ECLI:NL:RBDHA:2026:4484

ECLI:NL:RBDHA:2026:4484

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 12-01-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer C/09/696506 / KG ZA 25-1267
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Kort geding. Dagbepaling en betekening. Spoedeisend belang. Nakoming zorgregeling, dwangsom, ieder eigen proceskosten.

Uitspraak

Rechtbank Den Haag

Team familie - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/696506 / KG ZA 25-1267

Vonnis in kort geding van 12 januari 2026

in de zaak van

[eiseres] te [woonplaats 1] ,

eiseres,

advocaat mr. H.L. Thiescheffer te Leeuwarden,

tegen:

[gedaagde] te [woonplaats 2] ,

gedaagde.

Partijen worden hierna aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de op 29 december 2025 gehouden mondelinge behandeling.

Op de zitting zijn verschenen:

- de moeder bijgestaan door haar advocaat;

- de vader.

Tijdens de zitting is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten in conventie en in reconventie

Op grond van de stukken en wat tijdens de zitting is besproken, wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad.

Zij zijn de ouders van de minderjarige [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2022 te [geboorteplaats] .

De ouders oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] .

Deze rechtbank heeft bij beschikking van 20 maart 2025 – die is verbeterd bij beschikking van 29 april 2025 – bepaald dat:

- [minderjarige] de hoofdverblijfplaats zal hebben bij de vader;

- [minderjarige] bij de moeder in de woning van oma moederszijde in [stadsdeel] zal zijn:

o vanaf de datum van deze beschikking: te beginnen in de week van 24 maart 2025 om de week van maandag 8.15 uur tot dinsdag naar de opvang en vervolgens in dezelfde week van vrijdag 17.00 uur c.q. de eindtijd van de opvang/school tot zaterdag 17.00 uur;

o vanaf 25 mei 2025: om de week van zondag 17.00 uur tot dinsdag naar de opvang/school en vervolgens in dezelfde week van vrijdag 17.00 c.q. de eindtijd van de opvang/school tot zaterdag 17.00 uur;

o vanaf 24 augustus 2025: om de week van zondag 17.00 uur tot dinsdag naar de opvang/school en vervolgens in diezelfde week van vrijdag 17.00 uur c.q. de eindtijd van de opvang/school tot maandag 12.30 uur;

o vanaf 23 november 2025: om de week van zondag 17.00 uur tot dinsdag naar de opvang/school en vervolgens in diezelfde week van vrijdag 17.00 uur c.q. de eindtijd van de opvang/school tot dinsdag naar de opvang/school, enzovoorts,

allen in samenspraak met de betrokken hulpverlening, waarbij de overdrachtsmomenten – eveneens in samenspraak met de hulpverlening – op de dagen dat [minderjarige] naar de kinderopvang (en in de toekomst naar school) gaat, bij de kinderopvang (en later op school) plaatsvinden, en voor de andere momenten bij het politiebureau, voor zolang de hulpverlening het nodig acht, doch zo snel mogelijk bij [horecagelegenheid] in [plaats] .

Bij vonnis in kort geding van 25 oktober 2025 van de voorzieningenrechter van deze rechtbank is – voor zover hier van belang – de vordering van de moeder om de vader te gebieden onvoorwaardelijk uitvoering te geven aan de zorg- en contactregeling zoals neergelegd in de beschikkingen van 20 maart 2025 en 29 april 2025, afgewezen.

Het hof Den Haag heeft bij beschikking van 17 december 2025 de beschikking van

de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025, hersteld bij beschikking van 29 april 2025, vernietigd voor zover daarin is bepaald dat [minderjarige] bij de moeder in de woning van oma moederszijde in [stadsdeel] zal zijn tijdens de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] . Het hof heeft opnieuw rechtdoende bepaald dat [minderjarige] tijdens de zorgregeling tussen de moeder en [minderjarige] de nachten in de woning van oma moederszijde in [stadsdeel] zal zijn. De beschikking van de rechtbank Den Haag van 20 maart 2025, hersteld bij beschikking van 29 april 2025, is bekrachtigd voor zover het de daarin bepaalde zorgregeling en de beslissing over de hoofdverblijfplaats betreft.

3. Het geschil

De moeder vordert – zakelijk weergegeven – de vader te gebieden onvoorwaardelijk uitvoering te geven aan de zorg- en contactregeling zoals neergelegd in de beschikkingen van 20 maart, 29 april en 17 december 2025, zulks onder verbeurte van een dwangsom van € 10.000,- per overtreding, zulks met een maximum van € 100.000,-, onder compensatie van proceskosten.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. De vader verbindt voorwaarden aan de uitvoering van de zorgregeling. Volgens de vader mag de moeder niet alleen met [minderjarige] in de auto rijden en moet (daarom) oma moederszijde bij de overdracht aanwezig zijn. Als de moeder zich niet aan deze voorwaarden van vader houdt, dan dreigt de vader de contactmomenten niet door te laten gaan. De moeder stelt dat deze voorwaarden niet voortvloeien uit de beschikkingen van de rechtbank en het hof en zij wil dat de vader de zorgregeling onvoorwaardelijk nakomt, dat wil zeggen dat zij alleen met [minderjarige] in de auto mag rijden.

De vader heeft op de mondelinge behandeling een processtuk met producties aan de voorzieningenrechter aangeboden. De voorzieningenrechter heeft de indiening van die stukken niet toegelaten en de vader in de gelegenheid gesteld mondeling verweer te voeren. Daarbij heeft de vader passages uit zijn processtuk en producties voorgelezen. Op 31 december 2025 heeft de vader een nieuw processtuk met bijlagen per e-mail gestuurd aan de rechtbank en gesteld dat bij de planning van de mondelinge behandeling voorbij is gegaan aan de verhinderdata van zijn advocaat en hij daardoor niet adequaat verweer heeft kunnen voeren. Ook stelt de vader – zoals de voorzieningenrechter begrijpt – dat de dagvaarding te laat is betekend en dat een spoedeisend belang bij de vordering van de moeder ontbreekt. De vader uit verder zijn zorgen over drugs- en alcoholgebruik door de moeder. Hij stelt dat er (daarom) veiligheidsafspraken gelden. Volgens de vader is onder meer met de hulpverlening afgesproken dat de moeder niet alleen met [minderjarige] in de auto mag rijden. Dat betekent dat de moeder [minderjarige] met het openbaar vervoer of een taxi moet ophalen als oma moederszijde niet bij de overdracht kan zijn om de auto te besturen. Dit volgt volgens de vader ook uit de uitspraak van het hof.

4. De beoordeling van het geschil

Zorgregeling

Dagbepaling en betekening

In verband met de gestelde spoedeisend is voorbijgegaan aan de verhinderdata van de advocaat van de vader. Verder constateert de voorzieningenrechter – anders dan de vader stelt – dat de dagvaarding binnen de voorgeschreven termijn is betekend aan de vader. Dat hij zelf later kennis heeft genomen van de inhoud van de dagvaarding omdat de gerechtsdeurwaarder het exploot in de brievenbus heeft achtergelaten maakt niet dat zijn rechten in het kader van artikel 6 EVRM zijn geschonden. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter heeft de vader voldoende gelegenheid gehad om op zitting mondeling verweer te voeren.

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat sprake is van spoedeisend belang. Gebleken is dat tussen de ouders veel discussie bestaat over de uitvoering van de zorgregeling. De voorzieningenrechter vindt het in het belang van [minderjarige] (en de ouders) dat hier op kort termijn duidelijkheid over komt, zodat de ouders in het belang van [minderjarige] op de juiste wijze uitvoering kunnen geven aan de zorgregeling.

Inhoudelijke beoordeling

De zorgregeling die op dit moment geldt, luidt als volgt: [minderjarige] is bij de moeder om de week van zondag 17.00 uur tot dinsdag naar de opvang/school en vervolgens in diezelfde week van vrijdag 17.00 uur c.q. de eindtijd van de opvang/school tot dinsdag naar de opvang/school, alle in samenspraak met de betrokken hulpverlening, waarbij de overdrachtsmomenten – eveneens in samenspraak met de hulpverlening – op de dagen dat [minderjarige] naar de kinderopvang (en in de toekomst naar school) gaat, bij de kinderopvang (en later op school) plaatsvinden, en voor de andere momenten bij het politiebureau, voor zolang de hulpverlening het nodig acht, doch zo snel mogelijk bij [horecagelegenheid] in [plaats] . Het hof heeft deze zorgregeling bekrachtigd. Hierbij heeft het hof wel bepaald dat [minderjarige] tijdens de zorgregeling gedurende de nachten in de woning van oma moederszijde in [stadsdeel] zal zijn.

De discussie tussen de ouders gaat met name over de vraag of oma moederszijde aanwezig moet zijn bij de overdracht en dat de moeder anders met het openbaar vervoer of door de vader te betalen taxi moet reizen. De vader stelt dat het niet veilig is dat [minderjarige] alleen met de moeder per auto reist.

In hoger beroep heeft de vader onder meer verzocht dat in geval de moeder drie opvolgende maanden negatief is getest zich – zolang als bij hulpverlening twijfels bestaan over het gebruik van drugs en/of alcohol – elke twee maanden aan een test bij De Waag of soortgelijke instelling zal onderwerpen en zij bij een negatief resultaat niet meer met de minderjarige zal autorijden, zolang zij niet opnieuw drie

opvolgende maanden negatief heeft getest bij De Waag of soortgelijke instelling en zij zich (opnieuw) onder behandeling zal stellen. In incidenteel hoger beroep heeft de moeder onder meer verzocht dat zal worden bepaald dat het haar is toegestaan alleen met [minderjarige] auto te rijden.

De voorzieningenrechter is niet gebleken dat de rechtbank een expliciete voorwaarde over het autorijden heeft verbonden aan de zorgregeling in de beschikking van 20 maart 2025. Het hof heeft een dergelijke voorwaarde ook niet vastgesteld. Het hof heeft in de beschikking van 17 december 2025 in rechtsoverweging 5.15 namelijk het volgende overwogen: ‘Nog daargelaten dat de rechtbank in de bestreden beschikkingen niets heeft overwogen of beslist ten aanzien van het autorijden van de moeder met de minderjarige, ziet het hof mede gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, onvoldoende aanknopingspunten om aan te nemen dat er zorgen bestaan over de rijvaardigheid van de moeder. Het hof ziet dan ook geen aanleiding om hieromtrent een beslissing te nemen. Het hof zal daarom het verzoek van de moeder en de vader omtrent het autogebruik van de moeder met de minderjarige afwijzen.’

De vader concludeert – naar het oordeel van de voorzieningenrechter terecht – uit rechtsoverweging 5.15 dat het hof door afwijzing van de verzoeken van ouders de beslissing van de rechtbank dat de zorgregeling in samenspraak met de hulpverlening zal worden uitgevoerd in stand blijft. Anders dan de vader is de voorzieningenrechter niet van oordeel dat dat met de hulpverlening een veiligheidsafspraak over het autogebruik is gemaakt die op dit moment nog geldt. Uit de beschikkingen van 20 maart 2025, 29 april 2025 en/of 17 december 2025 volgt dus niet dat op dit moment als voorwaarde geldt dat de moeder niet alleen met [minderjarige] in de auto mag rijden.

De voorzieningenrechter vindt de zorgen van de vader invoelbaar maar deelt die zorgen niet. Uit de op zitting voorgelezen verklaring van de huisarts van de vader maakt de rechtbank niet op dat de huisarts uit eigen waarneming verklaart over drugs- en alcoholgebruik van de moeder. De voorzieningenrechter wijst hierbij ten overvloede ook op overweging 5.11 in de beschikking van 17 december 2025 van het hof: ‘In de stukken en op grond van het verhandelde tijdens de mondelinge behandeling ziet het hof geen aanknopingspunten om aan te nemen dat de moeder niet in staat zou zijn om de minderjarige een adequate verzorging en opvoeding te bieden, dan wel dat de minderjarige bij de moeder onveilig zou zijn. Uit het dossier blijken geen concrete aanwijzingen die daadwerkelijk reden geven tot zorg en/of wantrouwen omtrent de opvoedingsomgeving van de moeder. De zorgen die de vader heeft omtrent het door hem gestelde drugs- en alcoholgebruik van de moeder, dat door de moeder wordt betwist, worden niet, althans onvoldoende onderbouwd met stukken en worden niet waargenomen door derden. Het hof heeft dan ook geen indicatie dat het gestelde drugsgebruik van de moeder van invloed is op de uitvoering van de zorgregeling en dus op de minderjarige. Het hof ziet daarom geen aanleiding om de door de vader verzochte voorwaarden te verbinden aan de uitvoering van de zorgregeling noch om de door de rechtbank vastgestelde (opbouw van de) zorgregeling te doorkruisen of een andere, door de vader verzochte zorgregeling op te leggen, zonder overnachting.’

De voorzieningenrechter vindt het in het belang van [minderjarige] dat de zorgregeling wordt nagekomen en dat er niet steeds discussie over de uitvoering daarvan plaatsvindt. Gelet op het voorgaande wordt de vordering van de moeder in zoverre toegewezen dat de vader wordt veroordeeld tot nakoming van de bij beschikking van deze rechtbank van 20 maart 2025 – die is verbeterd bij beschikking van 29 april 2025 – en bij beschikking van het hof Den Haag van 17 december 2025 vastgelegde zorgregeling. Dat betekent concreet dat er geen voorwaarde geldt over het autorijden door de moeder met [minderjarige] .

Dwangsom

De voorzieningenrechter vindt oplegging van een dwangsom als stimulans tot nakoming van de zorgregeling aangewezen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft de vader onweersproken gesteld dat hij een inkomen heeft van ongeveer

€ 20.000,- per jaar. De gevorderde dwangsom zal daarom wel worden gematigd en gemaximeerd. De voorzieningenrechter zal bepalen dat de vader een dwangsom verbeurt van € 500,- per keer dat hij de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,-.

Proceskosten

Omdat partijen samen de ouders zijn van [minderjarige] , zal de voorzieningenrechter de proceskosten compenseren en bepalen dat iedere partij de eigen kosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

veroordeelt de vader tot nakoming van de bij beschikking van deze rechtbank van

20 maart 2025 – die is verbeterd bij beschikking van 29 april 2025 – en bij beschikking van het hof Den Haag van 17 december 2025 vastgelegde zorgregeling;

bepaalt dat de vader een dwangsom van € 500,- verbeurt voor iedere keer dat hij de zorgregeling niet nakomt, tot een maximum van € 5.000,-;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. A.S. Perniciaro en in het openbaar uitgesproken op

12 januari 2026.

MV

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?