[naam], verzoeker,
V-nummer: [V-nummer],
(gemachtigde: mr. I.M. Zuidhoek),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister.
Inleiding
1. In deze uitspraak beslist de voorzieningenrechter op het verzoek om een voorlopige voorziening van verzoeker om het verlengen van de uiterste overdrachtstermijn op te schorten.
Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in het bodemgeding niet.
Omdat het verzoek kennelijk ongegrond is doet de voorzieningenrechter uitspraak zonder zitting. De voorzieningenrechter legt hierna uit waarom het verzoek kennelijk ongegrond is.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
2. De minister heeft op 26 februari 2026 de termijn waarbinnen verzoeker in het kader van een Dublinoverdracht kan worden overgedragen, verlengd tot 18 maanden. Deze termijn is verlengd, omdat verzoeker ten tijde van de geplande overdracht op 26 februari 2026 met onbekende bestemming was vertrokken. Verzoeker heeft tegen deze verlenging beroep ingesteld en de voorzieningenrechter verzocht met spoed een voorlopige voorziening te treffen.
3. Verzoeker heeft gesteld dat hij heeft te kampen met ernstige psychische problemen. Als gevolg daarvan is hij op de eerste hulp beland en daarom kon hij niet worden overgedragen. De minister heeft dit, volgens verzoeker, ten onrechte aangemerkt als een onttrekking aan het toezicht waar de verlenging van de overdrachtstermijn op is gebaseerd. Verzoeker is suïcidaal en vreest dat hij in bewaring zal worden gesteld zodat de minister de overdracht kan realiseren.
4. De minister heeft op 5 maart 2025 een verweerschrift ingediend en zich op standpunt gesteld dat er geen sprake is van een spoedeisend belang. Verzoeker is op dit moment niet in bewaring gesteld en de mogelijkheid dat dit nog zal gebeuren, levert geen onverwijlde spoed op. Van een concrete kans daarop is volgens de minister op dit moment geen sprake. De minister geeft daarnaast aan dat er vooralsnog geen aanwijzingen zijn dat de overdracht van verzoeker op korte termijn zal plaatsvinden.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
5. Op grond van artikel 8:81 van de Awb kan de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op het betrokken belang, dat vereist. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter wordt niet voldaan aan het vereiste van onverwijlde spoed. De voorzieningenrechter overweegt dat de minister op dit moment geen concreet voornemen heeft om verzoeker over te dragen en/of in bewaring te stellen. Voor zover dit mogelijk nog gaat gebeuren, is de rechtbank van oordeel dat dit een onzekere toekomstige gebeurtenis is die geen onverwijlde spoed oplevert. Onder deze omstandigheden ziet de voorzieningenrechter niet in welk spoedeisend belang verzoeker heeft bij het treffen van een voorlopige voorziening.
Conclusie en gevolgen
6. De voorzieningenrechter wijst het verzoek af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. H.A. van der Wal, griffier, en openbaar gemaakt door gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.