Rechtbank den haag
Wrakingskamer
wrakingnummer 2026/09
zaak- /rekestnummer: C/09/699700 / KG RK 26-279
Beslissing van 5 maart 2026
van de meervoudige wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
1. [verzoeker 1] ,
2. [verzoeker 2] ,
3. [verzoeker 3] ,
hierna te noemen: verzoekers,
allen wonende in [woonplaats] ,
strekkende tot de wraking van
mr. W.A. Timmer,
rechter in deze rechtbank,
hierna te noemen: de rechter.
1. Het wrakingsverzoek
Tijdens de mondelinge behandeling op 12 februari 2026 in de zaak met nummer SGR 25/235 tussen verzoekers en de Autoriteit Persoonsgegevens (hierna: de hoofdzaak) hebben verzoekers een verzoek tot wraking van de rechter ingediend. De wrakingskamer heeft kennisgenomen van:
- het proces-verbaal van 12 februari 2026 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld en
- het (aanvullend) schriftelijke wrakingsverzoek van 13 februari 2026.
De wrakingskamer heeft de beschikking over het dossier in de hoofdzaak.
In het proces-verbaal van de schorsing van het onderzoek op de zitting van 12 februari 2026 is het volgende opgenomen:
“Aan het einde van de zitting heeft eiser de rechtbank gewraakt omdat de rechtbank weigert op voorhand toe te zeggen dat de drie volgens eiser relevante en essentiële feiten, genoemd onder punt 3
van de door eiser tijdens de zitting overlegde zittingsaantekeningen, in de feitenvaststelling (en dus niet als beleving van eiser) van de uitspaak van de rechtbank worden opgenomen.
Nu eiser al op 2 november jl. en 31 januari jl. melding had gemaakt van deze eis, had de rechtbank zich hierop kunnen voorbereiden en mocht de rechtbank zich volgens eiser niet verschuilen achter het standpunt dat hierover op dit moment geen uitspraak kon worden gedaan en dat de rechtbank hierover na moest denken. Gelet hierop wordt de zaak niet verder inhoudelijk op deze zitting behandeld. Eiser heeft aangekondigd zelf nog een wrakingsverzoek aan de rechtbank te sturen.”
In het op 13 februari 2026 door verzoekers gestuurde wrakingsverzoek staat, voor zover van belang, het volgende:
“2. Zoals eveneens ter zitting aangegeven worden we gedwongen de rechter te wraken als deze niet wil toezeggen dat de drie door ons essentieel en relevant geachte feiten volledig naar waarheid zullen worden vermeld in het openbaar gemotiveerde vonnis.
3. 3. Wij gaven de rechter ruim de tijd om zich voor te bereiden door deze eis al op 3 november 2025, ruim drie maanden geleden kenbaar te maken. We hebben 31 januari 2026 nogmaals gewezen op het belang van deze eis en een toelichting gestuurd (bijlage 14) waarin we uitleggen waarom het hier niet om onze beleving, frustratie, fantasie, gevoel, zwakzinnigheid of mening gaat, maar om een uiterst opmerkelijke en daarmee relevante feitelijke grondslag voor onze rechtsvraag. We hebben nogmaals gemotiveerd waarom deze feiten essentieel en relevant zijn.
(…)
7. Ik wil benadrukken dat ik tijdens de mondelinge behandeling nergens de beleving kreeg dat deze rechter partijdig was. Sterker nog, ik had het gevoel dat ik gehoord werd. Ik merkte dat de rechter de stukken kende en zij stelde beide procespartijen, ook de AP, kritische vragen. Ik zou haar voor mijn gevoel bij wijze van spreken mijn pincode geven, maar mijn vertrouwen in Haagse rechters is in de loop van dertien jaar zo beschadigd. Ik ga alleen uit van feiten.
8. (…). Dus hebben we aan mr. Timmer uitgelegd dat ons niets anders rest dan deze eis vooraf stellen en iedere rechter te wraken die de feiten partijdig buiten beeld wil werken.
9. Helaas bleef de rechter weigeren en wilde deze drie feiten opnieuw buiten beeld kunnen werken als ze wilde. Na het sluiten van het onderzoek kunnen wij ons echter niet meer verdedigen tegen zulke partijdige Haagse rechtspraak waarin loyaliteit naar de bewoners van het Haagse Paleis van Justitie boven de integriteit van onze rechtspraak staat. Dus moeten we wraken.
10. De weigering van mr. Schipper levert de objectieve vrees dat wij opnieuw onderuit gehaald worden als gestoorde querulanten die zestien jaar druk zouden zijn met een scheiding waarvan de Staat slachtoffer zou zijn (het vaste narratief). We moeten vrezen dat mr. Timmer uiteindelijk toch loyaal zal zijn aan de druk van collega’s en mee zal werken aan het jarenlang verzwijgen en spindoctoren van de gevoelige politieke en bestuurlijke belangen.
11. Voor een wrakingsverzoek hoeven wij niet te bewijzen dat zij dit partijdige gedrag zal voortzetten, maar slechts dat zij de schijn heeft gewekt dat ze dat zal kunnen gaan doen. Niet is in te zien dat drie maanden voorbereidingstijd onvoldoende was om na te denken over onze eis en ermee in te stemmen domweg omdat de waarheidsplicht essentieel is voor onpartijdige en integere rechtspraak.”
2. De beoordeling
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn omdat hij of zij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid.
In het schriftelijke wrakingsverzoek staat dat verzoeker 1 tijdens de mondelinge behandeling nergens de beleving heeft gekregen dat de rechter partijdig was en verder dat hij het gevoel had dat hij gehoord werd. Verzoekers hebben de rechter - zo volgt uit het proces-verbaal en het schriftelijke wrakingsverzoek - enkel gewraakt omdat zij vooraf weigerde toe te zeggen dat de drie door verzoekers genoemde feiten in de uitspraak van de rechter zouden worden opgenomen.
De wrakingskamer overweegt dat uit de weigering door de rechter toe te zeggen dat de drie door verzoekers genoemde feiten in de uitspraak zouden worden opgenomen, niet kan worden afgeleid dat de rechter vooringenomen is en evenmin dat de vrees voor vooringenomenheid objectief gerechtvaardigd is.
Uit hetgeen door verzoekers aan het wrakingsverzoek ten grondslag is gelegd, kan naar het oordeel van de wrakingskamer niet anders geconcludeerd worden dan dat verzoekers de rechter met geen ander doel hebben gewraakt dan om te bewerkstelligen dat tegemoet wordt gekomen aan een door hen gestelde eis met betrekking tot de inhoud van de uitspraak van de rechter. Hiervoor is de wrakingsprocedure niet bedoeld. De wrakingskamer is dan ook van oordeel dat het verzoek tot wraking kennelijk ongegrond is en zal het verzoek daarom afwijzen.
Uit het schriftelijke wrakingsverzoek (punt 8) volgt verder dat verzoekers niets anders rest dan iedere rechter te wraken die de feiten partijdig buiten beeld wil werken. Naar het oordeel van de wrakingskamer gebruiken verzoekers op deze wijze het middel van wraking voor een ander doel dan waarvoor het is gegeven of met geen ander doel dan de voortgang van de procedure te frustreren. Daarmee is sprake van misbruik. De wrakingskamer zal daarom bepalen dat een volgend verzoek tot wraking in deze zaak niet meer in behandeling zal worden genomen.
Voor een behandeling van het wrakingsverzoek ter terechtzitting bestaat geen reden. Het in de wet opgenomen recht op een mondelinge behandeling is door de wetgever bedoeld voor het debat over de gegrondheid van het verzoek, maar aan dat debat wordt gezien het vorenstaande niet toegekomen.
3. De beslissing
De wrakingskamer
wijst het verzoek tot wraking af;
bepaalt dat het proces in de hoofdzaak wordt voortgezet in de stand waarin het zich bevond ten tijde van het indienen van het wrakingsverzoek;
bepaalt dat een volgend wrakingsverzoek in deze zaak niet in behandeling zal worden genomen;
beveelt dat (een afschrift van) deze beslissing met inachtneming van het bepaalde bij artikel 8:18, derde lid, van de Algemene wet bestuursrecht wordt toegezonden aan:
• de verzoekers;
• de wederpartij in de hoofdzaak;
• de rechter.
Deze beslissing is gegeven door mrs. S.M. Krans, E.E. Schotte en A.M. Boogers, in tegenwoordigheid van de griffier mr. M.L. van Nooijen-Kühler en in het openbaar uitgesproken op 5 maart 2026.
de griffier de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.