een terugkeerbesluit vast te stellen. Verweerder heeft terecht Algerije als land van terugkeer aangemerkt. De in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en het beginsel van non-refoulement staan niet in de weg aan het vaststellen van het terugkeerbesluit. De beroepsgronden slagen dus niet en de rechtbank stelt vast dat het terugkeerbesluit rechtmatig is.
11. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. K.M.R.L. Kamp, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 5 maart 2026.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.