RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder.
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10614
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. R.T. Laigsingh),
en
Procesverloop
Verweerder heeft op 9 september 2025 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld. Daarbij heeft hij verzocht om schadevergoeding.
Verweerder heeft op 18 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
Verweerder heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.
De rechtbank heeft bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft en heeft het onderzoek op 5 maart 2026 gesloten.
Overwegingen
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Marokkaanse nationaliteit te hebben.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
3. De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring en het voortduren daarvan al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraken van deze rechtbank en zittingsplaats volgt dat de maatregel van bewaring en het voortduren daarvan tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraken ten grondslag heeft gelegen rechtmatig was. Daarom staat nu, voor zover dat in beroep wordt aangevochten, ter beoordeling of sinds 23 januari 2026 het voortduren van de maatregel van bewaring rechtmatig is.
4. Eiser voert aan verweerder onvoldoende voortvarend heeft gehandeld en al eerder een positieve belangenafweging had moeten maken. Het is niet inzichtelijk waarom pas op 18 februari 2026 de belangenafweging heeft gemaakt.
De rechtbank oordeelt als volgt.
5. Anders dan eiser stelt, heeft verweerder voldoende voortvarend gehandeld. Zo zijn er regelmatig vertrekgesprekken gevoerd met eiser (het laatste gesprek dateert van 27 januari 2026) en is er regelmatig gerappelleerd (het laatste rappel dateert van 29 januari 2026).
6. Verweerder is verder gehouden om een belangenafweging te maken wanneer de bewaring zes maanden duurt. Verweerder heeft voldoende inzichtelijk gemaakt dat eerder geen aanleiding was voor een belangenafweging, nu uit de vertrekgesprekken van 30 december 2025 en 27 januari 2026 blijkt dat eiser geen enkele medewerking heeft verleend om zijn vertrek mogelijk te maken.
7. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
8. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. E.C. Jacobs, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.