ECLI:NL:RBDHA:2026:4506

ECLI:NL:RBDHA:2026:4506

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 05-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer NL25.39350
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Middelburg

Samenvatting

Visum kort verblijf – Iran – beroep ongegrond

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiseres] , eiseres,

de minister van Buitenlandse Zaken, verweerder,

Zittingsplaats Middelburg

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.39350

V-nummer: [V-nummer 1] ,

mede namens haar minderjarige zoon [eiser], eiser,

V-nummer: [V-nummer 2] ,

hierna gezamenlijk te noemen: eisers,

(gemachtigde: mr. R.C. van den Berg),

en

(gemachtigde: mr. S.P.J. Hendriks).

Procesverloop

Bij besluit van (het primaire besluit) heeft verweerder de aanvraag van eisers tot verlenen van een visum voor kort verblijf afgewezen.

Bij besluit van 22 juli 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder het daartegen gerichte bezwaar kennelijk ongegrond verklaard.

Eisers hebben tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

De rechtbank heeft het beroep op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Partijen hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigden.

Overwegingen

1. Eisers zijn geboren op respectievelijk [geboortedag 1] 1987 en [geboortedag 2] 2019 en hebben de Iraanse nationaliteit. Op 23 februari 2025 hebben zij verzocht om de afgifte van een visum voor kort verblijf om referente, de gestelde zus en tante, van eisers te kunnen bezoeken.

2. Verweerder heeft de aanvraag bij het primaire besluit afgewezen omdat het doel en de omstandigheden van het voorgenomen verblijf onvoldoende zijn aangetoond. Bovendien is er volgens verweerder redelijke twijfel over het voornemen van eisers om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Deze afwijzing is bij het bestreden besluit gehandhaafd. Verweerder heeft daarbij overwogen dat sprake van geringe sociale en economische binding met Iran. Dit maakt dat niet aannemelijk is gemaakt dat eisers tijdig zullen terugkeren naar Iran. Omdat dit al voldoende is om een visum te weigeren, zijn de gronden van bezwaar over het onvoldoende aantonen van het doel en de omstandigheden van het verblijf niet beoordeeld in het bestreden besluit.

3. Eisers stellen in beroep dat het feitelijk onjuist is dat er geen economische binding en geringe sociale binding met Iran is. Eisers hebben immers met stukken aannemelijk gemaakt dat hun echtgenoot en vader, tevens kostwinner, in Iran achterblijft. Dat er geen vertrouwen is dat eisers tijdig terugkeren, vindt geen steun in de stukken en antwoorden op de vragenlijst. Verder wijzen eisers op de hoorplicht in bezwaar. Zij hebben het recht en er belang bij om uiteen te zetten dat zij geen enkele intentie hebben om in Nederland te blijven. Tijdens een hoorzitting kon referente de stukken toelichten en meer over hun leven vertellen.

De rechtbank oordeelt als volgt.

Beoordelingskader

4. Uit artikel 32, eerste lid, aanhef en onder b, van de Visumcode blijkt dat verweerder verplicht is een visum te weigeren indien redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de vreemdeling om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum. Het hoeft dus niet zeker te zijn dat iemand zich voor langere tijd in Nederland wil vestigen; bij redelijke twijfel hierover moet verweerder het visum al afwijzen.

5. Bij de beoordeling of er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van de aanvrager om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum komt verweerder een ruime beoordelingsruimte toe. Dat staat onder andere in het arrest van het Hof in de zaak [naam] . Bij die beoordeling laat verweerder zich mede leiden door de intensiteit van de sociale en economische binding van een vreemdeling met zijn land van herkomst. Als naar gelang de sociale dan wel economische binding geringer of juist sterker is, zal ook de twijfel over het voornemen van de vreemdeling om tijdig terug te keren toe- of afnemen.

Sociale en economische binding

6. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat niet is gebleken van een zodanige sociale binding met Iran dat een tijdige terugkeer voldoende is gewaarborgd. De echtgenoot van eiseres kan zich op een later tijdstip bij hen voegen, als eiseres uiteindelijk niet tijdig terug zou keren naar Iran. Ook is niet gebleken dat zij andere familieleden in Iran heeft waar zij zorg voor draagt, haar minderjarige kind reist immers met haar mee. Verweerder heeft ook kunnen meewegen dat niet is gebleken van (andere) zwaarwegende maatschappelijke verplichtingen die eiseres dwingen om tijdig naar Iran terug te keren.

7. Ook heeft eiseres haar economische binding met Iran niet alsnog onderbouwd. Van belang is dat eiseres aantoont dat zij economische redenen heeft om terug te keren naar Iran. Niet in geschil is dat eiseres zelf niet werkzaam is in Iran en dus niet beschikt over een stabiel en regelmatig inkomen om zelfstandig in haar onderhoud te voorzien. Verder is nog altijd niet aannemelijk gemaakt dat haar echtgenoot economisch actief is. Er is enkel een inschrijving van zijn bedrijf uit het Iraanse handelsregister overgelegd. Dit betreft slechts een administratieve inschrijving en kan derhalve geen reële bedrijfsactiviteiten aantonen.

Uit de door eiseres overgelegde bankafschriften blijkt niet waar de stortingen op de rekening vandaan komen. Er zijn geen aanwijzingen dat deze stortingen het gevolg zijn van inkomsten gegenereerd uit werk. Eiseres heeft bij de visumaanvraag een huurcontract van een huis overgelegd, dat op naam staat van zowel eiseres als haar echtgenoot, en een eigendom akte van een auto. Verweerder heeft daartoe terecht overwogen dat het bezit van onroerend goed geen garantie biedt voor een tijdige terugkeer. Onroerende zaken kunnen vanuit het buitenland worden beheerd, verhuurd en verkocht. De enkele omstandigheid dat sprake is van bezit van een onroerende zaak is dan ook onvoldoende om van voldoende economische binding te spreken. Verweerder heeft op basis van het voorgaande in redelijkheid kunnen overwegen dat eiseres haar economische binding met Iran onvoldoende heeft aangetoond.

8. Vanwege de onvoldoende gebleken sociale en economische binding met Iran heeft verweerder kunnen concluderen dat er redelijke twijfel bestaat over het voornemen van eiseres om het grondgebied van de lidstaten te verlaten vóór het verstrijken van de geldigheid van het aangevraagde visum.

9. Ter zitting is namens eiseres gesteld dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat, omdat pas in het verweerschrift is overwogen dat de beoordeling van de sociale binding van eiseres met Iran ook van toepassing is op eiser. Eiseres wordt niet gevolgd in deze stelling. In het bestreden besluit is opgenomen dat voor wat betreft de zoon van de eiseres wordt opgemerkt dat hij 5 jaar oud is. Gelet op zijn jonge leeftijd wordt daarom overwogen dat de beoordeling van de sociale binding van eiseres ook van toepassing is op haar zoon. De overweging het verweerschrift dient dan ook als verduidelijking van dit standpunt. Het bestreden besluit bevat daarom geen motiveringsgebrek.

Hoorplicht

10. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onder de gegeven omstandigheden heeft kunnen concluderen dat het bezwaar kennelijk ongegrond is. Op grond van wat namens eiseres in bezwaar is aangevoerd over de sociale en economische binding van eiseres met Iran en de daaruit af te leiden twijfel over haar tijdige terugkeer, was onverkort duidelijk dat het bezwaar niet kon leiden tot een andere uitkomst dan die van het primaire besluit. Dit is in lijn met de uitspraak van de Afdeling van 6 juli 2022. Namens eiseres is tot slot ook ter zitting niet uitgelegd wat zij tijdens een hoorzitting naar voren had willen brengen wat volgens eiseres tot een ander oordeel had kunnen leiden.

Conclusie

11 Het beroep is ongegrond.

12. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. J. de Winter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.

De uitspraak is bekendgemaakt op:

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. E.J. Govaers

Griffier

  • mr. J. de Winter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?