ECLI:NL:RBDHA:2026:4529

ECLI:NL:RBDHA:2026:4529

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer NL25.59347
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

Asiel, ongegrond. Peru. WI2024/6, enkel het feit dat het relaas van de zoon ongeloofwaardig is geacht, is voldoende om eisers asielmotief ongeloofwaardig te achten. De verklaringen van eiser rusten immers op het relaas van de zoon.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.59347

(gemachtigde: mr. D.W. Beemers),

en

(gemachtigde: mr. J. Kaikai).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft op 18 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 27 november 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld.

De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026, gezamenlijk met de zaken NL25.59348 en NL25.59349, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de echtgenote van eiser, hun zoon [naam 2], de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag dat hij persoonlijk vanaf oktober 2023 telefonische doodsbedreigingen heeft ontvangen van de regering. Eiser vreest voor zijn leven en dat van zijn gezin.

Het bestreden besluit

4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

De minister stelt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn. De telefonische doodsbedreigingen vanuit de regering zijn niet geloofwaardig.

Heeft de minister een deugdelijke geloofwaardigheidstoets uitgevoerd?

5. Eiser bestrijdt dat het gebruikte toetsingskader in overeenstemming is met het Unierecht en met het evenredigheidsbeginsel. Ook als niet aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw is voldaan, kan een relaas nog steeds geloofwaardig worden geacht. Eiser is van mening dat er een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling dient plaats te vinden en dat dit niet is gebeurd. In dit verband wijst eiser er allereerst op dat de minister het ontbreken van objectieve documenten als afzonderlijk argument tegenwerpt in de beschikking. Bovendien wordt hierbij in de beschikking tegengeworpen dat de overgelegde documenten het asielmotief niet ‘volledig’ onderbouwen. Zoals eiser in de zienswijze heeft aangevoerd, is het niet noodzakelijk dat documenten het relaas volledig onderbouwen. Verweerder legt de lat in dit verband te hoog. De toegepaste werkinstructie (WI) 2024/6 is in strijd met het Unierecht. De minister dient de overgelegde documenten, en het ontbreken van overige documenten, te bezien in het licht van het gehele relaas van eisers en niet, vóór de beoordeling van de geloofwaardigheid, al als afzonderlijk element aan eisers tegen te werpen.

De meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft op 8 augustus 2025 twee uitspraken gedaan over WI 2024/6, waarin is geoordeeld dat WI 2024/6 in strijd is met het Unierecht. Omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas van eiser aan de hand van WI 2024/6 heeft uitgevoerd is het bestreden besluit naar het oordeel van de rechtbank onzorgvuldig voorbereid en het beroep gegrond. De rechtbank oordeelt echter dat er geen grond bestaat voor het oordeel dat toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6, in iedere zaak zonder meer leidt tot een met het Unierecht strijdige geloofwaardigheidsbeoordeling. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw, en bevat veel punten die ook al werden betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2014/10. Hoewel er situaties denkbaar zijn waarin de toepassing van de WI 2024/6 tot een beoordeling kan leiden die in strijd is met artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn, zullen dergelijke situaties zich om uiteenlopende redenen niet in iedere zaak voordoen. Daarbij is ook van belang hoe WI 2024/6 in individuele asielbesluiten haar weerslag vindt. De rechtbank zal dus in iedere afzonderlijke asielzaak, aan de hand van de beroepsgronden, moeten toetsen of de minister alle relevante aspecten heeft betrokken en voldoende is gemotiveerd waarom het asielrelaas niet geloofwaardig is. Dat doet de rechtbank hieronder.

De rechtbank overweegt het volgende. Met de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank en zittingsplaats heeft de rechtbank reeds geoordeeld dat de minister in strijd handelt met het Unierecht wanneer er bij de toets in het kader van WI 2024/6 geen integrale beoordeling plaatsvindt. Wanneer na afloop van de beoordeling van de vijf cumulatieve voorwaarden uit artikel 31 zesde lid Vw ‘onder de streep’ nog eens naar het geheel wordt gekeken en wordt beoordeeld of alle feiten en omstandigheden bij elkaar genomen toch niet maken dat het voordeel van de twijfel moet worden gegund en het asielrelaas geloofwaardig zou moeten worden geacht dan wordt aangesloten bij het Unierecht.

In WI 2024/6 is toegelicht dat als aan één of meer van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw niet wordt voldaan de IND dit tegenwerpt en motiveert waarom hier niet aan wordt voldaan. In dit geval is aan eiser voorwaarde c van artikel 31, zesde lid, van de Vw tegengeworpen. Het is de rechtbank ambtshalve bekend dat de minister zich op het standpunt stelt dat voorwaarden die niet zijn genoemd ook niet zijn tegengeworpen. Dit standpunt heeft de minister ook verwoord in het overgelegde hoger beroepschrift van 15 augustus 2025. Volgens de minister is een adequate geloofwaardigheidsbeoordeling verricht.

Ondanks dat de minister geen afzonderlijke overweging heeft opgenomen over de ‘integrale beoordeling’ is de rechtbank van oordeel dat niet is gebleken dat de minister niet aan alle, cumulatieve voorwaarden heeft getoetst. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheids-beoordeling heeft betrokken. Net als bij de beoordeling van de geloofwaardigheid onder werkinstructie 2014/10 is de minister uitgebreid ingegaan op de verklaringen van eiser en de overgelegde documenten waarbij is uitgelegd waarom de minister het asielmotief van eiser niet geloofwaardig acht. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op dit standpunt heeft gesteld. De rechtbank legt dit hierna uit.

Heeft de minister kunnen concluderen dat de telefonische bedreigen vanuit de regering niet geloofwaardig zijn?

Telefonische bedreigingen van zoon

6. Eisers stellen dat de minister de relevante stukken (overwegingen uit het voornemen en het besluit) van de procedure van [naam 3] hadden moeten overleggen, nu de minister hiernaar verwijst. Eiser had in de gelegenheid moeten worden gesteld om hier vervolgens op te reageren. Het argument dat vanwege privacyoverwegingen de stukken uit de andere zaak niet toegevoegd mochten worden, is niet steekhoudend omdat de zoon om toestemming gevraagd had kunnen worden. Daarbij komt dat er nieuwe informatie is van na de terugkeer van de zoon naar Peru, te weten de aangifte van de poging tot ontvoering van de zoon ná zijn gedwongen terugkeer naar Peru.

De minister stelt zich op het standpunt dat, omdat de dreigtelefoontjes vanuit de regering naar eisers zoon niet geloofwaardig zijn geacht, niet wordt gevolgd dat eiser, nadat eisers zoon is vertrokken, diezelfde dreigtelefoontjes heeft ontvangen. Enkel het feit dat het relaas van de zoon ongeloofwaardig is geacht, is voldoende om eisers asielmotief ongeloofwaardig te achten. De verklaringen van eiser rusten immers op het relaas van de zoon.

De rechtbank oordeelt dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat het relaas van zijn zoon niet geloofwaardig is geacht. Het relaas van eiser leunt immers op het relaas van zijn zoon. Dat eiser geen beschikking heeft gehad over het voornemen en het besluit in de zaak van zijn zoon, maakt dit niet anders. De minister heeft in het voornemen toegelicht dat de telefonische bedreigingen van de zoon ongeloofwaardig zijn geacht en eiser heeft de gelegenheid gehad hierop te reageren en heeft dit middels de zienswijze ook gedaan. De minister heeft zich daarnaast op het standpunt kunnen stellen dat de door eiser overgelegde documenten en zijn verklaringen ook niet de aan hem gerichte doodsbedreigingen onderbouwen. Hierop wordt hierna ingegaan.

Documenten

7. Eiser vindt dat de minister hem ten onrechte op meerdere punten tegenwerpt dat hij geen objectieve documenten heeft overgelegd. Eiser stelt verder in bewijsnood te verkeren, hetgeen betrokken moet worden bij de vraag of hij het voordeel van de twijfel moet krijgen. Voorts is eiser van mening dat bewijs dat wordt aangeleverd, moet worden betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid, ook als dit bewijs volgens de minister niet aan te merken zou zijn als objectief bewijs. Het bewijs dient daarbij beoordeeld te worden in het licht van de overige verklaringen en de situatie in het land van herkomst. Dat de overgelegde aangiftes zijn gebaseerd op de verklaringen van eisers moeder en zoon betekent niet dat ze niet meegenomen moeten worden bij de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling en bovendien is het onzorgvuldig dat de minister de vertaling van de aangifte van de ontvoering van eisers zoon niet heeft afgewacht.

Volgens de minister onderbouwen de door eiser overgelegde documenten het asielrelaas niet volledig. Immers, een aangifte zegt enkel iets over de interpretatie van een gebeurtenis van de aangever. In dit geval zijn de aangiftes gebaseerd op de verklaringen van eisers moeder en zoon en deze documenten kunnen dan ook niet als objectief bewijs worden beschouwd en daarom is de vertaling van een aangifte niet afgewacht. Het overgelegde bewijs is betrokken bij de beoordeling van het relaas, maar zoals is aangegeven in het voornemen onderbouwt de inhoud van het bewijs de verklaringen niet. Ten aanzien van de bewijsnood stelt de minister zich op het standpunt dat eiser duidelijk is gemaakt dat hij zo veel mogelijk documenten dient aan te leveren ter onderbouwing van zijn relaas en dat de oprechte inspanning van eiser om zijn relaas te staven niet ter discussie staat.

De rechtbank overweegt dat de minister eerst heeft geconcludeerd dat de overgelegde stukken het relaas van eiser niet volledig onderbouwen en dat vervolgens is geconcludeerd dat de stukken het relaas ook anderszins niet staven. Bij die laatste beoordeling heeft de minister de documenten in ogenschouw genomen in de bredere context van het relaas van eiser en daarmee juist op integrale wijze naar het relaas van eiser gekeken. Dat de conclusie tweemaal is dat de documenten geen waarde toekomt doet hier niet aan af en naar het oordeel van de rechtbank kan dit aan eiser worden tegengeworpen. Daarmee moet ook geconcludeerd worden dat de minister de stukken wel degelijk bij zijn beoordeling heeft betrokken.

De rechtbank oordeelt verder dat de minister terecht stelt dat een aangifte enkel iets zegt over de interpretatie van een gebeurtenis van de aangever en dat de minister daarom niet de waarde aan deze stukken heeft doen toekomen die eiser graag had gezien. Ook heeft de minister hierom de vertaling van de aangifte van de ontvoering niet hoeven afwachten; deze vertaling had in het licht van bovenstaande het relaas van eiser niet meer aannemelijk kunnen maken. Zoals reeds hierboven geoordeeld heeft de minister deze documenten desondanks, terecht, wel bij zijn beoordeling betrokken. In zoverre eiser stelt dat hij in bewijsnood verkeert, overweegt de rechtbank dat dit in zijn algemeen het geval is wanneer wordt overgegaan tot een beoordeling als bedoeld in artikel 31, zesde lid, van de Vw. Daar wordt gekeken of eiser desondanks deze bewijsnood gevolgd kan worden in zijn relaas; de vraag of eiser in bewijsnood verkeert is bij die beoordeling op zichzelf dan ook niet relevant en hoeft niet als zodanig meegewogen te worden.

Verklaringen gebaseerd op vermoedens

8. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom zijn verklaringen zouden zijn gebaseerd op vage, niet onderbouwde vermoedens en veronderstellingen. In dit verband wordt enkel tegengeworpen dat nergens expliciet uit blijkt dat de autoriteiten opdracht hebben gegeven voor de bedreigingen. Namens eiser wordt opgemerkt dat hier geen schriftelijk bewijs van is en dat het daarom niet redelijk is dit tegen te werpen. Het feit dat dit bewijs er niet is, maakt de verklaringen niet onaannemelijk. Voorts stelt de minister dat omdat het asielmotief ongeloofwaardig wordt geacht, de verklaringen over de bedreigingen niet geloofwaardig worden geacht. Dit is een cirkelredenering; omdat het asielrelaas niet geloofwaardig wordt bevonden, worden de verklaringen over de bedreigingen niet geloofwaardig bevonden en daarom wordt het asielrelaas niet geloofwaardig bevonden.

De minister overweegt dat eisers verklaringen enkel gebaseerd zijn op zijn eigen vage en niet onderbouwde vermoedens en veronderstellingen. Eiser heeft in dit verband geenszins zijn stellingen met gedetailleerde verklaringen kunnen onderbouwen. Immers, nergens blijkt expliciet uit dat de autoriteiten opdracht hebben gegeven voor de bedreigingen. Dat eiser telefonisch wordt medegedeeld dat hij geen marsen of protesten mag houden, onderbouwt voorgaande niet. Daarbij merkt de minister op dat de gestelde bedreigingen reeds niet geloofwaardig zijn geacht.

De rechtbank oordeelt dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat zijn verklaringen enkel zijn gebaseerd op vermoedens. Dit is een feitelijk juiste constatering en de minister heeft daarom geen doorslaggevende waarde aan de verklaringen van eiser hoeven toekennen. Het is aan eiser om zijn relaas te onderbouwen en daarin is hij met zijn verklaringen niet geslaagd, nu deze enkel berusten op vermoedens. Daarbij is geen sprake van een cirkelredenering. De minister heeft, zoals reeds geoordeeld, enkel op basis van het feit dat het relaas (lees: telefonische bedreigingen) van de zoon niet geloofwaardig is geacht, kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser niet geloofwaardig zijn. Dat de minister in aanvulling daarop ook betrekt dat de verklaringen van eiser zelf enkel gebaseerd zijn op vermoedens is een op zichzelf staande tegenwerping die niet steunt op de tegenwerping dat het relaas van de zoon niet geloofwaardig is. Er is dan ook geen cirkelredenering.

Uitreis

9. Eiser wijst erop dat de minister niet betwist dat het mogelijk is om een paspoort te krijgen als iemand in de negatieve aandacht van de autoriteiten van Peru staat. De minister volgt in dit verband ook dat er inderdaad verschillende overheidsinstellingen zijn met verschillende taken. Het feit dat er politie op een vliegveld is, maakt echter niet dat het ongeloofwaardig is dat eisers in een vliegtuig konden komen. Ook de veronderstelling van de minister dat het relaas niet geloofwaardig is, omdat niet valt in te zien dat verschillende onderdelen van de overheid geen informatie over ‘dergelijke zaken’ uitwisselen, kan niet gevolgd worden. De minister onderbouwt niet dat de autoriteiten in Peru op een vliegveld altijd iedereen die in de negatieve aandacht staan met een paspoort via een systeem ontdekken.

De minister overweegt dat de autoriteiten eiser enkele dagen voor vertrek een paspoort hebben verstrekt en eiser zonder problemen de controle op de luchthaven heeft doorlopen. In het licht van zijn verklaringen is opmerkelijk dat eiser geen problemen heeft gehad bij het aanvragen van zijn paspoort en zijn uitreis.

De rechtbank oordeelt dat de minister bij de beoordeling heeft kunnen betrekken dat eiser geen problemen heeft ondervonden tijdens zijn uitreis. De verklaringen van eiser rechtvaardigen de verwachting dat dit wel het geval zou zijn en nu dit niet het geval is, doet dit af aan de aannemelijkheid van de verklaringen van eiser. Dat het in theorie ook mogelijk is een paspoort te krijgen of uitreizen als men in de negatieve aandacht staat, maakt dit niet anders.

Conclusie ten aanzien van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw

10. De rechtbank oordeelt dat de minister eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij niet voldoet aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder c, Vw. De rechtbank volstaat daarbij met een verwijzing naar hetgeen hierboven is overwogen.

Conclusie algehele geloofwaardigheid

11. De rechtbank is van oordeel dat de minister alle relevante feiten en omstandigheden bij de geloofwaardigheidsbeoordeling heeft betrokken en het relaas van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft de afwijzing van de asielaanvraag voldoende deugdelijk gemotiveerd.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding is geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A. Sibma

Griffier

  • mr. D.G. van den Berg

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?