RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[verzoeker] , verzoeker,
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10733
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R. Deniz),
en
Procesverloop
Bij besluit van 12 december 2025 heeft verweerder aan verzoeker de maatregel van bewaring op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw opgelegd.
De rechtbank heeft op 26 februari 2026 een kennisgeving ontvangen van de maatregel waaruit blijkt dat een termijn van 75 dagen is verstreken zonder dat door of namens verzoeker beroep is ingesteld tegen het voortduren van de bewaring. Daarmee wordt verzoeker geacht tegen de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Verzoeker heeft hierop gereageerd.
Verweerder heeft op 4 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Verzoeker heeft het beroep ingetrokken en daarbij verzocht om verweerder te veroordelen tot vergoeding van de proceskosten.
De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting.
Overwegingen
1. De veroordeling van een partij in de proceskosten is geregeld in de artikelen 8:75 en 8:75a van de Awb en nader uitgewerkt in het Bpb. Als een beroep wordt ingetrokken, omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoet gekomen, kan de rechtbank op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. Dit is geregeld in artikel 8:75a van de Awb.
2. Op 26 februari 2026 heeft de rechtbank een kennisgeving ontvangen van de maatregel van bewaring. Daarmee wordt verzoeker geacht tegen de maatregel van bewaring beroep te hebben ingesteld en daarbij te hebben verzocht om schadevergoeding. Verweerder heeft op 4 maart 2026 de maatregel van bewaring opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding toegekend voor de periode dat hij ten onrechte in bewaring heeft gezeten. Verder heeft verweerder een proceskostenvergoeding toegekend van € 934. Hiermee is verweerder tegemoetgekomen aan het beroep van verzoeker.
3. Het verzoek wordt als kennelijk gegrond toegewezen. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door verzoeker gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 934.
Beslissing
De rechtbank veroordeelt verweerder in de proceskosten van verzoeker tot een bedrag van
€ 934 (negenhonderdvierendertig euro).
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Mohandes, griffier en openbaar gemaakt door middel van publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over verzet
Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden.