RECHTBANK DEN HAAG
Tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser],
Zittingsplaats Roermond
Bestuursrecht
zaaknummer: NL23.33181 T
geboren op [geboortedatum] 1983, Oezbeekse nationaliteit,
V-nummer: [V-nummer],
eiser,
(gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets),
en
de Minister van Asiel en Migratie, voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
verweerder,
(gemachtigden: mr. S.H.F. Pols en mr. S.H.J. Muijlkens).
Procesverloop
Eiser heeft op 15 februari 2022 een zevende aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2023 deze aanvraag in de verlengde procedure niet-ontvankelijk verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit en een verzoek om een voorlopige voorziening ingediend (NL23.33182).
De rechtbank heeft het beroep op 17 oktober 2025 gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening op zitting behandeld (NL23.33182). Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen, vergezeld van de heer [Naam] namens een groep bij eiser betrokken burgers. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft, na dit te bespreken en in overleg met partijen, het onderzoek ter zitting geschorst zodat verweerder de stukken van de eerste drie procedures die eiser heeft gevoerd aan het dossier kan toevoegen en deze stukken kunnen worden bestudeerd door gemachtigde van eiser en door de rechtbank.
Verweerder heeft op 24 oktober 2025, op 4 november 2025, op 11 december 2025 en op 29 december 2025 schriftelijk gereageerd en heeft het dossier aangevuld met stukken van de eerste drie procedures die eiser heeft gevoerd.
Eiser heeft op 6 januari 2026, op 1 februari 2026 en op 11 februari 2026 schriftelijk gereageerd op deze stukken.
Verweerder heeft op 9 februari 2026 schriftelijk gereageerd.
De rechtbank heeft de behandeling van het beroep ter zitting voortgezet op 17 februari 2026. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. De heer [Naam] is wederom verschenen. Tevens zijn verschenen de moeder van eiser en getuige de heer [voormalig huisarts], als voormalig huisarts van eiser. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser heeft de Oezbeekse nationaliteit. Hij heeft op 13 oktober 2003 zijn eerste asielaanvraag ingediend en deze aanvraag is bij beschikking van 17 oktober 2003 afgewezen. Vervolgens heeft eiser op 28 april 2006 een aanvraag ingediend voor een machtiging voorlopig verblijf zonder nareis. Deze aanvraag is afgewezen bij beschikking van 7 augustus 2006. Hierna heeft eiser op 14 mei 2008, 17 februari 2009, 4 december 2013, 3 december 2015 en op 28 augustus 2018 opnieuw een asielaanvraag ingediend. Deze aanvragen hebben niet tot vergunningverlening geleid maar zijn afgewezen dan wel niet-ontvankelijk verklaard. De afwijzende beschikking van 12 december 2013 (op de aanvraag van 4 december 2013) omvat een terugkeerbesluit dat gepaard gaat met een inreisverbod. Alle afwijzende beschikkingen staan in rechte vast. Eiser heeft op 15 februari 2022 zijn zevende opvolgende asielaanvraag ingediend en deze aanvraag is bij besluit van 13 oktober 2023 niet-ontvankelijk verklaard. In de onderhavige procedure beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van dit besluit van 13 oktober 2023.
2. Eiser heeft wederom asiel aangevraagd omdat hij van mening is dat er op grond van het arrest LH van het Hof van Justitie van 10 juni 2021 (ECLI:EU:C:2021:478) en de uitspraak van de Afdeling van 26 januari 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:208) aanleiding bestaat om de door eiser eerder overgelegde documenten te beschouwen als nova en inhoudelijk te beoordelen en te betrekken bij de huidige asielaanvraag. Eiser stelt zich op het standpunt dat eerdere aanvragen niet-ontvankelijk zijn verklaard zonder de nieuw ingebrachte documenten te onderzoeken en te beoordelen, hetgeen in strijd is met het Unierecht, met name met artikel 4, eerste lid, van richtlijn 2011/95. Volgens eiser kan het feit dat een document niet is geauthentiseerd er niet toe leiden dat dit verzoek onmiddellijk niet-ontvankelijk wordt verklaard, zonder dat wordt onderzocht of dit document een novum vormt, hetgeen in de verschillende asielprocedures van eiser wel keer op keer het geval is geweest.
3. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat eiser bij zijn huidige, zevende asielaanvraag geen nieuwe documenten heeft overgelegd, maar enkel heeft verwezen naar alle documenten die hij tijdens de voorgaande zes asielaanvragen heeft ingediend. Hoewel eiser de gelegenheid heeft gehad om zijn zevende asielaanvraag tijdens een gehoor opvolgende aanvraag toe te lichten, heeft hij geen vragen willen beantwoorden over de bij eerder procedures overgelegde documenten omdat hij dit allemaal al had verteld tijdens eerdere procedures. Verweerder stelt zich in het bestreden besluit op het standpunt dat de in eerdere procedures overgelegde documenten niet kunnen worden beschouwd als nieuwe elementen en bevindingen die relevant zijn voor de beoordeling van de asielaanvraag. Verweerder heeft de zevende asielaanvraag van eiser daarom niet-ontvankelijk verklaard.
4. Eiser stelt zich in beroep op het standpunt dat verweerder ten onrechte niet is ingegaan op alle documenten die in de eerdere procedures zijn overgelegd. Daarmee heeft geen zorgvuldig onderzoek dan wel een deugdelijke samenwerking in de zin van het LH-arrest plaatsgevonden. Diverse documenten zijn niet inhoudelijk getoetst, zoals bijvoorbeeld de verklaring van zijn oom en de brief van advocaat Rastorgoejov. Eiser stelt verder dat alle bewijzen, die verweerder enkel en alleen niet heeft laten meewegen omdat op basis van het ontbreken van referentiemateriaal geen sprake was van een novum was in de zin van artikel 4:6 Awb, hadden dienen te gelden als indicatief bewijs. Uit het LH-arrest blijkt dat verweerder geen onderscheid mag maken tussen de wijze van beoordeling van documenten bij een opvolgende aanvraag of een eerste aanvraag. Volgens eiser is niet gebleken dat de documenten zijn gewogen in samenhang met het asielrelaas van eiser. Eiser voert voorts aan dat de documenten waarnaar in het overzicht bij de correcties en aanvullingen is verwezen, ten onrechte niet op hun merites zijn beoordeeld. Er is louter gekeken of sprake is van authentieke documenten en op basis van het niet authentiek vinden van deze documenten zijn deze buiten beschouwing gelaten. Met nieuwere documenten (zoals de brief van advocaat Rastorgoejov) is onderbouwd waarom deze documenten wel als echt moeten worden beschouwd. Volgens eiser blijkt dat, als de inhoud van de documenten gevolgd wordt, de nieuwe elementen en bevindingen die eerder niet inhoudelijk door verweerder werden bekeken, de kans op internationale bescherming voor eiser aanzienlijk groter maken. Uit deze documenten blijkt immers dat eiser gezocht wordt vanwege ‘trumped up charges’ en dat hij in zijn land van herkomst een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM te wachten staat. Bovendien heeft eiser zonder geldig uitreisvisum zijn land verlaten. Ook om die reden loopt hij een reëel risico in de zin van artikel 3 EVRM. Verder voert eiser aan dat hem ten onrechte een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. Hij woont in Nederland bij zijn moeder en heeft met haar gezinsleven in de zin van artikel 8 EVRM.
5. In de aanvullende gronden van beroep van 6 januari 2026 voert eiser aan dat in de eerste procedure in 2003 geen inhoudelijke beoordeling van de documenten, zoals de oproep en diverse medische verklaringen, heeft plaatsgevonden en verweerder daarom deze documenten in de huidige procedure als nieuwe elementen had moeten aanmerken en aan een inhoudelijke toets moeten onderwerpen. Ook in de tweede procedure in 2008 heeft verweerder de in die procedure overgelegde documenten niet beoordeeld in de zin zoals het LH-arrest dat vereist. Twijfel aan authenticiteit, formele gebreken (zoals het ontbreken van een vertaling) of de stelling dat een onderwerp eerder aan de orde had kunnen worden gesteld, ontslaat verweerder niet van de verplichting om, zodra het document wel is overgelegd, de inhoud ervan op een serieuze en individuele wijze te onderzoeken. Nu dit niet is gebeurd, had verweerder deze documenten als nieuwe elementen moeten aanmerken en inhoudelijk moeten beoordelen. In de derde procedure in 2009 heeft verweerder geen inhoudelijke beoordeling verricht in de zin van het LH-arrest. Verweerder heeft in 2009 geen enkele inhoudelijke toets verricht van de vraag of de overgelegde documenten, indien zij veronderstellenderwijs voor juist zouden worden gehouden, zouden kunnen bijdragen aan het aannemelijk maken van een risico op vervolging dan wel een behandeling in strijd met artikel 3 EVRM. De beoordeling bleef beperkt tot een technische authenticiteitstoets en een geloofwaardigheidsoordeel, waarbij de bewijswaarde van de documenten op voorhand werd uitgesloten.
6. In de aanvullende gronden van beroep van 1 februari 2026 heeft eiser aangevoerd dat het rijbewijs niet vals is en dat het paspoort pas bij de tweede aanvraag is overgelegd omdat de reisagent dit heeft achtergehouden en later naar de oom van eiser heeft teruggezonden. Het was niet mogelijk om dit paspoort tijdens de eerste procedure te overleggen. Verder voert eiser aan dat hij bij de gehoren niet goed in staat was om te antwoorden omdat hij heel angstig is geweest en psychisch verkrampt vanwege zijn ervaringen met ondervragingen in Oezbekistan, waarbij hij werd mishandeld en gemarteld.
7. De rechtbank zal een tussenuitspraak doen en motiveert dit als volgt
8. Eiser heeft zesmaal eerder een asielaanvraag ingediend. Al deze procedures, alsmede de onderhavige zevende asielprocedure, zijn gebaseerd op hetzelfde asielmotief. Eiser heeft aan zijn zevende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat het Hof op 10 juni 2021 het arrest LH heeft gewezen en dat uit dit arrest blijkt dat in de voorgaande procedures onvoldoende deugdelijk is onderzocht of de overgelegde documenten het asielrelaas zodanig onderbouwen dat dit geloofwaardig moet worden geacht. Eiser heeft om zijn zevende asielaanvraag te onderbouwen geen nieuwe documenten of andere nieuwe bewijsmiddelen overgelegd, maar heeft verwezen naar 51 documenten die hij in de voorgaande zes asielprocedures heeft ingebracht en zoals benoemd in bijlage 3 bij de Aanvraag Tweede of volgende asielaanvraag van 15 februari 2022. Verweerder heeft de documenten 1 tot en met 3 in de eerste asielprocedure beoordeeld in de eerste asielprocedure, de documenten 4 en 5 in de tweede asielprocedure, de documenten 6 tot en met 14 in de derde asielprocedure, de documenten 15 tot en met 35 in de vierde asielprocedure, de documenten 36 en 37 in de vijfde asielprocedure en de documenten 38 tot en met 51 in de zesde asielprocedure.
9. Het Hof heeft in het arrest van 8 februari 2024 in de zaak A.A. tegen Bundesrepublik Deutschland (C-216/22, ECLI:EU:C:2024:122) onder meer het navolgende voor recht verklaard:
(…)
1) Artikel 33, lid 2, onder d), en artikel 40, leden 2 en 3, van richtlijn 2013/32/EU van het
Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke
procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming,
moeten aldus worden uitgelegd dat elk arrest van het Hof, daaronder begrepen een arrest waarin enkel een bepaling van het Unierecht wordt uitgelegd die reeds van kracht was op het tijdstip waarop op een vorig verzoek werd beslist, een nieuw element vormt in de zin van deze bepalingen, ongeacht het tijdstip waarop het arrest is gewezen, indien het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet.
(…)
10. Het Hof heeft in het arrest van 10 juni 2021 in de zaak L.H. tegen Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid (C‑921/19, ECLI:EU:C:2021:478) het navolgende voor recht verklaard:
(…)
1) Artikel 40, lid 2, van richtlijn 2013/32/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende gemeenschappelijke procedures voor de toekenning en intrekking van de internationale bescherming, gelezen in samenhang met artikel 4, lid 2, van richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming, moet aldus worden uitgelegd dat het in de weg staat aan nationale wetgeving volgens welke elk document dat door een persoon die om internationale bescherming verzoekt ter staving van een volgend verzoek is overgelegd, automatisch wordt beschouwd als een document dat geen „nieuw element of nieuwe bevinding” in de zin van deze bepaling is, wanneer de authenticiteit van dit document niet kan worden vastgesteld of de bron van een dergelijk document niet objectief verifieerbaar is.
2) Artikel 40 van richtlijn 2013/32, gelezen in samenhang met artikel 4, leden 1 en 2, van richtlijn 2011/95, moet aldus worden uitgelegd dat, ten eerste, de beoordeling van de bewijzen die worden overgelegd ter staving van een verzoek om internationale bescherming niet verschillend mag zijn naargelang het gaat om een eerste verzoek of een volgend verzoek en, ten tweede, een lidstaat gehouden is samen te werken met een verzoeker bij de beoordeling van de relevante elementen van diens volgende verzoek als de verzoeker ter staving van dat verzoek documenten overlegt waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld.
11. De rechtbank overweegt dat het Hof in het arrest LH heeft verduidelijkt dat documenten die een opvolgende aanvraag staven maar waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is, niet zonder deze documenten te beoordelen terzijde mogen worden gelegd. Het Hof heeft tevens uitgelegd dat -kort gezegd- de beoordeling van bewijsmiddelen en de samenwerkingsplicht van verweerder in opvolgende procedures niet minder of anders kan zijn dan in een eerste asielprocedure. Eiser heeft nauwgezet uiteengezet op welke wijze de documenten in de eerste zes procedures zijn beoordeeld. Hieruit blijkt genoegzaam dat in de eerste vijf opvolgende procedures verweerder de documenten niet heeft beoordeeld op de wijze zoals dit dient geschieden volgens het Hof en daarmee ook onvoldoende invulling heeft gegeven aan zijn plicht om samen te werken met eiser om te onderzoeken of eiser in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank wijst er op dat het arrest LH is gewezen na de afronding van de eerste zes procedures, maar dat het Hof reeds bestaand Unierecht verduidelijkt en uit dit Unierecht onder meer de vereisten volgen voor de wijze waarop verzoeken om internationale bescherming moeten worden onderzocht en deze vereisten dus ook in de eerdere procedures aan de besluitvorming moeten worden gesteld.
12. Het arrest LH vormt gelet op het bovenstaande een nieuw element in de zin van het arrest van 8 februari 2024 in de zaak A.A. omdat van meerdere documenten niet of niet voldoende is onderzocht of deze steunbewijs opleveren voor de verklaringen die eiser heeft afgelegd om zijn beschermingsbehoefte aannemelijk te maken. Weliswaar heeft het Hof in beide bovengenoemde arresten overwogen dat de bewijsmiddelen die een opvolgende aanvraag staven inhoudelijk moeten worden beoordeeld “indien het de kans aanzienlijk groter maakt dat de verzoeker in aanmerking komt voor erkenning als persoon die internationale bescherming geniet”. Uit de verduidelijking van het Unierecht in het arrest LH blijkt naar het oordeel van de rechtbank echter dat het niet-ontvankelijk kunnen verklaren van een opvolgende aanvraag is ingegeven door het niet onnodig overdoen van een procedure indien er geen andere bewijsmiddelen zijn om de beschermingsbehoefte aannemelijk te maken. Het niet-ontvankelijk verklaren van een opvolgende aanvraag is een uitzondering op het uitgangspunt dat een verzoek om internationale bescherming inhoudelijk moet worden onderzocht en inhoudelijk moet worden beoordeeld. De rechtbank leidt dus uit het arrest LH een ‘lage drempel’ af om een opvolgende asielaanvraag inhoudelijk te moeten behandelen. Indien zonder de nieuw aangedragen feiten en omstandigheden inhoudelijk te beoordelen aanstonds duidelijk is dat een inhoudelijke beoordeling niet tot het verlenen van internationale bescherming zal leiden, is er een bevoegdheid om een verdere inhoudelijke beoordeling achterwege te laten en de opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk te verklaren.
13. Aangezien verweerder in de eerste vijf opvolgende procedures een onjuist toetsingskader voor opvolgende aanvragen heeft gehanteerd, heeft verweerder de in die procedures overgelegde documenten waarvan de authenticiteit niet kon worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar was, onvoldoende deugdelijk betrokken in de besluitvorming. Verweerder heeft in de beroepsfase alsnog alle in de zes procedures overgelegde documenten benoemd en beoordeeld. Doordat verweerder een standpunt heeft ingenomen over elk document, is verweerder in wezen overgegaan tot een inhoudelijke beoordeling van de zevende asielaanvraag van eiser en heeft verweerder de afdoeningsmodaliteit ‘niet-ontvankelijk verklaring’ als het ware prijsgegeven. In die zin slaagt het beroep dan ook omdat eiser zich primair op het standpunt heeft gesteld dat het arrest LH meebrengt dat de aanvraag alsmede alle eerder overgelegde documenten inhoudelijk beoordeeld moeten worden door verweerder. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat ook het standpunt van eiser dat alle overgelegde documenten in onderlinge samenhang moeten worden beoordeeld slaagt.
14. De rechtbank overweegt dat indien een opvolgende aanvraag inhoudelijk wordt beoordeeld, dit meebrengt dat verweerder alle overgelegde documenten en overige bewijsmiddelen integraal en in onderlinge samenhang moet beoordelen om de beschermingsbehoefte te onderzoeken. Dat eerdere besluiten zijn gecontroleerd door de rechter en in rechte vaststaan betekent niet dat de onderliggende feiten en omstandigheden ook vaststaan. Indien alle bewijsmiddelen moeten worden beoordeeld op de wijze die het Hof uiteen heeft gezet in het arrest LH, kan dit een ander licht werpen op eerder aangenomen feiten en omstandigheden. De zogenoemde schotten tussen alle eerdere procedures vallen dan ook weg en verweerder zal alle bewijsmiddelen moeten beoordelen als ware deze overgelegd in één procedure. De rechtbank stelt vast dat verweerder weliswaar van elk document “iets heeft gevonden”, maar dat een integrale beoordeling van alle documenten in onderlinge samenhang niet heeft plaatsgevonden. Verweerder zal dit dus alsnog moeten doen om de zevende asielaanvraag van eiser zorgvuldig en grondig te onderzoeken en zijn besluit op deze aanvraag aanvullend te motiveren.
15. De rechtbank overweegt, zoals ook met partijen ter zitting besproken, dat de rechtbank het ‘gehoor opvolgende aanvraag’ anders interpreteert dan verweerder. Verweerder heeft eiser in de gelegenheid gesteld om toe te lichten hoe hij de in de zes eerdere procedures overgelegde documenten heeft verkregen. De rechtbank overweegt dat verweerder eiser terecht deze gelegenheid heeft geboden omdat de wijze van verkrijgen een indicatie kan zijn voor de bewijswaarde van documenten waarvan de authenticiteit niet kan worden vastgesteld of waarvan de bron niet objectief verifieerbaar is. Verweerder heeft door het horen dus invulling gegeven aan zijn samenwerkingsplicht en heeft door het horen nader onderzoek gedaan naar de beschermingsbehoefte van eiser. Eiser heeft in dit gehoor opvolgende aanvraag dat op 15 februari 2022 heeft plaatsgevonden een aantal keer aangegeven geen verklaringen meer af te willen leggen. Verweerder heeft eiser dit tegengeworpen en dit bij de beoordeling van de aanvraag betrokken. De rechtbank overweegt dat deze tegenwerping nader gemotiveerd zal moeten worden. Eiser heeft uitgelegd dat hij een aantal feiten en omstandigheden niet meer kan herinneren en eiser heeft uitgelegd dat hij weet dat er ‘een nieuwe uitspraak is die het mogelijk maakt dat documenten opnieuw kunnen worden beoordeeld’, maar dat hij die uitspraak niet helemaal heeft kunnen begrijpen. De rechtbank overweegt dat aan eiser niet kan worden tegengeworpen dat hij weliswaar een arrest van het Hof aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag legt, maar daarvan de juridische merites niet onderkent. De hoormedewerker heeft ook de inhoud van het FMMU-verslag van 8 mei 2019 over de medische en psychische klachten van eiser besproken en heeft eiser gevraagd hoe het met hem gaat. Eiser heeft bij aanvang van het gehoor opvolgende aanvraag aangegeven dat hij bang is, angst heeft en erge spanning heeft en daarom kalmeringsmiddelen heeft ingenomen op de dag van het gehoor maar dat het niet minder wordt. Eiser heeft verklaard goed te hebben geslapen omdat hij ‘uitgeschakeld was’ door de kalmeringsmiddelen. De rechtbank heeft ter zitting uitgesproken dat uit het verslag van het gehoor opvolgende aanvraag niet de indruk ontstaat dat eiser een niet meewerkende houding heeft aangenomen. Veeleer lijkt het er op dat eiser niet in staat is geweest om méér te verklaren of meer toe te lichten over de eerder overgelegde documenten en over het standpunt dat het arrest LH moet worden gekwalificeerd als een nieuw element of bevinding. Verweerder heeft -kennelijk- geen aanleiding gezien om een actueel advies aan FMMU te vragen. Eiser heeft weliswaar niet als beroepsgrond aangevoerd dat het gehoor onzorgvuldig is verlopen. De rechtbank overweegt echter dat er geen enkele indicatie bestaat dat eiser geen oprechte inspanning heeft verricht om zijn zevende aanvraag in het gehoor toe te lichten en met zijn verklaringen te onderbouwen. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat het FMMU-advies uitsluitend vermeldt of er beperkingen zijn bij het horen maar geen advies behelst hoe met de geconstateerde en vermelde beperkingen vervolgens bij de beoordeling van de afgelegde verklaringen rekening moet worden gehouden. Het met inachtneming van de beperkingen horen heft deze beperkingen niet op, zodat verweerder kenbaar moet motiveren of de beperkingen van invloed zijn geweest op de waardering van de afgelegde verklaringen en de vereisten die verweerder hieraan stelt.
16. Gelet op het bovenstaande zal verweerder alle overgelegde documenten en bewijsmiddelen integraal en in onderlinge samenhang moeten onderzoeken en dan opnieuw moeten beoordelen of eiser in aanmerking moet worden gebracht voor internationale bescherming. De rechtbank zal verweerder opdragen om het besluit van 13 oktober 2023 aanvullend te motiveren en doet een tussenuitspraak om regie te voeren op de verdere voortgang van de procedure.
17. De rechtbank overweegt voorts dat de rechtbank tijdens het eerste onderzoek ter zitting dat heeft plaatsgevonden op 17 oktober 2025 de vraag heeft opgeworpen of deze procedure zich leent voor een bespreking in het maatwerkoverleg van verweerder. Eiser verblijft geruime tijd in Nederland en kampt met medische en psychische problematiek. Dhr. [Naam] heeft tijdens deze zitting namens een groep betrokken burgers uiteengezet dat de situatie van eiser schrijnend is en dat deze burgers eiser bijstaan in het dagelijkse leven en een brief naar verweerder hebben geschreven om aandacht te vragen voor de situatie van eiser en te pleiten voor een verblijfsvergunning. Verweerder heeft na het eerste onderzoek ter zitting deze procedure in het maatwerkoverleg besproken en op grond van die -inhoudelijke- bespreking is geen beslissing genomen om eiser een verblijfsvergunning op humanitaire gronden te verlenen. De rechtbank waardeert de beslissing van verweerder om de situatie van eiser in het maatwerkoverleg te bespreken. De rechtbank begrijpt evenwel niet dat dit maatwerkoverleg heeft plaatsgevonden op grond van uitsluitend het inmiddels zeer omvangrijke dossier. Of de situatie van eiser schrijnend is kan, zo meent de rechtbank, grondiger worden beoordeeld door te spreken met de mensen die jarenlang in de nabijheid van eiser verblijven en hem ondersteunen en ook om een dergelijk gesprek hebben verzocht. Verweerder is vanzelfsprekend bevoegd om dit ‘extra en onverplichte overleg’ in te richten op de door hem zelf gekozen wijze. Verweerder ontneemt zich echter de kans om de situatie van eiser vanuit meerdere perspectieven te benaderen door enkel naar de reeds gevoerde procedures en de daarin vervatte informatie te kijken. Dhr. [Naam] is ook verschenen bij de voortzetting van het onderzoek ter zitting op 17 februari 2026 en heeft de situatie van eiser nogmaals toegelicht en daarbij ook aangegeven dat het netwerk van burgers dat omziet naar eiser, eiser ook kan en zal blijven ondersteunen en bijvoorbeeld ook aan werk kan helpen. Uit de verklaringen die eiser ter zitting heeft afgelegd en zoals die ook uit het dossier blijken, volgt dat eiser zijn gevoel voor eigenwaarde voornamelijk baseert op het kunnen werken en het bijdragen aan de samenleving en dat het niet kunnen werken een negatieve invloed op de psychische gesteldheid van eiser heeft. De moeder van eiser heeft ter zitting toegelicht dat eiser helpt bij het verlenen van mantelzorg aan de partner van eiser en dat die hulp noodzakelijk is omdat zij niet zelfstandig kan zorgdragen voor haar partner. Tegelijkertijd zorgt moeder ook voor eiser, hoewel haar zoon in 1983 is geboren. Dhr. [Naam] heeft tevens toegelicht dat het netwerk van eiser zijn situatie dermate schrijnend acht dat zij zich hebben gewend tot de nationale ombudsman en om zijn hulp hebben gevraagd. De rechtbank overweegt dat de toelichting die ter zitting is gegeven door eiser, door dhr. [Naam] en door de moeder van eiser een completer beeld van de situatie van eiser verschaft dan ‘het dossier’. De rechtbank geeft verweerder dan ook mee dat het wellicht zinnig is om te overwegen om in gesprek te gaan met dhr. [Naam] en de groep betrokken burgers of een woordvoerder hiervan om zich zodoende te laten informeren over eiser en vervolgens te beoordelen of tot verblijfsaanvaarding kan worden overgegaan. Het voeren van een dergelijk gesprek schept geen precedent en is informeler dan wanneer de nationale ombudsman een gesprek aangaat op grond van een verzoek of klacht van of namens eiser. De rechtbank overweegt ook dat het voeren van een dergelijk gesprek bijdraagt aan het gezag van een nieuw te nemen beslissing, ook indien verweerder in zijn aanvulling op het besluit tot de conclusie zou komen dat eiser zijn beschermingsbehoefte nog steeds niet aannemelijk heeft weten te maken. Wellicht leidt het voeren van een maatwerkgesprek met eiser en een aantal mensen die hem ondersteunen tot een andere beoordeling van de situatie van eiser en kan daarmee een verdere voortgang van deze toch al langdurige procedure worden voorkomen.
18. De rechtbank overweegt tot slot dat indien verweerder in zijn aanvullende motivering wederom concludeert dat de asielaanvraag wordt afgewezen, de rechtbank de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit als besluitonderdeel van de meeromvattende beschikking zal controleren. Verweerder zal dan moeten motiveren dat de in artikel 5 van richtlijn 2008/115 genoemde belangen en/of het beginsel van non-refoulement niet in de weg staan aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. Vertrekpunt bij deze beoordeling is het eerder vastgestelde terugkeerbesluit en de laatste beslissing die tot gevolg heeft gehad dat de eerder opgelegde terugkeerverplichting is herleefd. De rechtbank moet dit ook uit eigen beweging nagaan en heeft ter zitting aangegeven zich dan wellicht te zullen gaan beraden op het benoemen van een deskundige. Uit het dossier blijkt dat eiser kampt met medische en psychische problematiek, maar ontbreekt informatie over onder meer een diagnose en eerder ingezette behandeltrajecten en de mogelijke noodzaak daarvoor. Dhr. [voormalig huisarts], die de voormalige huisarts van eiser is, heeft schriftelijk zijn bevindingen over eiser kenbaar gemaakt en tevens ter zitting een nadere toelichting over de gezondheidssituatie van eiser gegeven en vragen van de rechtbank hierover beantwoord. Dhr. [voormalig huisarts] heeft onder meer verklaard dat een nadere diagnose niet is gesteld. Vanwege het niet rechtmatige verblijf is eiser afhankelijk van eerstelijns zorg en zal hij niet worden doorverwezen naar tweedelijns zorg. Volgens de voormalig huisarts van eiser ontbreekt het eiser ook aan ziektebesef en inzicht in zijn eigen gezondheid, zodat vanuit eiser geen hulpvraag komt. Dhr. [voormalig huisarts] heeft eiser leren kennen in 2018 en heeft toen antidepressiva voorgeschreven vanwege depressieve gevoelens waar eiser mee kampte en een suïcidegevaar. Op de vraag van de rechtbank of indien een Nederlander zich met de klachten zou melden die eiser heeft, hij die Nederlandse patiënt zou hebben doorverwezen, heeft dhr. [voormalig huisarts] verklaard dat hij die patiënt absoluut zou hebben doorverwezen voor een multidisciplinair onderzoek. Verweerder zal moeten motiveren waarom de medische en psychische problematiek zoals die uit het dossier blijkt en in de onderhavige procedure nader is onderbouwd, niet in de weg staat aan de vaststelling van het terugkeerbesluit. De rechtbank heeft besproken dat deze beoordeling complex is omdat niet duidelijk is wat de omvang van de medische en psychische problematiek van eiser is. Eiser wordt thans behandeld maar een volledige diagnose ontbreekt zodat het niet zinvol is om BMA om een advies te vragen. De rechtbank heeft besproken dat mogelijk in een latere fase van deze procedure nadere medische informatie moet worden verkregen en dat eiser, gelet op de toelichting ter zitting van zijn voormalig huisarts, niet in staat zal zijn om deze informatie te verkrijgen. De rechtbank heeft daarom reeds nu met partijen besproken dat de rechtbank zich mogelijk zal beraden op het benoemen van een deskundige om zodoende te kunnen beoordelen of de gezondheid van eiser zich verzet tegen de vaststelling van het terugkeerbesluit.
19. De rechtbank volstaat op dit moment met verweerder in de gelegenheid te stellen om alle door eiser in de zeven procedures aangedragen documenten en andere bewijsmiddelen integraal en in onderlinge samenhang te beoordelen en zijn besluit aanvullend te motiveren. Omdat de rechtbank verweerder tevens de gelegenheid wil bieden om met eiser en een aantal mensen uit zijn netwerk in gesprek te gaan om zich nader te vergewissen of sprake is van een zodanig schrijnende situatie dat alsnog aanleiding bestaat om tot vergunningverlening over te gaan, zal de rechtbank een termijn van tien weken bepalen om een nieuw besluit te nemen. De rechtbank zal eiser daarna een passende termijn bieden om beroepsgronden aan te voeren en partijen zullen in de gelegenheid worden gesteld om aan te geven of zij een voortzetting van het onderzoek ter zitting wensen.
20. Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.
Beslissing
De rechtbank:
-stelt verweerder in de gelegenheid om binnen tien weken na de dag van bekendmaking van deze uitspraak het besluit van 13 oktober 2023 aanvullend te motiveren met inachtneming van deze uitspraak;
-houdt iedere verdere beslissing aan.
Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van
mr. F.A.E. van de Venne, griffier.
Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 maart 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.