ECLI:NL:RBDHA:2026:4508

ECLI:NL:RBDHA:2026:4508

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-01-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer C/09/696107 / KG ZA 25-1236
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

KG. Executiegeschil. Zijn dwangsommen verbeurd t.a.v de zorgregeling?

Uitspraak

Rechtbank den haag

Team handel - voorzieningenrechter

zaak- / rolnummer: C/09/696107 / KG ZA 25-1236

Vonnis in kort geding van 27 januari 2026

in de zaak van

[eiseres] ,

eiseres,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat mr. G.O. Perquin te Zoetermeer.

tegen:

[gedaagde] ,

gedaagde,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Partijen worden hierna respectievelijk aangeduid als ‘de moeder’ en ‘de vader’.

1. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding met producties;

- de brief van de moeder van 9 januari 2026, met bijlagen.

Tijdens de zitting van 13 januari 2026 is vonnis bepaald op vandaag.

2. De feiten

Op grond van de stukken en het verhandelde ter zitting wordt in dit geding van het volgende uitgegaan.

Partijen hebben een affectieve relatie gehad.

Zij zijn de ouders van:

- [minderjarige] , geboren op [geboortedatum] 2021 te [geboorteplaats] .

De vader heeft [minderjarige] erkend. Partijen oefenen gezamenlijk het gezag uit over [minderjarige] . [minderjarige] heeft haar hoofdverblijfplaats bij de moeder.

Bij beschikking van deze rechtbank van 4 februari 2025 is – voor zover van belang:

- de zorgregeling gewijzigd, in die zin dat [minderjarige] bij de vader is:

­ in de even weken van vrijdag na school tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op vrijdag uit school haalt en op dinsdag bij de moeder thuisbrengt;

­ in de oneven weken van maandag na school tot dinsdag 17.00 uur, waarbij de vader [minderjarige] op maandag uit school haalt en op dinsdag bij de moeder terugbrengt;

­ tijdens de zomervakantie in de oneven jaren in de derde, vierde en zesde week van de vakantie, waarbij geldt dat tijdens een vakantie langer dan één week, de vakantie aanvangt op vrijdag na school en eindigt de betreffende week op zaterdag om 09.00 uur;

- zijn partijen veroordeeld tot de betaling van een dwangsom van € 100,- voor iedere dag dat een ouder in gebreke blijft aan de bovenstaande zorg- en vakantieregeling te voldoen, met een maximum van € 1.500,-;

- zijn partijen verwezen naar een traject ouderschapsbemiddeling.

3. Het geschil

De moeder vordert – zakelijk weergegeven – de vader te veroordelen om de executie van de dwangsommen, welke volgens de vader zijn verbeurd op:

- 13 juni 2025;

- 23 augustus 2025 t/m 25 augustus 2025;

- 3 oktober 2025 t/m 5 oktober 2025;

- 31 oktober 2025 t/m 4 november 2025;

te staken en gestaakt te houden en alle executiehandelingen ten nadele van de moeder uit dien hoofde na te laten en indien reeds uitgevoerd ongedaan te maken c.q. te herstellen c.q. geïnde gelden terug te betalen op straffe van een dwangsom van

€ 500,- per dagdeel dat hij in gebreke blijft hieraan te voldoen, dan wel een door de voorzieningenrechter te bepalen dwangsom of een door de voorzieningenrechter te bepalen maatregel, met veroordeling van de vader in de kosten van de procedure.

Daartoe voert de moeder – samengevat – het volgende aan. Volgens de vader heeft de moeder dwangsommen verbeurd, omdat zij de zorgregeling niet is nagekomen. De moeder is het hiermee niet eens. Zij is van mening dat zij zich wel aan de zorg- en vakantieregeling heeft gehouden of dat er sprake was van overmacht, zoals tijdens de vakantie op Gran Canaria, waarbij de moeder en [minderjarige] beiden ziek werden en niet mochten vliegen. De moeder heeft daarnaast een spoedeisend belang bij haar vordering, omdat de vader door een deurwaarder een exploot van aanzegging en bevel tot betaling heeft uit laten brengen, op basis waarvan de moeder binnen twee dagen

€ 1.200,- moet voldoen vanwege verbeurde dwangsommen.

De vader voert verweer, dat hierna, voor zover nodig, zal worden besproken.

4. De beoordeling van het geschil

Spoedeisend belang

De voorzieningenrechter is van oordeel dat de moeder voldoende spoedeisend belang heeft bij haar vordering, gelet op de termijn waarbinnen haar bevolen is de dwangsommen te voldoen, en daarbij gebleken is dat inmiddels ook loonbeslag is gelegd.

Inhoudelijke beoordeling

De voorzieningenrechter stelt voorop dat partijen zich in beginsel aan de bij voornoemde beschikking vastgestelde zorgregeling moeten houden. De zorgregeling levert tussen partijen echter constant discussie op en partijen stellen zich over en weer niet flexibel op, wat wel van hen verwacht zou mogen worden. Hoewel de voorzieningenrechter hieraan op de zitting ook al uitvoerig aandacht heeft besteed en partijen in het verleden al verschillende hulpverleningstrajecten zijn gestart, lijken partijen onvoldoende inzicht te hebben in de ernst en de gevolgen van dit handelen, in het bijzonder voor [minderjarige] . Zoals ook op de zitting aan de orde is geweest, drukt de voorzieningenrechter partijen op het hart bij zichzelf te rade te gaan om zorg te dragen voor verbetering in de situatie, zo nodig met hernieuwde inzet van hulpverlening. Doen zij dit niet, dan zullen mogelijk nog vele procedures en nieuwe dwangsomgeschillen volgen, terwijl het voortduren van geschillen ernstige gevolgen kan hebben voor de ontwikkeling van [minderjarige] .

Nu partijen er niet in zijn geslaagd om op de zitting nader tot elkaar te komen, zal de voorzieningenrechter een beslissing nemen over de voorliggende vorderingen van de vrouw. Ten aanzien van de momenten waarop volgens de vader dwangsommen zijn verbeurd, overweegt de voorzieningenrechter als volgt.

13 juni 2025

Volgens de reguliere zorgregeling haalt de vader [minderjarige] in de even weken op vrijdag op uit school; dat is normaliter om 12.30 uur. Op vrijdag 13 juni 2025 had [minderjarige] een schoolreisje naar Duinrell, maar zij is op gezag van de moeder niet meegegaan. Tussen de ouders is vervolgens discussie ontstaan over het tijdstip waarop de vader [minderjarige] kon ophalen. Volgens de vader zou dat om 12.30 uur moeten zijn en volgens de moeder om 17.00 uur: het tijdstip waarop haar klasgenootjes terug zouden zijn van het schoolreisje.

De voorzieningenrechter volgt de vader in zijn standpunt dat hij in redelijkheid mocht rekenen op het gebruikelijke tijdstip van 12.30 uur nu [minderjarige] niet meeging op schoolreis. Niet valt in te zien waarom de moeder onder de gegeven omstandigheden een extra middag met [minderjarige] zou mogen doorbrengen en de vader die middag zou moeten inleveren. Derhalve heeft de vader terecht aanspraak gemaakt op de dwangsom voor deze dag, zodat de voorzieningenrechter de vordering van de moeder op dit punt zal afwijzen.

23 augustus 2025 t/m 25 augustus 2025

Naar oordeel van de voorzieningenrechter zijn er geen dwangsommen verbeurd

in het weekend van 23 tot en met 25 augustus 2025. Er bestond op dat moment namelijk nog discussie tussen partijen over (afwijking van) de vakantieregeling. De vader heeft daarbij in zijn e-mail van 27 mei 2025 aan de moeder – in afwijking van de beschikking van 4 februari 2025 – zelf een voorstel gedaan, waarbij [minderjarige] tot maandag 25 augustus 2025 17.00 uur bij de moeder zou zijn. Door de moeder is hierop vervolgens pas later en maar deels gereageerd. In ieder geval is duidelijk dat partijen niet tijdig eenduidige afspraken hebben gemaakt, en er ook tussen de advocaten van partijen nog is gecorrespondeerd. Dit gebrek aan overeenstemming leidt ertoe dat de gerezen onduidelijkheid niet uitsluitend aan de moeder is toe te rekenen. Door haar zijn dan ook in deze dagen geen dwangsommen verbeurd. De voorzieningenrechter zal de vordering van de moeder op dit punt toewijzen.

3 oktober 2025 t/m 5 oktober 2025

De moeder heeft [minderjarige] op vrijdag 3 oktober 2025 niet naar de vader gebracht, omdat [minderjarige] naar haar mening niet veilig was bij de vader, nu de moeder vreesde dat de vader [minderjarige] mee zou nemen naar een familiedag van de familie van de moeder. De moeder vond dit niet veilig. Het is echter niet aan de moeder om voorwaarden te stellen aan de invulling van het contact tussen de vader en [minderjarige] . De ouder bij wie [minderjarige] verblijft is op dat moment verantwoordelijk voor haar verzorging en opvoeding. De moeder heeft derhalve ten onrechte eenzijdig beslist dat [minderjarige] niet naar haar vader zou gaan, terwijl hij hier wel op rekende. De moeder heeft daarmee dwangsommen verbeurd op 3, 4 en 5 oktober 2025.

31 oktober 2025 t/m 4 november 2025

Tot slot is het de vraag of de moeder dwangsommen heeft verbeurd in de periode van 31 oktober 2025 tot en met 4 november 2025. [minderjarige] was in de herfstvakantie met de moeder op vakantie naar Gran Canaria. Zij zijn daar blijkens overgelegde stukken beiden ziek geworden, waardoor zij niet mochten terugvliegen tot het moment waarop zij een ‘fit-to-fly’-verklaring van een arts op het eiland hadden gekregen. Dit heeft ertoe geleid dat ze pas op 4 november 2025 zijn teruggekeerd in Nederland.

Hieruit volgt dat evident sprake is geweest van overmacht. Van een verbeurde dwangsom in deze periode kan daarom geen sprake zijn. De vordering van de moeder op dit onderdeel zal daarom worden toegewezen.

De slotsom is dat de incasso van een deel van de aangezegde dwangsommen door de vader moet worden gestaakt. De voorzieningenrechter ziet geen aanleiding daartoe aan de vader een dwangsom op te leggen, nu niet aannemelijk is geworden dat de vader zich niet zal houden aan het bepaalde in dit vonnis.

Proceskosten

In de omstandigheid dat het een familierechtelijke procedure is en partijen over en weer deels in het ongelijk zijn gesteld, wordt aanleiding gevonden te bepalen dat iedere partij de eigen proceskosten draagt.

5. De beslissing

De voorzieningenrechter:

beveelt de vader de invordering van de dwangsommen op grond van de beschikking van deze rechtbank van 4 februari 2025 in de periodes 23 augustus 2025 tot en met 25 augustus 2025 en 31 oktober 2025 tot en met 4 november 2025 te staken en gestaakt te houden;

veroordeelt de vader om binnen twee werkdagen na dit vonnis het door hem gelegde executoriale beslag op te heffen voor zover het ziet op voornoemde data en, voor zover daar sprake van is, de ter zake reeds geïncasseerde bedragen binnen een week nadien aan de moeder terug te betalen;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

bepaalt dat iedere partij de eigen kosten draagt;

wijst af het meer of anders gevorderde.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Hoekstra-van Vliet en in het openbaar uitgesproken op 27 januari 2026.

SB

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?