ECLI:NL:RBDHA:2026:4536

ECLI:NL:RBDHA:2026:4536

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 27-02-2026
Datum publicatie 06-03-2026
Zaaknummer 10/238273-25, 10/133657-25 (ttz. gev.) en 10/052487-25 (tul)
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Veroordeling voor afpersing, diefstal met valse sleutel en wederrechtelijke vrijheidsberoving van hetzelfde slachtoffer en vier (winkel)diefstallen met geweld en/of bedreiging met geweld. Oplegging van een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en met bijzondere voorwaarden (meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverboden met aangevers en middelencontrole. Dadelijke uitvoerbaarheid van de bijzondere voorwaarden. Oplegging van een 38z-maatregel. Toewijzing vorderingen benadeelde partijen. Niet-ontvankelijk verklaring benadeelde partij. Beslag: teruggave € 116,40 aan veroordeelde. TUL toegewezen: 14 dagen gevangenisstraf.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummers: 10/238273-25, 10/133657-25 (ttz. gev.) en 10/052487-25 (tul)

Datum uitspraak: 27 februari 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum 1] 1987 te [geboorteplaats],

op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], [locatie]

.

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 3 september 2025, 27 november 2025 (beide pro forma) en 13 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. L. van der Schee naar voren is gebracht.

2. De tenlastelegging

De teksten van de tenlasteleggingen zijn als bijlage I aan dit vonnis gehecht.

Aan de verdachte is, kort en zakelijk weergegeven, ten laste gelegd dat hij op of omstreeks:

Parketnummer 10/238273-25 ( dagvaarding I ):

1. september 2025 te Rotterdam zich schuldig heeft gemaakt aan winkeldiefstal van één of meer blikjes Bacardi bij de LIDL, gevolgd van (bedreiging met) geweld tegen [aangever 1];

2. 27 maart 2025 te Rotterdam zich schuldig heeft gemaakt aan afpersing van [aangever 2] van een telefoon en/of pinpas en/of rugtas en/of laptop en/of sleutels en/of etui en/of geld;

3. 27 maart 2025 te Rotterdam zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal met valse sleutel van € 127,55 van [aangever 2];

4. 27 maart 2025 te Rotterdam opzettelijk [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en/of beroofd gehouden;

Parketnummer 10/133657-25 ( dagvaarding II ):

1. april 2025 bij Olala Chocolade te Dordrecht zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een geldbedrag, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster 1];

2. 28 april 2025 bij de Albert Heijn aan de [adres 1] te Rotterdam zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een sixpack Redbull, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangever 3];

3. 29 april 2025 bij de Ekoplaza te Rotterdam zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een hoeveelheid geld, voorafgegaan, vergezeld en/of gevolgd van (bedreiging van) geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster 2].

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het bij dagvaarding I en dagvaarding II ten laste gelegde.

Het standpunt van de verdediging

De raadsvrouw heeft namens de verdachte vrijspraak van het bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 ten laste gelegde bepleit. De raadsvrouw heeft zich verder met betrekking tot het bij dagvaarding I onder 1 ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat de diefstal bewezen kan worden verklaard, maar dat de verdachte partieel moet worden vrijgesproken van het (bedreigen met) geweld met een mes. De raadsvrouw heeft ten aanzien van dagvaarding II partiële vrijspraak bepleit van het onder 1 ten laste gelegde tonen van het mes en het bedreigen met geweld. Ten aanzien van het bij dagvaarding II onder 2 ten laste gelegde heeft de raadsvrouw zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden bewezen dat de verdachte ‘ik ga je steken’ heeft gezegd. De raadsvrouw heeft zich met betrekking tot het bij dagvaarding II onder 3 ten laste gelegde gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Gebruikte bewijsmiddelen

De rechtbank heeft in bijlage II opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden. De bewijsmiddelen worden

slechts gebruikt ten aanzien van het feit waarop zij blijkens hun inhoud betrekking hebben.

Bewijsoverwegingen

Ten aanzien van dagvaarding I, feit 1

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat bewezen kan worden dat de verdachte bij de diefstal dreigend een mes heeft getoond aan aangever [aangever 1] (hierna: [aangever 1]). [aangever 1] heeft verklaard dat op 9 september 2025 een man met een blauw winkelmandje de winkel uitliep. Hij zag dat de man een tray Bacardi uit het winkelmandje haalde en in zijn zwarte tas deed. [aangever 1] maakte een foto van de man en zag toen dat hij een mes uit zijn achterzak trok. De man zei dat hij de foto's moest verwijderen en liep met de punt van het mes in de richting van [aangever 1]. Hij voelde zich hierdoor bedreigd.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [aangever 1]. Deze verklaring wordt bovendien ondersteund door een ander bewijsmiddel, namelijk het aantreffen van een mes in de tas van de verdachte. De rechtbank gaat daarom uit van deze verklaring, ook waar het gaat om het dreigend tonen van het mes.

Ten aanzien van dagvaarding I feiten 2, 3 en 4

De rechtbank is van oordeel dat aangever [aangever 2] (hierna: [aangever 2]) een uitgebreide en op hoofdlijnen consistente en gedetailleerde verklaring heeft afgelegd tegenover de politie. [aangever 2] heeft verklaard dat toen hij zijn fiets op slot wilde zetten bij het metrostation [straatnaam], er een man op hem af kwam lopen. De man trok een mes en zei tegen [aangever 2] dat hij hem moest helpen en dat hij hem anders zou neersteken. [aangever 2] heeft zijn bankpas aan de man gegeven en is met hem ongeveer twee uur door de stad gefietst, gelopen en met de taxi gegaan. De man heeft verschillende pintransacties gedaan met de bankpas van [aangever 2]. Vervolgens heeft [aangever 2] zijn zwarte rugtas van [merk] met daarin zijn laptop, sleutels en etui afgegeven aan de man. De verklaring van [aangever 2] wordt op essentiële punten ondersteund door de camerabeelden van de Geldmaat waar de verdachte heeft geprobeerd te pinnen met de bankpas van [aangever 2] en de camerabeelden van Gall & Gall waar de verdachte twee keer heeft gepind met de bankpas van [aangever 2]. Meerdere verbalisanten herkennen de verdachte op de stills van de camerabeelden. Daarnaast wordt de verklaring van [aangever 2] ondersteund door de verklaring van de taxichauffeur [naam 1]. Volgens hem stapten er twee mannen in de taxi. Man 1 zag er onverzorgd uit en vroeg aan man 2 of zijn ouders zijn locatie konden zien op zijn telefoon. Toen man 2 zei dat zij dit konden zien moest hij van man 1 de locatie uitzetten. Daarnaast vroeg man 1 aan man 2 of zijn ouders konden zien als hij geld opnam. Daarnaast wordt de verklaring van [aangever 2] ondersteund door de zwarte rugtas die op 10 september 2025 bij de insluitingsfouillering van de verdachte is aangetroffen. Volgens verbalisanten komt deze rugtas overeen met de foto’s die [aangever 2] aan de politie had verstrekt van het soort rugtas dat bij hem was weggenomen.

De verklaring van aangever is, zoals vermeld, gedetailleerd, consistent en wordt daarnaast ondersteund door andere bewijsmiddelen. De rechtbank gaat daarmee uit van de betrouwbaarheid van deze verklaring en gebruikt deze voor het bewijs, ook ten aanzien van dat deel van de verklaring waarin staat dat de verdachte aangever heeft bedreigd met een mes.

Ten aanzien van de vraag of sprake is geweest van wederrechtelijke vrijheidsberoving geldt het volgende. De verdachte heeft tegen [aangever 2] gezegd dat hij een scherp mes had en heeft dit mes ook aan [aangever 2] getoond. Daarnaast heeft de verdachte meerdere keren tegen [aangever 2] gezegd dat hij het mes zou gebruiken als hij niet naar hem zou luisteren, zou gaan schreeuwen of andere rare dingen zou doen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de verdachte daarmee opzettelijk gedreigd dat [aangever 2] iets ernstigs zou overkomen als hij zich aan de situatie zou proberen te onttrekken door weg te gaan of om hulp te vragen. Het gevolg is geweest dat [aangever 2] zich redelijkerwijs niet aan die situatie heeft kunnen onttrekken en twee uur lang met de verdachte door de stad is gegaan en verschillende spullen aan hem heeft overhandigd.

Gelet op het voorgaande acht de rechtbank het bij dagvaarding I onder 2 (afpersing), 3 (diefstal met valse sleutel) en 4 (wederrechtelijke vrijheidsberoving) ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 1

De verdediging heeft partiële vrijspraak van het bij dagvaarding II onder 1 ten laste gelegde (tonen van het) mes en bedreigen met geweld bepleit. De rechtbank oordeelt als volgt. De aangeefster [aangeefster 1] (hierna: [aangeefster 1]) heeft bij de politie verklaard dat een man op 28 april 2025 om 14.50 uur de winkel Olala Chocolade te Dordrecht binnenkwam. De man liep bij het afrekenen om de kassa heen en zei “Maak de kassa open”. De man maakte vervolgens zelf de kassa open en duwde [aangeefster 1] aan de kant. De man zei “Pas op anders steek ik je neer”. De man graaide het geld uit de kassa en deed dit in een papieren tasje van de winkel. Vervolgens deed de man zijn trui omhoog en hoorde [aangeefster 1] hem iets zeggen van neersteken. [aangeefster 1] zag dat de man een handvat van een mes liet zien. Het handvat stak ongeveer vijf centimeter boven zijn broek uit en was zwart van kleur.

De rechtbank heeft in de eerste plaats geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [aangeefster 1]. Haar verklaring wordt namelijk op meerdere punten ondersteund door andere bewijsmiddelen, zoals het DNA-bewijs. De rechtbank gaat daarom uit van deze verklaring, ook waar het gaat om het tonen van het mes.

In de tweede plaats heeft de verdachte zich op 28 april 2025 om 12.48 uur, twee uur voor de diefstal met (bedreiging met) geweld bij Olala Chocolade, schuldig gemaakt aan diefstal met bedreiging met geweld bij de Albert Heijn te Rotterdam. De verdachte pakte toen een groot mes uit zijn rugzak en zwaaide met het mes richting de beveiliger van de Albert Heijn. De rechtbank maakt hieruit op dat de verdachte twee uur voor de diefstal met (bedreiging met) geweld bij Olala Chocolade een mes bij zich had. Dat past bij de verklaring die [aangeefster 1] heeft afgelegd en de betrouwbaarheid van die verklaring wordt door deze bevindingen eens te meer onderstreept.

Ten aanzien van dagvaarding II feit 2

De rechtbank is, anders dan de raadsvrouw, van oordeel dat eveneens bewezen kan worden dat de verdachte bij de diefstal tegen aangever [aangever 3] (hierna: [aangever 3]) ‘Ik ga je steken’ heeft gezegd. [aangever 3] heeft verklaard dat de verdachte met een mes zwaaide en dat hij naar hem riep: “Ik ga je steken”. De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de verklaring van [aangever 3]. Dat de collega van [aangever 3] niet heeft verklaard dat dit is gezegd, biedt de rechtbank geen aanleiding om te twijfelen aan de juistheid van de verklaring.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

Parketnummer 10/238273-25 ( dagvaarding I ):

1

hij op 9 september 2025 te Rotterdam uit een winkelpand, gelegen aan of nabij de Vuurplaat, blikjes Bacardi, die aan winkelketen LIDL toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [aangever 1], gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door aan die [aangever 1] dreigend een mes te tonen en daarbij vervolgens aan die [aangever 1] dreigend de woorden toe te voegen - zakelijk weergegeven - dat hij de foto's van verdachte op zijn telefoon moest wissen/verwijderen;

2

hij op 27 maart 2025 te Rotterdam met het oogmerk om zich wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [aangever 2] heeft gedwongen tot de afgifte van een telefoon en pinpas en rugtas en laptop en sleutels en etui en geld, die aan die [aangever 2] toebehoorden,

- door zich meermalen (bij voortduring) op te dringen aan die [aangever 2] en daarbij een intimiderende houding jegens die [aangever 2] aan te nemen en

- daarbij een mes aan die [aangever 2] te tonen en voor te houden en die [aangever 2] aan het lemmet van het mes te laten voelen en

- aan die [aangever 2] mede te delen dat hij, verdachte, hem zou neersteken en

- die [aangever 2] (daarbij) te dwingen om hem, verdachte, te vervoeren op zijn fiets en met een taxi en met hem, verdachte, mee te lopen naar locaties in Rotterdam alwaar die [aangever 2] voor hem, verdachte moest pinnen en goederen moest kopen;

3

hij op 27 maart 2025 te Rotterdam geldbedragen (totaalwaarde: € 127,55), die aan [aangever 2] toebehoorden heeft weggenomen met het oogmerk om deze zich wederrechtelijk toe te eigenen, terwijl verdachte die weg te nemen geldbedragen onder zijn bereik heeft gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een bankpas/pinpas (behorende bij bankrekeningnummer: [rekeningnummer]) op naam van deze [aangever 2], door deze bankpas/pinpas meermalen te gebruiken ten behoeve van geldtransacties, tot welk gebruik hij, verdachte onbevoegd en niet gerechtigd was;

4

hij op 27 maart 2025 te Rotterdam opzettelijk [aangever 2] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd, door zich meermalen (bij voortduring) op te dringen aan die [aangever 2] en daarbij een intimiderende houding jegens die [aangever 2] aan te nemen en daarbij een mes aan die [aangever 2] te tonen en voor te houden en die [aangever 2] aan het lemmet van het mes te laten voelen en aan die [aangever 2] mede te delen dat hij, verdachte, hem zou neersteken en die [aangever 2] (daarbij) te dwingen om hem, verdachte, te vervoeren op zijn fiets en met een taxi en met hem, verdachte, mee te lopen naar locaties in Rotterdam om aldaar met de bankpas/pinpas van die [aangever 2] ten behoeve van verdachte te pinnen en goederen te kopen.

Parketnummer 10/133657-25 ( dagvaarding II ):

1

hij op 28 april 2025 bij Olala Chocolade te Dordrecht een geldbedrag dat aan Olala Chocolade te Dordrecht toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld van geweld en/of bedreiging met geweld tegen [aangeefster 1], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, door

- naar de kassa te lopen en die [aangeefster 1] de woorden toe te voegen ‘maak je kassa open’

- die [aangeefster 1] aan de kant te duwen en haar de woorden toe te voegen: ‘pas op anders steek ik je neer’ en ‘pak een plastic tasje’ en vervolgens het geld uit de kassa in de tas te doen en

- die [aangeefster 1] nogmaals de woorden ‘ik steek je neer’ toe te voegen en haar het handvat van een mes te laten zien en

- die [aangeefster 1] in een kast op te sluiten;

2

hij op 28 april 2025 bij de Albert Heijn aan de [adres 1] te Rotterdam een sixpack Redbull, dat aan Albert Heijn [adres 1] te Rotterdam toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd gevolgd van bedreiging met geweld tegen [aangever 3], gepleegd met het oogmerk om bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken, door uit zijn rugtas een mes te halen en dit mes in de richting van die [aangever 3] te zwaaien en die [aangever 3] de woorden toe te voegen ‘ik ga je steken’;

3

hij op 29 april 2025 bij de Ekoplaza te Rotterdam een hoeveelheid geld dat aan Ekoplaza [adres 2] te Rotterdam toebehoorde heeft weggenomen met het oogmerk om het zich wederrechtelijk toe te eigenen welke diefstal werd vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld tegen [aangeefster 2], gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken, en bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren, door

- om de kassa heen te lopen en naast die [aangeefster 2] te gaan staan en

- die [aangeefster 2] de woorden toe te voegen ‘dat zij de kassa open moest maken anders zou hij haar doodmaken’ en

- vervolgens al het briefgeld uit de kassalade te pakken en

- die [aangeefster 2] bij haar schouder te pakken en te zeggen dat zij moest blijven zitten en

- een collega van die [aangeefster 2] te duwen en te dreigen haar te zullen steken.

Voor zover in de tenlastelegging type- en taalfouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd en gecursiveerd weergegeven, zonder dat de verdachte daardoor in de verdediging is geschaad.

4. De strafbaarheid van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De oplegging van de straf en maatregel

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van vier (4) jaren, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan één (1) jaar voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren en als bijzondere voorwaarden een meldplicht bij de reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod met alle aangevers en beheersing in middelengebruik. De officier van justitie heeft gevorderd de bijzondere voorwaarden dadelijk uitvoerbaar te verklaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd dat aan de verdachte wordt opgelegd een gedragsbeïnvloedende en vrijheidsbeperkende maatregel (hierna: GVM) op grond van artikel 38z Sr.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest op te leggen en daarnaast een voorwaardelijke gevangenisstraf met een proeftijd van drie jaren met de bijzondere voorwaarden van de reclassering op te leggen.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf en maatregel zijn in overeenstemming met de ernst van de gepleegde feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van de feiten

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan afpersing, diefstal met valse sleutel en wederrechtelijke vrijheidsberoving van [aangever 2]. Uit de slachtofferverklaring blijkt dat [aangever 2] last heeft van slapeloosheid, angst en nachtmerries door het handelen van de verdachte. Daarnaast heeft [aangever 2] financiële schade opgelopen, aangezien de verdachte meermalen geld met zijn bankpas heeft gepind en zijn rugtas met laptop, sleutels en etui erin heeft afgenomen.

De verdachte heeft zich ook schuldig gemaakt aan vier (winkel)diefstallen met geweld en/of bedreiging met geweld. De verdachte heeft daarbij drank of geld weggenomen. Dit heeft hinder en financiële schade opgeleverd voor de slachtoffers. De verdachte heeft bij deze diefstallen (winkel)personeel bedreigd en een mes getoond. De verdachte heeft in twee gevallen ook geweld toegepast door het winkelpersoneel te duwen. De slachtoffers werden – terwijl zij bezig waren met hun werk – geconfronteerd met een bedreigende situatie waarin zij moesten vrezen voor hun veiligheid. De verdachte heeft zich bij het plegen van de feiten enkel laten leiden door zijn eigen financiële belangen, waaronder de bekostiging van zijn verslaving.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 3 november 2025. De verdachte is eerder veroordeeld voor soortgelijke feiten en liep nog in een proeftijd van een soortgelijk feit. De rechtbank weegt dit in strafverzwarende zin mee.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft kennisgenomen van de volgende rapportages:

- de Pro Justitia-rapportage van 13 november 2025, opgesteld door psychiater dr. [naam 2];

- het reclasseringsadvies van 30 december 2025, opgesteld door [naam 3].

De Pro Justitia-rapportage

In de Pro Justitia-rapportage (hierna: PJ-rapportage) van 13 november 2025 concludeert de psychiater dat bij de verdachte sprake is van een psychische stoornis in het gebruik van alcohol, cocaïne, cannabis en een gemengde cluster B persoonlijkheidsstoornis met antisociale, histrionische en narcistische trekken. Daarnaast is de verdachte zwakbegaafd. De stoornissen waren aanwezig ten tijde van de ten laste gelegde feiten. De psychiater adviseert de aan hem ten laste gelegde feiten in verminderde mate toe te rekenen. De psychiater schat het recidiverisico in als hoog. De psychiater adviseert bij bewezenverklaring het recidiverisico te beperken door klinische psychiatrische en psychologische behandeling van de stoornissen in het gebruik van middelen en de persoonlijkheidsstoornis van onderzochte in een Forensisch Psychiatrische Kliniek (FPK). De voorkeur gaat daarbij uit naar een FPK met expertise in de behandeling en begeleiding van verstandelijk beperkten en zwakbegaafden, met aansluitende resocialisatie naar een instelling voor beschermd wonen. De behandeling kan plaatsvinden in het kader van bijzondere voorwaarden bij een voorwaardelijk strafdeel onder toezicht van de reclassering. Daarnaast adviseert de psychiater een GVM in de zin van artikel 38z Sr op te leggen.

Naar het oordeel van de rechtbank is het Pro Justitia-rapport op zorgvuldige wijze tot stand gekomen en worden de conclusies over de bij de verdachte aanwezige stoornissen en de verminderde toerekeningsvatbaarheid gedragen door een deugdelijke en inzichtelijk gemotiveerde onderbouwing. De rechtbank neemt gelet hierop deze conclusies van de psychiater over en maakt die tot de hare.

Het reclasseringsadvies

De rechtbank heeft ook acht geslagen op een reclasseringsadvies over de verdachte van 30 december 2025. Volgens de reclassering is sprake van een zorgelijk patroon van vermogensdelicten al dan niet met geweldpleging. Er zijn meerdere zorgelijke criminogene factoren. De verdachte heeft geen huisvesting na detentie, schulden, geen dagbesteding en er is geen hulpverlening betrokken. De reclassering adviseert reclasseringstoezicht met een langdurige klinische opname aansluitend aan detentie. De reclassering heeft hiertoe een indicatiestelling voor een FPK bij het IFZ aangevraagd. Deze indicatiestelling is toegewezen en verdachte is bij de FPK Rotterdam aangemeld. Aansluitend aan de klinische opname dient verdachte begeleid te gaan wonen en kan ambulante behandeling als eventuele terugvalpreventie worden ingezet. Tot slot adviseert de reclassering wegens het hoge recidive- en letselschaderisico dadelijke uitvoerbaarheid van onderstaande geadviseerde voorwaarden. Ook wordt een GVM wegens de langdurige en structurele problematiek geadviseerd.

De reclassering adviseert een (deels) voorwaardelijke straf met de volgende bijzondere voorwaarden: meldplicht bij reclassering, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod en beheersing middelengebruik. De reclassering adviseert dadelijke uitvoerbaarheid van deze voorwaarden en het toezicht. Daarnaast heeft de reclassering geadviseerd dat aan de verdachte een vrijheidsbeperkende maatregel op grond van 38v Sr in de vorm van een gebiedsverbod wordt opgelegd voor de duur van maximaal twee jaren voor de adressen [adres 1], [adres 3], [adres 4] en [adres 5], allen in Rotterdam. Ook heeft de reclassering geadviseerd dat aan de verdachte op grond van artikel 38v Sr een contactverbod voor de duur van maximaal twee jaren met de beveiliger de Albert Heijn wordt opgelegd. De reclassering adviseert deze 38v-maatregelen dadelijk uitvoerbaar te verklaren.

De straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt. De rechtbank zal een deel van die straf voorwaardelijk opleggen, met een proeftijd van drie jaren en daaraan de door de reclassering geadviseerde voorwaarden verbinden (meldplicht, opname in een zorginstelling, ambulante behandeling met mogelijke kortdurende opname, verblijf in begeleid wonen of maatschappelijke opvang, contactverbod met alle aangevers en beheersing in middelengebruik), om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken en te bewerkstelligen dat een oplossing wordt gevonden voor de problematiek van de verdachte en zo de kans op recidive terug te dringen. Alles afwegend acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, met aftrek van het voorarrest, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaren, met oplegging van de hierna gespecificeerde bijzondere voorwaarden passend en geboden.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf dat gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Gelet op het hoge recidiverisico is de rechtbank van oordeel dat er ernstig rekening mee moet worden gehouden dat de verdachte wederom een dergelijk misdrijf zal begaan. Daarom zal de rechtbank bevelen dat de hierna op grond van artikel 14c Sr te stellen voorwaarden en het op grond van artikel 14c Sr uit te oefenen toezicht dadelijk uitvoerbaar zijn.

De 38z-maatregel

Aan de wettelijke vereisten voor de oplegging van een maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking als bedoeld in artikel 38z lid 1 Sr is voldaan. Zoals volgt uit het voorgaande wordt de verdachte veroordeeld wegens misdrijven die gevaar veroorzaken voor de onaantastbaarheid van het lichaam van personen. Naar het oordeel van de rechtbank is de oplegging van de maatregel in het belang van de bescherming van de veiligheid van anderen. De rechtbank heeft daarbij gelet op het hoge risico op recidive en de problematiek van de verdachte. De rechtbank zal daarom de 38z-maatregel opleggen.

7. De vorderingen van de benadeelde partijen/de schadevergoedingsmaatregelen

De vordering van de benadeelde partij [aangever 2]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 2.503,95, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit € 1.003,95 aan materiële schade en € 1.500, - aan immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard vanwege de bepleite vrijspraak. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de post van de harde schijf moet worden afgewezen, aangezien er ten aanzien van de harde schijf in het dossier niets is opgenomen. De verdediging heeft verzocht de immateriële schade te matigen.

Het oordeel van de rechtbank

Materiële schade

De benadeelde partij heeft de schade ten aanzien van de laptop (€ 859, -), harde schijf Samsung 980 Pro (€ 72,95) en rugzak (€ 72, -) naar het oordeel van de rechtbank voldoende onderbouwd. Op grond van het dossier staat voor de rechtbank voldoende vast dat de benadeelde partij door de gedwongen afgifte van zijn tas ook de harde schijf is kwijtgeraakt aan de verdachte. Gelet op het voorgaande kan dan ook worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks schade heeft geleden door de bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde feiten, ter grootte van het gevorderde bedrag.

Immateriële schade

Gelet op wat de rechtbank heeft overwogen over de ernst van het feit is de normschending voor de benadeelde partij zo voor de hand liggend, dat een aantasting in de persoon op andere wijze in de zin van artikel 6:106, aanhef en onder b, van het Burgerlijk Wetboek (BW) kan worden aangenomen. Gelet op wat door de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 1.500, -.

Totaal toegewezen

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van € 2.503,95, bestaande uit € 1.003,95 aan materiële schade en € 1.500, - aan immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 27 maart 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor de bij dagvaarding I onder 2, 3 en 4 bewezenverklaarde strafbare feiten worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door deze feiten aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.503,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 2].

De vordering van de benadeelde partij [aangever 3]

heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 500, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

Het oordeel van de rechtbank

Immateriële schade

Gelet op wat namens de benadeelde partij ter toelichting op zijn vordering is aangevoerd, zal de rechtbank de geleden immateriële schade naar billijkheid vaststellen op een bedrag van € 500, -. Voor een nadere toelichting verwijst de rechtbank kortheidshalve naar de toelichting die is gegeven ten aanzien van de door [aangever 2] gevorderde immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 28 april 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bij dagvaarding II onder 2 bewezenverklaarde strafbare feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500, -, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald ten behoeve van [aangever 3].

De vordering van de benadeelde partij Olala Chocolade

Olala Chocolade heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 300, -, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Dit bedrag bestaat uit materiële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot toewijzing van de vordering van de benadeelde partij. Het KVK-uittreksel ontbreekt, maar volgens de officier van justitie is het duidelijk dat [aangever 4] de gemachtigde is, aangezien [aangever 4] ook aangifte heeft gedaan namens Olala Chocolade.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk moet worden verklaard, aangezien een volmacht of een KVK-uittreksel ontbreekt.

Het oordeel van de rechtbank

Niet-ontvankelijk

De rechtbank zal de benadeelde partij niet-ontvankelijk verklaren in de vordering, aangezien [aangever 4] bij de vordering van de benadeelde partij geen volmacht of KVK-uittreksel van Olala Chocolade heeft toegevoegd waaruit blijkt dat hij bevoegd is het bedrijf te vertegenwoordigen.

Proceskosten

De rechtbank ziet aanleiding om te bepalen dat de verdachte en de benadeelde partij ieder de eigen kosten dragen.

8. Het in beslag genomen voorwerp

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft voorts gevorderd dat het op de lijst van in beslag genomen voorwerpen (beslaglijst, die als bijlage III aan dit vonnis is gehecht) onder 1 genoemde voorwerp (€ 116,40) zal worden verbeurdverklaard, aangezien dit geldbedrag van diefstal afkomstig zou zijn.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van het in beslag genomen voorwerp.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat er geen verband kan worden aangetoond tussen de strafbare feiten en het in beslag genomen geldbedrag. Nu het belang van de strafvordering zich daartegen niet meer verzet, zal de rechtbank de teruggave aan [verdachte] gelasten van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp (€ 116,40).

9. De vordering tot tenuitvoerlegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering van 3 november 2025 dat de bij parketnummer 10/052487-25 door de politierechter in de rechtbank Rotterdam op 21 februari 2025 voorwaardelijke opgelegde straf van 14 dagen gevangenisstraf, ten uitvoer wordt gelegd wegens niet naleven van de algemene voorwaarden.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot tenuitvoerlegging van de eerder voorwaardelijk opgelegde straf moet worden afgewezen. Subsidiair heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat de proeftijd van de voorwaardelijke straf moet worden verlengd.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de vordering van de officier van justitie van 3 november 2025 tot tenuitvoerlegging van het voorwaardelijk deel van de opgelegde gevangenisstraf (14 dagen gevangenisstraf) toewijzen, nu uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken dat verdachte de algemene voorwaarde niet heeft nageleefd. De verdachte heeft zich voor het einde van de proeftijd die bij vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 21 februari 2025 was vastgesteld, wederom schuldig gemaakt aan strafbare feiten.

10. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregelen zijn gegrond op de artikelen:

14a, 14b, 14c, 36f, 38z, 57, 63, 282, 311, 312 en 317 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezenverklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

11. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte de bij dagvaarding I en bij dagvaarding II ten laste gelegde feiten heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:

ten aanzien van dagvaarding I (parketnummer 10/238273-25)

feit 1:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

feit 2:

afpersing, meermalen gepleegd;

feit 3:

diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 4:

opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven;

ten aanzien van dagvaarding II (parketnummer 10/133657-25)

feit 1:

diefstal, vergezeld van geweld en bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken;

feit 2:

diefstal, gevolgd van bedreiging met geweld tegen een persoon, gepleegd met het oogmerk om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf de vlucht mogelijk te maken;

feit 3:

diefstal, vergezeld en gevolgd van geweld en bedreiging met geweld, gepleegd tegen personen met het oogmerk om die diefstal gemakkelijk te maken en om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf hetzij de vlucht mogelijk te maken, hetzij het bezit van het gestolene te verzekeren;

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 36 (ZESENDERTIG) MAANDEN;

bepaalt dat de tijd door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 12 (TWAALF) MAANDEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarden dat de veroordeelde:

- zich gedurende de proeftijd meldt op afspraken bij Reclassering Fivoor, Marconistraat 2, 3029 AK te Rotterdam en zich daarna gedurende de proeftijd op door de reclassering te bepalen tijdstippen blijft melden bij deze instelling, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht. De reclassering zal contact met veroordeelde opnemen voor de eerste afspraak. Veroordeelde werkt indien dit door de reclassering noodzakelijk wordt geacht mee aan bewustwording van de levensstijl en middelenproblematiek. Hiertoe werkt veroordeelde binnen het reclasseringstoezicht mee aan de begeleidingsmodule Stap voor Stap;

- zich gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering nodig vindt, laat opnemen in en behandelen door de FPK Rotterdam of een soortgelijke zorginstelling, te bepalen door de voor plaatsing verantwoordelijke instantie. De opname dient aansluitend aan detentie plaats te vinden. De zorginstelling bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en aanwijzingen van de zorginstelling en de behandelaren. Als de reclassering een overgang naar ambulante zorg of verblijf in een instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang nodig vindt, werkt veroordeelde mee aan de indicatiestelling en plaatsing;

- zich gedurende de proeftijd laat behandelen door een nader te bepalen zorgverlener, te bepalen door de reclassering, zolang de reclassering de behandeling nodig vindt. De zorgverlener bepaalt de wijze van behandeling. De behandeling is gericht op psychische problematiek, verslavingsproblematiek, agressiebeheersing, cognitieve vaardigheden, sociale vaardigheden en/of andere problematiek. Gelet op de problematiek kan onderdeel van de behandeling zijn dat veroordeelde voorgeschreven medicatie zal gebruiken. Gelet op de problematiek kan hieronder ook het innemen van medicijnen vallen, als de zorgverlener dat nodig vindt. Bij een terugval in middelengebruik of verslechtering van het psychiatrische ziektebeeld kan de reclassering een indicatiestelling aanvragen voor een kortdurende opname voor crisisbehandeling, detoxificatie, stabilisatie, observatie of diagnostiek. Als de voor indicatie verantwoordelijke instantie een kortdurende opname indiceert, zal veroordeelde zich, na goedkeuring door de rechter, laten opnemen in een zorginstelling voor zeven weken of zoveel korter als de reclassering nodig vindt. De justitiële instantie die verantwoordelijk is voor plaatsing in forensische zorg, bepaalt in welke zorginstelling de opname plaatsvindt. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en de aanwijzingen die de zorginstelling geeft voor de behandeling;

- gedurende de proeftijd of zoveel korter als de reclassering dat nodig vindt, verblijft in een nader te bepalen instelling voor begeleid wonen of maatschappelijke opvang, te bepalen door de reclassering. Het verblijf start aansluitend aan een klinische opname. Veroordeelde houdt zich aan de huisregels en het dagprogramma dat de instelling in overleg met de reclassering opstelt;

- gedurende de proeftijd geen contact legt of laat leggen – direct of indirect – met de aangevers [aangever 2] (geboren op [geboortedatum 2] 2005), [aangever 1] (geboren op [geboortedatum 3] 1985), [aangeefster 1] (geboren op [geboortedatum 4] 2001), [aangever 3] (geboren op [geboortedatum 5] 2005) en [aangeefster 2] (geboren op [geboortedatum 6] 1995), zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

- gedurende de proeftijd meewerkt aan controles om zicht te krijgen op het gebruik

en het gebruik te leren beheersen van alcohol en verdovende middelen, genoemd in lijst I (harddrugs) en lijst II (softdrugs) in de Opiumwet. Deze controles kunnen bestaan uit urineonderzoek, ademonderzoek en/of speekseltest. De reclassering bepaalt hoe vaak en met welk controlemiddel wordt gecontroleerd;

geeft opdracht aan Reclassering Fivoor tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de veroordeelde gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen.

beveelt dat bovengenoemde bijzondere voorwaarden en het -op grond van artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht- uit te oefenen toezicht, dadelijk uitvoerbaar zijn;

legt aan de veroordeelde op de maatregel tot gedragsbeïnvloeding of vrijheidsbeperking

als bedoeld in artikel 38z Sr;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 2];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 2.503,95 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 27 maart 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 2];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel [aangever 2];

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 2.503,95, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 27 maart 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 2];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 25 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij [aangever 3];

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 500, - en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 28 april 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangever 3];

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel [aangever 3];

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 500,-, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 28 april 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangever 3];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 5 dagen; de toepassing van gijzeling heft de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet op;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen;

de vordering van de benadeelde partij Olala Chocolade;

bepaalt dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding;

bepaalt dat de benadeelde partij en verdachte ieder de eigen kosten dragen;

de in beslag genomen goederen;

gelast de teruggave aan [verdachte] van het op de beslaglijst onder 1 genoemde voorwerp, te weten: € 116,40;

de vordering tenuitvoerlegging van een voorwaardelijk opgelegde straf;

gelast de tenuitvoerlegging van de straf, voorwaardelijk opgelegd bij voormeld vonnis van de politierechter in de rechtbank Rotterdam d.d. 21 februari 2025, gewezen onder parketnummer 10/052487-25, te weten een gevangenisstraf voor de duur van veertien (14) dagen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S. Pereth, voorzitter,

mr. K.C.J. Vriend, rechter,

mr. J. Schaaf, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. S.A.E. Tesson, griffier,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 27 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S. Pereth
  • mr. K.C.J. Vriend
  • mr. J. Schaaf

Griffier

  • mr. S.A.E. Tesson

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?