RECHTBANK DEN HAAG
Team Familie
Rekestnummers: FA RK 25-7372 (echtscheiding) en FA RK 26-559 (verdeling)
Zaaknummers: C/09/692359 (echtscheiding) en C/09/698055 (verdeling)
Beschikking d.d. 23 januari 2026 betreffende de echtscheiding
in de zaak van:
[de vrouw] ,
Wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de vrouw,
advocaat mr. N. Bagci-Çiçek, gevestigd te Den Haag,
tegen
[de man] ,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
hierna te noemen de man.
1. De procedure
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het verzoekschrift van de vrouw, ingekomen op 1 oktober 2025;
- het bericht van 20 oktober 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het bericht van 29 oktober 2025 van de vrouw, met bijlagen;
- het gewijzigde verzoekschrift van 17 november 2025 van de vrouw;
- de referteverklaring van de man, ingekomen op 28 november 2025.
Partijen hebben schriftelijk laten weten af te zien van een mondelinge behandeling. De rechtbank zal de zaak afdoen op de stukken.
2. De beoordeling
Partijen zijn met elkaar gehuwd op [datum] 2015 te [plaats] , Turkije. Ten tijde van de huwelijkssluiting hadden partijen beiden de Turkse nationaliteit. Nu heeft De vrouw heeft de Nederlandse nationaliteit en de man heeft de Turkse nationaliteit.
De minderjarige kinderen van partijen zijn:
- [de minderjarige 1] , geboren op [geboortedatum 1] 2016 te [geboorteplaats] en
- [de minderjarige 2] , geboren op [geboortedatum 2] 2020 te [geboorteplaats] .
Scheiding
De vrouw heeft verzocht de echtscheiding tussen partijen uit te spreken. Zij heeft gesteld dat het huwelijk duurzaam is ontwricht. De man heeft zich ten aanzien van het verzoek tot echtscheiding aan het oordeel van de rechtbank gerefereerd.
Nu ten tijde van de indiening van het verzoekschrift de gewone verblijfplaats van partijen zich in Nederland bevond, komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek tot echtscheiding.
Op grond van artikel 10:56 van het Burgerlijk Wetboek is Nederlands recht op het verzoek tot echtscheiding van toepassing.
Het verzoek tot echtscheiding zal, als niet weersproken en op de wet gegrond, worden toegewezen.
De wet staat niet toe de echtscheiding uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. De rechtbank wijst het verzoek daartoe dan ook af.
Verblijfplaats
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen bij haar zal zijn.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de hoofdverblijfplaats van de minderjarigen.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de hoofdverblijfplaats als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich daartegen verzet.
Verdeling zorg- en opvoedingstaken
De vrouw heeft verzocht een regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken (hierna: de zorgregeling) vast te stellen, in die zin dat de kinderen iedere vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur bij de man zijn, waarbij de man de kinderen van school haalt en brengt naar de vrouw. Daarnaast verzoekt zij te bepalen dat alle (school)vakanties en (Islamitische) feestdagen in onderling overleg bij helfte worden verdeeld.
Nu de gewone verblijfplaats van de minderjarigen in Nederland is, is de Nederlandse rechter bevoegd om naar het recht van Nederland te beslissen op het verzoek tot vaststelling van de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de zorgregeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen, nu niet is gebleken dat het belang van de minderjarigen zich tegen deze regeling verzet.
Woning
De vrouw heeft het huurrecht van de woning verzocht.
De woning is in Nederland gelegen. Gelet op artikel 4, lid 3, aanhef en sub a van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering komt de Nederlandse rechter rechtsmacht toe om te oordelen over het verzoek ter zake van het huurrecht van deze woning.
De rechtbank zal op dit verzoek Nederlands recht als haar interne recht toepassen.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot het huurrecht van de woning als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Onderhoudsbijdrage(n)
De vrouw heeft verzocht een door de man te betalen bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen (hierna ook: kinderbijdrage) van € 750,00 per maand per kind en een door de man te betalen bijdrage in de kosten van haar levensonderhoud (hierna ook: partnerbijdrage) van € 700,00 per maand vast te stellen.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij op grond van artikel 3 sub c van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) tevens rechtsmacht met betrekking tot het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het recht van Nederland op het verzoek tot vaststelling van een bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de minderjarigen toepassen, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De Nederlandse rechter is op grond van artikel 3 sub a van de Alimentatieverordening (nr. 4/2009 Raad van 18 december 2008) bevoegd om van het partneralimentatieverzoek kennis te nemen.
De rechtbank zal op grond van artikel 3 van het Protocol van 23 november 2007 het Nederlands recht toepassen op het verzoek tot vaststelling van een partnerbijdrage, nu de onderhoudsgerechtigde gewone verblijfplaats in Nederland heeft.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de kinder- en partnerbijdrage als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
Verdeling
De vrouw heeft verzocht te bepalen dat de tussen de partijen bestaande gemeenschap van goederen wordt verdeeld op de door haar voorgestelde wijze.
Nu de Nederlandse rechter rechtsmacht heeft met betrekking tot het verzoek tot echtscheiding, heeft hij tevens rechtsmacht ten aanzien van het verzochte met betrekking tot het huwelijksvermogensregime van partijen.
Op het huwelijksvermogensregime is het Haags Huwelijksvermogensverdrag 1978 van toepassing.
Niet gebleken is dat partijen een geldige rechtskeuze hebben uitgebracht.
Zij hadden bij de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna alleen de nationaliteit van Turkije gemeenschappelijk in de zin van artikel 15, lid 1 van het Verdrag.
Zij hebben na de huwelijksvoltrekking dan wel kort daarna hun eerste gewone verblijfplaats op het grondgebied van dezelfde staat gevestigd, namelijk Nederland.
De gemeenschappelijke nationaliteit van partijen is die van een zogenaamd nationaliteitsland.
Het land van de gemeenschappelijke nationaliteit is geen verdragsland.
Op grond van artikel 4 lid 2 van het Verdrag wordt het huwelijksvermogensregime beheerst door het Turkse recht, als het recht van de gemeenschappelijke nationaliteit van de echtgenoten, nu Turkije geen partij is bij het Verdrag, terwijl volgens het internationaal privaatrecht van deze staat zijn interne recht van toepassing is en de echtgenoten de eerste gewone verblijfplaats na het huwelijk vestigden in Nederland.
Gebleken is dat zich nadien een situatie heeft voorgedaan als omschreven in artikel 7, lid 2 van het Verdrag, waardoor na voornoemd recht met ingang van 27 juli 2025 het recht van Nederland van toepassing werd op het huwelijksvermogensregime, omdat zij toen tien jaar daar hun gewone verblijfplaats hadden.
Uit de instemmingsverklaring van de man volgt dat hij kennis heeft genomen van de door de vrouw verzochte wijze van verdeling en stemt hiermee in.
De rechtbank zal het verzoek met betrekking tot de vaststelling van de verdeling als niet weersproken en op de wet gegrond toewijzen.
3. De beslissing
De rechtbank:
spreekt de echtscheiding uit tussen partijen, gehuwd te [plaats] , Turkije op [datum] 2015;
bepaalt dat de minderjarigen hun hoofdverblijfplaats zullen hebben bij de vrouw;
bepaalt dat de regeling inzake de verdeling van de zorg- en opvoedingstaken zal zijn:
- iedere vrijdag uit school tot zondag 18.00 uur zijn de kinderen bij de man, waarbij de man de kinderen van school haalt en brengt naar de vrouw;
- de (school)vakanties en (Islamitische) feestdagen worden in onderling overleg bij helfte verdeeld;
bepaalt dat de vrouw huurster zal zijn van de woning aan het adres [adres] met ingang van de dag waarop de beschikking tot echtscheiding is ingeschreven in de registers van de burgerlijke stand;
bepaalt dat de man € 750,00 per maand per kind dient te betalen aan de vrouw als bijdrage in de kosten van verzorging en opvoeding van de voornoemde minderjarigen, met ingang van 1 oktober 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
bepaalt dat de man € 700,00 per maand dient te betalen aan de vrouw als uitkering tot levensonderhoud, met ingang van 1 oktober 2025, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;
stelt de verdeling van de tussen partijen bestaande gemeenschap vast conform het aangehechte verzoekschrift van de vrouw als volgt vast:
- de inboedel van de woning wordt aan de vrouw toegedeeld, zonder nadere verrekening;
- het aandeel van de man in de vof ‘ [bedrijfsnaam] ’ te Den Haag, geregistreerd onder KvK-nummer [KvK-nummer] wordt volledig aan de man toegedeeld, zonder verrekening;
- de bankrekening op naam van de man en het saldo ervan wordt aan de man toegedeeld en de bankrekening op naam van de vrouw en het saldo ervan aan de vrouw, zonder nadere verrekening;
- de Volkswagen Passat met kenteken [kenteken 1] wordt aan de man toegedeeld en de Citroën C1 met kenteken [kenteken 2] wordt aan de vrouw toegedeeld, zonder nadere verrekening;
verklaart – met uitzondering van het uitspreken van de echtscheiding – uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door mr. A.C. Olland, rechter, tevens kinderrechter, en in het openbaar uitgesproken in tegenwoordigheid van de griffier L.E. (Rechtbank Den Haag) Meisters op 23 januari 2026.
Tegen deze beschikking kan - voor zover er definitief is beslist - door tussenkomst van een advocaat hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Den Haag. De verzoekende partij en verschenen belanghebbenden dienen het hoger beroep binnen de termijn van drie maanden na de dag van de uitspraak in te stellen. Andere belanghebbenden dienen het beroep in te stellen binnen drie maanden na de betekening van deze beschikking of nadat deze hun op andere wijze bekend is geworden en overeenkomstig artikel 820 lid 2 Rv openlijk bekend is gemaakt.