ECLI:NL:RBDHA:2026:4500

ECLI:NL:RBDHA:2026:4500

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 26.9797
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats 's-Hertogenbosch

Samenvatting

Bewaring, beroep gegrond, inspanningsverplichting tijdens strafrechtelijke detentie. Vervoer naar aansluitend geplande vlucht onterecht geannuleerd. Bewaring kon worden voorkomen.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser], V-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Zittingsplaats ‘s-Hertogenbosch

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.9797

(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),

en

(gemachtigde: mr. S. Faddach).

Procesverloop

Bij besluit van 15 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

De minister heeft op 25 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1983.

2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontweek of belemmerde. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb 2000), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

4. Eiser voert aan dat hij een gevangenisstraf uitzat van drie maanden, waarbij vanaf het begin al bekend was wat de einddatum zou zijn van de strafrechtelijke detentie. Uit de stukken blijkt dat er een vlucht voor eiser was geboekt, maar die is geannuleerd. Dat is niet door toedoen van eiser gebeurd. Daarna heeft het nog geruime tijd geduurd voordat eiser werd uitgezet, wat uiteindelijk op 25 februari 2026 pas is gebeurd. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende voortvarend gehandeld.

5. De rechtbank overweegt als volgt. Hetgeen eiser aanvoert met betrekking tot de geannuleerde vlucht moet naar het oordeel van de rechtbank, zoals namens de minister ter zitting ook terecht is betoogd, worden beoordeeld in het licht van de vraag of is voldaan aan de inspanningsverplichting tijdens de strafrechtelijke detentie. De vlucht zou namelijk direct aansluitend daarop plaatsvinden, in welke situatie geen bewaringsmaatregel nodig zou zijn. Deze omstandigheden moeten dus niet worden beoordeeld in het licht van de vraag of de minister voldoende voortvarend handelt, zoals eiser te zitting heeft betoogd, nu dat pas aan de orde komt als een maatregel van bewaring is opgelegd.

6. Op grond van paragraaf A5/6.12 van de Vreemdelingencirculaire 2000 rust op de minister een verplichting om te voorkomen dat een betrokkene na strafrechtelijke detentie in vreemdelingenbewaring wordt gesteld. Als een vreemdeling na zijn strafrechtelijke detentie in bewaring gesteld moet worden omdat feitelijk vertrek aansluitend aan de strafrechtelijke detentie niet mogelijk is, deelt de ambtenaar belast met grensbewaking of met het toezicht op vreemdelingen aan de vreemdeling tijdens de strafrechtelijke detentie mee dat hij bij beëindiging van zijn strafrechtelijke detentie op grond van artikel 50, derde lid, dan wel artikel 50a, eerste lid, Vw 2000 naar een plaats bestemd voor verhoor wordt overgebracht.

7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister de inspanningsverplichting geschonden. Daarvoor is van belang dat er een vlucht voor eiser was gepland op 15 februari 2026, direct aansluitend aan zijn strafrechtelijke detentie. Het vervoer naar de vlucht is, zo is ter zitting namens de minister toegelicht, door DV&O geannuleerd, omdat er vanwege sneeuwval werd verwacht dat de vlucht zou worden geannuleerd. Die verwachting was onterecht want later bleek dat de vlucht niet was geannuleerd. Het vervoer naar het vliegveld was wel al geannuleerd en toen was het volgens de minister niet meer mogelijk om eiser nog naar het vliegtuig te brengen. Het vervoer van eiser naar het vliegveld is dus veel te voortvarend geannuleerd. Als eiser naar het vliegveld zou zijn gebracht, had er geen maatregel van bewaring opgelegd hoeven te worden.

8. Dat niet is voldaan aan de inspanningsverplichting, leidt er echter niet automatisch toe dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is. Bij het niet voldoen aan de inspanningsverplichting moet er een belangenafweging plaatsvinden. De minister heeft ter zitting aangevoerd dat de belangenafweging in zijn voordeel moet uitvallen, omdat eiser al vanaf 2023 geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland, hij drie keer eerder in bewaring is gesteld en hij opnieuw een straf heeft uitgezeten. De rechtbank volgt dit standpunt niet. Hoewel het belang van de minister zwaar weegt, mede gelet op de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd, is de rechtbank van oordeel dat in dit geval het belang van eiser zwaarder weegt. Het vervoer naar het vliegveld is vanuit een onterechte verwachting geannuleerd, nu de vlucht gewoon is doorgegaan. Was het vervoer niet geannuleerd, dan was de maatregel van bewaring niet nodig geweest. En hoewel de minister ter zitting nog heeft toegelicht dat, waar mensen werken fouten worden gemaakt, mag niet uit het oog worden verloren dat deze fout er voor heeft gezorgd dat eiser onnodig elf dagen niet in vrijheid maar in vreemdelingenbewaring heeft doorgebracht. Deze vrijheidsbeneming had de minister kunnen voorkomen, dat is voor de rechtbank doorslaggevend en weegt zwaarder dan het belang van de minister. De met de bewaring gediende belangen staan daarom naar het oordeel van de rechtbank niet in een redelijke verhouding tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen.

9. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig.

10. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 11 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 2 x € 160,- (verblijf politiecel) en 9 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.400,-.

11. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.400,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.

Deze uitspraak is gedaan door mr. D.J.M. van de Voort, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.C.M. van Dommele, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. D.J.M. van de Voort

Griffier

  • mr. M.C.M. van Dommele

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?