RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , eiseres,
de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.26164
V-nummer: [V-nummer] ,
(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),
en
(gemachtigde: mr. I.A. van der Vegt).
Procesverloop
Bij besluit van 7 september 2024 (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiseres tot verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.
Bij besluit van 15 mei 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.
Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.
Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door haar gemachtigde. Ook haar [dochter] , is verschenen. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiseres is geboren op [geboortedag] 1944 en heeft de Turkse nationaliteit. Zij heeft op 8 augustus 2024 verzocht om afgifte van een visum kort verblijf om referent, haar gestelde kleinzoon, te kunnen bezoeken.
2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Bovendien is er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Deze afwijzing is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat er geen stukken zijn overgelegd om de gestelde relatie tussen eiseres en referent aan te tonen. Verder is sprake van geringe sociale en economische binding met Turkije. Dit maakt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eiseres tijdig zal terugkeren naar Turkije.
3. Eiseres stelt in beroep dat zij vele jaren een visum heeft gehad om haar kinderen en kleinkinderen te mogen bezoeken in Nederland, wat zij ook meermaals heeft gedaan. De omstandigheden van haar bezoek aan Nederland zijn dan ook eerder in voldoende mate aangenomen. De omstandigheden waren destijds hetzelfde; haar echtgenoot was toen, bij wijze van voorbeeld, ook al overleden. De sociale en economische binding met Turkije is niet veranderd. Er wordt getwijfeld aan haar intenties om tijdig terug te keren. Het wantrouwen richting eiseres wordt niet deugdelijk gemotiveerd. Verweerder had eiseres moeten horen in bezwaar. Eiseres en referent hadden dan kunnen toelichten waarom het bezoek belangrijk zou zijn. Tot slot stelt eiser dat de bestuurlijke dwangsom ten onrechte is geweigerd.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Griffierecht
4. De rechtbank beoordeelt eerst of eiseres definitief wordt vrijgesteld van het betalen van griffierecht. Het verzoek om vrijstelling is door de rechtbank op 17 juni 2025 voorlopig toegewezen. Gelet op wat eiseres heeft meegedeeld over haar inkomen en gelet op het ondertekende formulier ziet de rechtbank aanleiding om dit verzoek definitief toe te wijzen. Dit betekent dat eiseres geen griffierecht hoeft te betalen.
Beoordelingskader
5. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.
6. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Dat staat onder andere in het arrest van het Hof in de zaak [naam] . Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Als naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.
Sociale en economische binding
7. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een zodanige sociale binding met Turkije dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. In de eerste plaats staat vast dat eiseres weduwe is en al haar (klein)kinderen in Nederland wonen. Ook is niet gebleken dat zij andere familieleden in Turkije heeft waar zij zorg voor draagt. Verweerder heeft ook kunnen meewegen dat niet is gebleken van (andere) zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres dwingen om tijdig naar Turkije terug te keren.
8. Ook heeft eiseres haar economische binding met Turkije niet alsnog onderbouwd. Van belang is dat eiseres aantoont dat zij economische redenen heeft om terug te keren naar Turkije. Eiseres stelt een pensioen te ontvangen, maar niet is gebleken dat daarvoor haar fysieke aanwezigheid in Turkije is vereist. Verweerder heeft op basis van het voorgaande in redelijkheid kunnen overwegen dat eiseres haar economische binding met Turkije onvoldoende heeft aangetoond.
9. Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Turkije heeft verweerder kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.
10. Eiseres heeft gezien het bovenstaande onvoldoende aannemelijk gemaakt dat zij aan de voorwaarden voldoet om in aanmerking te komen voor een visum voor kort verblijf. De weigeringsgrond van artikel 32, eerste lid, onder b, van de Visumcode kan de afwijzing van de visumaanvraag dragen. Dat eiseres eerder een visum heeft gekregen, maakt bovenstaande beoordeling niet anders, omdat elke visumaanvraag op zijn eigen merites moet worden beoordeeld. Daarbij heeft eiseres niet onderbouwd dat de situatie waaronder dat eerdere visum is verleend, volledig gelijk is aan de situatie van eiseres nu. De bewijslast ligt bij eiseres, zoals ook is vermeld in artikel 14 van de Visumcode. Bij het primaire besluit was duidelijk dat de gegevens die eiseres had overlegd onvoldoende waren
om sociale en economische binding met Turkije aan te nemen. Uit de ‘Vragenlijst visumaanvraag’ en de daarin vermelde checklist blijkt welke documenten eiseres kon aanleveren om dit te onderbouwen. In het bestreden besluit wordt meermaals aangegeven dat eiseres dit nog altijd onvoldoende heeft onderbouwd met stukken. Desondanks heeft eiseres nagelaten om dergelijke stukken te overleggen. Dit komt voor haar eigen risico.
11. Nu de hiervoor besproken weigeringsgrond de afwijzing van het visum zelfstandig kan dragen, behoeft de andere weigeringsgrond geen bespreking. Wel hecht de rechtbank er nog aan op te merken dat, hoewel het aan eiseres is om de relatie met referent aan te tonen, het merkwaardig overkomt om het visum op dit punt te weigeren, gelet op de voorgeschiedenis van eiseres in Nederland.
Hoorplicht en dwangsom
12. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiseres de beroepsgrond over de hoorplicht laten vallen. Voor zover de beroepsgrond over de weigering van het toekennen van de bestuurlijke dwangsom wordt gehandhaafd, geldt dat de rechtbank van oordeel is dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is en heeft geen reden hoeven zien om eiseres te horen. Daarbij is van belang dat eiseres in bezwaar geen stukken heeft overgelegd en het onverkort duidelijk was dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Nu is vastgesteld dat verweerder het bezwaar van eiseres terecht heeft afgedaan als kennelijk ongegrond, hoefde verweerder geen dwangsom te betalen voor het overschrijden van de beslistermijn.
Conclusie
13. De aanvraag van eiseres om afgifte van een visum voor kort verblijf is terecht afgewezen. Het beroep is ongegrond.
14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.