ECLI:NL:RBDHA:2026:4383

ECLI:NL:RBDHA:2026:4383

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-03-2026
Datum publicatie 05-03-2026
Zaaknummer NL21.9845
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

BZ, 8:54, PKV, toegewezen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 4 maart 2026 in de zaak tussen

[verzoeker], v-nummer: [nummer], verzoeker

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL21.9845

(gemachtigde: mr. E. Derksen),

en

Procesverloop

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek van verzoeker om een veroordeling van de minister in de proceskosten. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van het beroep in de bodemprocedure.

De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank op 13 augustus 2021 laten weten geen aanleiding te zien om de proceskosten te vergoeden.

De behandeling van het verzoek heeft daarna ruim vier jaar stilgelegen. Via een systeemcontrole is naar voren gekomen dat op het verzoek nog steeds niet is beslist. Om die reden is verzoeker verzocht aan te geven of hij nog prijs stelt op een uitspraak. Verzoeker heeft daarop aangegeven dat het verzoek ook aan zijn aandacht is ontsnapt maar dat hij nog steeds een uitspraak wenst. De rechtbank biedt (nogmaals) de excuses aan voor de gang van zaken en zal uitspraak doen. Dat doet de rechtbank zonder een zitting te houden.

Overwegingen

2. Op 12 augustus 2021 heeft de minister het besluit op de asielaanvraag van verzoeker van 22 juni 2021 ingetrokken. Hierbij heeft de minister aangeboden om de proceskosten van eiser in de beroepsprocedure te vergoeden. De minister zag geen aanleiding om ook de proceskosten van het verzoek om een voorlopige voorziening te vergoeden, omdat sprake is van samenhangende zaken. Hierbij verwijst de minister naar een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaruit volgt dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening geen aparte proceshandeling is.

Verzoeker betoogt dat de minister zich ten onrechte op het standpunt stelt dat sprake is van samenhangende zaken. Verzoeker betoogt dat het indienen van een verzoek om voorlopige voorziening wel degelijk een aparte proceshandeling is die voor een proceskostenvergoeding in aanmerking komt. Hierbij verwijst eiser naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Haarlem.

Naar het oordeel van de rechtbank is geen sprake van samenhangende zaken. Uit artikel 3, tweede lid, van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), blijkt dat dit artikel enkel van toepassing is op samenhangende zaken. Een beroep en een verzoek om voorlopige voorziening zijn (in dit geval) geen samenhangende zaken in de zin van het Bpb. De strekking van het beroep en het verzoek verschilt; een beroep is gericht tegen het besluit van de minister op de asielaanvraag van verzoeker, terwijl het verzoek ertoe strekt om uitzetting tegen te gaan. Dit betekent dat verzoeker voor zowel het beroep als voor het verzoek recht heeft op vergoeding van de proceskosten.

Conclusie en gevolge1

3. De rechtbank veroordeelt de minister in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de voorzieningenrechter op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934 (1 punt voor het indienen van het verzoekschrift met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1).

Beslissing

De rechtbank:

- veroordeelt de minister in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van € 934.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Informatie over verzet

Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.A. van Hoof

Griffier

  • mr. F.E. Brokke

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand