RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[naam 2], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
de minister van Asiel en Migratie, de minister,
Samenvatting
Zittingsplaats Groningen
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.29577
[naam 3], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
[naam 4], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
[naam 5], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
[naam 6], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
[naam 7], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
[naam 8], geboren op [geboortedatum], V-nummer: [v-nummer],
(gemachtigde: mr. D. de Vries),
allen van Syrische nationaliteit en hierna gezamenlijk te noemen: eisers,
en
(gemachtigde: mr. S.H. de Vries).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eisers om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ bij [naam 1] (referent). Eisers zijn het niet eens met de afwijzing van de aanvraag. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvraag in stand kan blijven. Eisers krijgen dus geen gelijk en het beroep is ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eisers hebben op 16 november 2022 een aanvraag voor een mvv ingediend, met als doel ‘verblijf bij familie- of gezinslid’ bij referent. De minister heeft de aanvraag bij besluit van 16 september 2024 afgewezen. Bij besluit van 13 juni 2025 heeft de minister het bezwaar van eisers kennelijk ongegrond verklaard en is hij bij de afwijzing van de aanvraag gebleven. Eisers hebben hiertegen beroep ingesteld.
De rechtbank heeft het beroep op 4 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigden van eisers en de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Totstandkoming van het besluit.
3. Referent heeft de Syrische nationaliteit en heeft een verblijfsvergunning in Nederland. Eisers hebben de mvv-aanvraag ingediend om bij referent in Nederland te kunnen verblijven.
De minister heeft de aanvraag afgewezen. Referent valt niet onder het jongvolwassenebeleid. En omdat er tussen referent en zijn ouders en oudere zus geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie wordt er tussen hen geen familieleven aangenomen dat voor bescherming op grond van artikel 8 van het Europees Verdrag ter bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) in aanmerking komt. Hoewel de identiteit van referent zijn minderjarige broers en zussen niet aannemelijk is gemaakt, krijgt referent het voordeel van de twijfel en wordt een beschermingswaardige familierechtelijke relatie met hen wel aangenomen. De belangenafweging valt echter uit in het nadeel van de minderjarige broertjes en het minderjarige zusje van referent. De afwijzing van de aanvraag is daarom niet in strijd met artikel 8 EVRM.
Beoordeling van de beroepsgronden
Het jongvolwassenenbeleid
4. De rechtbank stelt vast dat eisers op de zitting hebben verklaard hun gronden ten aanzien van het jongvolwassenbeleid, niet te handhaven. In zoverre de gronden van beroep hierop zien, zal de rechtbank deze daarom niet bespreken.
Reguliere aanvraag of nareis
5. Eisers stellen dat er sprake is van een nareisaanvraag, niet van een reguliere gezinsherenigingsprocedure. Dit omdat gekeken dient te worden naar het moment van vertrek van referent. De ministere heeft dan ook een onjuist toetsingskader toegepast.
De rechtbank oordeelt dat de minister terecht heeft gesteld dat het hier gaat om een reguliere gezinsherenigingsprocedure op grond van artikel 8 van het EVRM. Referent was ten tijde van zijn asielaanvraag meerderjarig en de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft bevestigd dat het peilmoment van de leeftijd van de referent het moment van zijn verzoek om bescherming is, niet zijn leeftijd op het moment van vertrek uit het land van herkomst. Eisers vallen daarom niet binnen de reikwijdte van het nareisbeleid. De rechtbank ziet geen aanleiding om van dit oordeel af te wijken.
De belangenafweging ten aanzien van de minderjarige kinderen
6. Eisers stellen dat de belangenafweging niet getuigt van een ‘fair balance’. De minister weegt het economische belang van de Staat te zwaar en onduidelijk blijft waarom dit belang zo zwaar weegt. Daarbij stellen eisers dat de minister enkel het economisch belang tegen over de belangen van eisers stelt. Dit omdat het restrictief toelatingsbeleid niet een op zichzelf staand belang is waarmee bij de belangenafweging rekening moet worden gehouden. Het restrictief toelatingsbeleid vloeit voort uit de wens om de Nederlandse economie te beschermen tegen te veel en/of bepaalde vormen van immigratie. Eiser verwijst in dit kader naar jurisprudentie van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM), waaruit volgt dat een restrictief immigratiebeleid dient om de belangen van het economisch welzijn in een land behartigen.
Eisers stellen verder dat het aannemelijk is dat referent vanwege zijn inspanningen op de Nederlandse arbeidsmarkt in economisch opzicht steeds beter in staat is om financieel voor zichzelf te zorgen. Dit leidt ertoe dat referent nu of in de toekomst ook zal kunnen bijdragen in de kosten van eisers als zij tot Nederland worden toegelaten en hier mogen verblijven.
De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat referent hechte persoonlijke banden heeft met zijn minderjarige broers en zussen en dat alle relevante feiten en omstandigheden in de belangenafweging zijn betrokken. In geschil is of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen enerzijds het belang van eisers en referent bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven hier te lande en anderzijds het algemeen belang van de Nederlandse samenleving bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid. Daarbij is van belang de vraag of de minister het restrictief toelatingsbeleid in deze zaak heeft aangemerkt als afzonderlijk belang en indien dit het geval is of dit juist is.
De rechtbank zal met deze laatste vraag beginnen, omdat deze van invloed is op de vraag of de minister de belangen aan de zijde van de staat juist heeft gewogen. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit overweegt dat eisers terecht betogen dat het restrictief toelatingsbeleid geen op zichzelf staand belang is dat dient te worden gewogen. De minister stelt dat het restrictieve toelatingsbeleid een contextuele overweging is en dat met het voeren van dit beleid, de Nederlandse overheid haar economische belangen zwaarder mag beschermen, zeker als het een eerste toelating betreft. De rechtbank stelt vast dat de minister in het bestreden besluit het restrictieve beleid niet als zelfstandig belang heeft gewogen. De beroepsgrond van eisers op dit punt kan alleen daarom al niet tot een ander oordeel leiden.
Nu eisers verder niet hebben betwist dat alle belangen zijn betrokken bij de belangenafweging komt de rechtbank toe aan de vraag of de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat die afweging heeft geresulteerd in een ‘fair balance’ tussen het belang bij de uitoefening van het familie- en gezinsleven van een vreemdeling in Nederland en het Nederlands algemeen belang dat is gediend bij het voeren van een restrictief toelatingsbeleid.
De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. De rechtbank is van oordeel dat de afweging van de minister geresulteerd heeft in een fair balance; weigering om aan de minderjarige kinderen verblijf bij hun (gestelde) meerderjarige broer in Nederland toe te staan is niet in strijd met het recht op familieleven als bedoeld in artikel 8 van het EVRM. Daartoe overweegt de rechtbank dat gesteld noch gebleken is dat de belangen van eisers te licht zijn gewogen. Op de zitting hebben eisers enkel gesteld dat de minister het economische belang te zwaar heeft gewogen. Eisers hebben dit niet nader onderbouwd. Dit is daarom naar het oordeel van de rechtbank, onvoldoende voor de conclusie dat de minister ten onrechte het belang van referent en eisers minder zwaar heeft geacht dan het belang van de Nederlandse samenleving om haar economische belangen te beschermen.
Tot slot overweegt de rechtbank dat uit Afdelingsjurisprudentie volgt, dat de minister bij de beoordeling van het economische belang, geen rekening hoeft te houden met onzekere toekomstige verwachtingen in de vorm van referent zijn verdiencapaciteit of de mogelijkheid dat hij in de toekomst in staat is om de kosten voor de verzorging en huisvesting van zijn familie te dragen. In zoverre referent betoogt dat zijn inspanningen afdoen aan het economische belang van de minister, slaagt dit betoog niet.
Hoorplicht
7. Eisers stellen tot slot dat, nu er sprake is van een artikel 8 EVRM toets, zij dan wel referent in bezwaar gehoord hadden moeten worden. De hoorplicht vormt een essentieel onderdeel van de bezwaarschriftenprocedure.
De rechtbank is van oordeel dat, alhoewel in de regel terughoudend moet worden omgegaan met het afzien van horen, in dit geval het afzien van horen gerechtvaardigd was. Referent is gehoord ten tijde van het primaire afwijzende besluit en heeft in bezwaar geen gronden aangevoerd of stukken overgelegd op grond waarvan de minister aanleiding had moeten zien om hem nogmaals te horen. De minister heeft het feitencomplex compleet kunnen achten en het bezwaar af kunnen doen als kennelijk ongegrond. In die gevallen hoeft er volgens artikel 7:3, sub b, van de Algemene wet bestuursrecht niet gehoord te worden.
Conclusie en gevolgen
8. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eisers ongelijk krijgen. Het besluit blijft in stand. Eisers krijgen geen vergoeding van hun proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen - Telman, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.
De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.