ECLI:NL:RBDHA:2026:4527

ECLI:NL:RBDHA:2026:4527

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 03-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer NL26.7700
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Haarlem

Samenvatting

Maatregel van bewaring. Artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Verweerder heeft in de maatregel niet gemotiveerd waarom het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van eiser verzet. Arrest Adrar. Beroep gegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , eiser,

de minister van Asiel en Migratie, verweerder,

Zittingsplaats Haarlem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.7700

V-nummer: [v-nummer] ,

(gemachtigde: mr. H.W. Omvlee),

en

(gemachtigde: M. Smeulders).

Procesverloop

Bij besluit van 9 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep is ook een verzoek om toekenning van schadevergoeding.

Verweerder heeft op 13 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.

De rechtbank heeft het beroep op 23 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en verweerder hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde.

Overwegingen

1. Eiser stelt de Algerijnse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1994.

2. Op 9 februari 2026 is eiser overgenomen na strafrechtelijke detentie. Na te zijn opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw is aan hem de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw opgelegd. Op 11 februari 2026 heeft eiser een asielaanvraag ingediend. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder de maatregel van bewaring op 13 februari 2026 opgeheven.

3. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.

4. In de maatregel van bewaring heeft verweerder overwogen dat de openbare orde de maatregel vorderde, omdat het risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. Verweerder heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3e. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat;en als lichte gronden vermeld dat eiser:4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.

5. De rechtbank heeft ter zitting het arrest Adrar van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 4 september 2025 en de naar aanleiding daarvan gedane uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 12 februari 2026, aan de orde gesteld. In laatstgenoemde uitspraak gaat de Afdeling in op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. De Afdeling gaat in op de gevolgen van het arrest, voor zover het Hof daarin heeft bepaald dat de bewaringsrechter op grond van artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn – zo nodig ambtshalve – verplicht is om na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich tegen de uitzetting verzet. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of verweerder op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring, heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet.

De rechtbank stelt vast dat verweerder in de maatregel van bewaring geen refoulement beoordeling heeft gemaakt. Verweerder heeft dit ter zitting desgevraagd bevestigd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat dit echter niet betekent dat de maatregel onrechtmatig is. Dit gebrek kan volgens verweerder namelijk gepasseerd worden omdat in dat geval een belangenafweging moet worden gemaakt, welke in het voordeel van verweerder uitvalt.

De rechtbank oordeelt hierover als volgt. De Afdeling heeft in de hiervoor aangehaalde uitspraak van 12 februari 2026 het volgende overwogen:

’10. Als de minister zijn standpunt in de maatregel van bewaring dat het beginsel van non-refoulement zich niet tegen de uitzetting van een vreemdeling verzet, niet of niet deugdelijk heeft gemotiveerd, moet de rechtbank het beroep tegen de maatregel van bewaring gegrond verklaren en de bewaring opheffen. Omdat zicht op uitzetting een onder punt 77 van het arrest van het Hof van 8 november 2022, C, B en X, ECLI:EU:C:2022:858, bedoelde algemene en abstracte regel is, vereist voor de rechtmatigheid van een maatregel van bewaring, moet een vreemdeling volgens punt 79 van dat arrest onmiddellijk worden vrijgelaten. Zie hierover de uitspraak van de Afdeling van 26 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2829, onder 5.2 en 6.’.

Nu verweerder in de maatregel niet heeft gemotiveerd dat het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de uitzetting van eiser, ziet de rechtbank zich, gelet op wat de Afdeling in rechtsoverweging 10 heeft overwogen, gedwongen het beroep gegrond te verklaren. Voor een belangenafweging, waar verweerder op wijst, is naar oordeel van de rechtbank gelet op de strikte formulering van deze rechtsoverweging, geen ruimte. Voor zover verweerder ter zitting verwijst naar de uitspraak van 19 februari 2026 van deze rechtbank, merkt de rechtbank op dat in die uitspraak de Afdelingsuitspraak van 12 februari 2026 niet kenbaar is betrokken. Het standpunt van verweerder dat deze uitspraak van de Afdeling dateert van na het bestreden besluit en hij daarom niet kon weten dat hij deze beoordeling in het bestreden besluit moest opnemen, volgt de rechtbank evenmin. De uitspraak van de Afdeling is namelijk een verduidelijking van de verplichtingen die volgen uit het arrest Adrar van 4 september 2025 en het al langer bestaande artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn.

6. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring was vanaf het moment van opleggen daarvan onrechtmatig. Omdat het beroep gegrond wordt verklaard, behoeven de overige beroepsgronden geen bespreking.

7. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 5 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 5 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 600,-.

8. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiseres een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 600,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van €1868,-.

Deze uitspraak is gedaan door mr. W.B. Klaus, rechter, in aanwezigheid van mr. T.A. O'Sullivan, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. W.B. Klaus

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?