RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.38742
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. F.J.M. Schonkeren),
en
(gemachtigde: mr. K.A.W. Boonen).
Procesverloop
Met het besluit van 23 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 11 februari 2026 in Breda op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] , en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser is geboren op [geboortedag] 2005 en heeft de Somalische nationaliteit. Op 18 augustus 2022 heeft hij een asielstatus gekregen in Griekenland. Vervolgens heeft hij op 15 februari 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn stamafkomst niet. Ook acht verweerder de door eiser gestelde problemen met Al- Shabaab niet geloofwaardig. Verder is er volgens verweerder geen sprake van geloofwaardig geachte motieven of aspecten die leiden tot de conclusie dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico op ernstige schade loopt. Tot slot heeft verweerder een terugkeerbesluit opgelegd. Eiser dient volgens verweerder terug te keren naar Somalië.
3. Eiser heeft tegen het bestreden besluit aangevoerd dat verweerder ten onrechte tegenwerpt dat zijn verklaringen tegenstrijdig zijn met de verklaringen die hij in Griekenland heeft afgelegd. In Griekenland heeft eiser niet de gelegenheid gekregen om het verslag van het gehoor met een advocaat te bespreken en te corrigeren. Eiser betwist dat de verslaglegging accuraat is. Daarnaast stelt eiser dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade bij terugkeer naar Somalië, omdat zijn woonplaats volgens verweerder in ‘mixed, unclear and/or local control’ gebied ligt. Dit maakt de kans aannemelijk dat Al-Shabaab de woonplaats al dan niet tijdelijk onder controle heeft of krijgt. Tot slot wijst eiser erop dat hij internationale bescherming geniet in Griekenland, waardoor verweerder niet heeft kunnen besluiten dat hij dient terug te keren naar Somalië.
De rechtbank overweegt als volgt.
Het asielrelaas
4. De Afdeling heeft in een uitspraak van 2 juli 2025 uiteengezet hoe verweerder moet omgaan met asielaanvragen van personen die in Griekenland internationale bescherming hebben gekregen, maar niet naar Griekenland kunnen terugkeren. Dit is ook bij eiser aan de orde: hij heeft van de Griekse autoriteiten een asielstatus gekregen, maar hij kan niet terugkeren omdat hij dan mogelijk in een situatie van zeer verregaande materiële deprivatie terechtkomt. Volgens de Afdeling is verweerder in zo’n geval niet gebonden aan de door Griekenland verleende status, wat betekent dat verweerder niet verplicht is om deze status automatisch te erkennen en over te nemen en de asielaanvraag inhoudelijk mag behandelen. Wel moet verweerder ten volle rekening houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de status toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd.
5. Verweerder heeft de Griekse autoriteiten verzocht om informatie om vast te kunnen stellen waarop de beslissing om eiser een asielstatus te verlenen is gebaseerd. De van de Griekse autoriteiten verkregen stukken zijn betrokken bij de beoordeling van de aanvraag in Nederland. Verweerder heeft geconstateerd dat eiser in Griekenland heeft verklaard dat hij tot de minderheidsstam Madhiban behoort, terwijl hij in Nederland heeft verklaard tot de meerderheidsstam Gaaljecel (Hawiye) te behoren. Ook heeft hij tegenstrijdig verklaard over de dood van zijn vader. In Griekenland heeft hij namelijk verklaard dat zijn vader aan een ziekte is gestorven toen hij vier jaar oud was, maar in Nederland heeft hij verklaard dat zijn vader in 2021 is vermoord door Al-Shabaab. Ook heeft eiser in Nederland andere verklaringen dan in Griekenland afgelegd over de benadering door Al-Shabaab, de arrestatie van zijn moeder en het verblijf in een trainingskamp van Al-Shabaab. Dat eiser in Griekenland geen advocaat had om het gehoorverslag mee te bespreken en te corrigeren, biedt onvoldoende verklaring voor deze tegenstrijdigheden. Verweerder heeft eisers stamafkomst en de gestelde problemen met Al-Shabaab dan ook terecht niet geloofwaardig geacht.
Reëel risico op ernstige schade
6. In het verweerschrift heeft verweerder gesteld dat voor de Somalische regio Hiraan, waar eiser vandaan komt, inmiddels een relatief lager niveau van willekeurig geweld wordt aangenomen. In dat geval is het aan de vreemdeling om aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk te maken dat die omstandigheden leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Daarin is eiser niet geslaagd. Zijn gestelde problemen met Al-Shabaab zijn ongeloofwaardig bevonden en eiser heeft verder geen omstandigheden aangevoerd die aanleiding geven voor het aannemen van een dergelijk verhoogd risico. Uit de nieuwsberichten die eiser in reactie op het verweerschrift heeft overgelegd blijkt bovendien dat Al-Shabaab af en toe gebied inneemt in Hiraan, maar niet dat dat de regio inmiddels onder controle staat van Al-Shabaab.
Terugkeerbesluit
7. Verweerder kan, mede gelet op eerdergenoemde Afdelingsuitspraak van 2 juli 2025, geen terugkeerbesluit nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus, heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie hierop hebben aangegeven of zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken.
8. In dit geval blijkt uit de besluitvorming niet dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Ter zitting heeft de gemachtigde van verweerder gesteld dat de Griekse autoriteiten wel in kennis zijn gesteld van de beoordeling en van het opgelegde terugkeerbesluit naar Somalië. De SIS-signalering is vervolgens verwijderd, zodat eiser toch naar Griekenland kan terugkeren als hij dat wil. Over de status van eiser in Griekenland kon de gemachtigde desgevraagd geen informatie verschaffen. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank had verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluit mogen opleggen aan eiser.
Conclusie en gevolgen
9. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet aanleiding om de rechtsgevolgen in stand te laten voor zover dit de afwijzing van de asielaanvraag betreft. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand te laten. De rechtbank draagt verweerder op bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, om daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit.
10. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868 omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan op 4 maart 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.J.J. Sterks, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.