ECLI:NL:RBDHA:2026:4576

ECLI:NL:RBDHA:2026:4576

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 07-03-2026
Zaaknummer C/09/682235 / FA RK 25-2114
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Wijziging kinderalimentatie - minimale draagkracht

Uitspraak

Alimentatie

Beschikking op het op 5 maart 2025 ingekomen verzoek van:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

bewindvoerder: OpRecht Leiden B.V.

advocaat: mr. L. Leenders te ’s-Gravenhage.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

Op 17 december 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij is verschenen: de advocaat van de man. De vrouw en de man zijn, hoewel behoorlijk opgeroepen, niet verschenen.

Verzoek en verweer

De man verzoekt de vastgestelde alimentatie in de beschikking van deze rechtbank van 14 augustus 2017 op nihil te stellen met ingang van 4 april 2017, danwel datum indiening verzoekschrift, danwel te bepalen op een in goede justitie te bepalen bijdrage met ingang van een in goede justitie te bepalen datum.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd.

Feiten

- Partijen hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.

- Zij zijn de ouders van het volgende minderjarige kind:

- - [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] ,

en de inmiddels jong-meerderjarige:

- - [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] .

- Bij beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2017 is bepaald dat de man met ingang van 5 april 2017 een bedrag van € 659,50 per maand dient te betalen ten behoeven van de kinderen van partijen.

- Bij beschikking van de kantonrechter van 26 april 2021 is een bewind ingesteld over de (toekomstige) goederen van de man van 27 april 2021 tot 1 mei 2026.

Beoordeling

Ontvankelijkheid

De man beroept zich op het vierde lid van artikel 1:401 Burgerlijk Wetboek (BW). De man voert aan dat de bijdrage destijds is vastgesteld in een procedure waar hij niets van wist. Sinds april 2021 staat hij onder bewind. Hij had eerst een bewindvoerder die zijn werk niet deed. Inmiddels heeft hij een nieuwe bewindvoerder en is hij erop gewezen dat hij nihilstelling van de alimentatieverplichting kan verzoeken. Daarom dient hij dit verzoek nu pas in.

De vrouw heeft geen verweer gevoerd tegen het verzoek van de man.

De rechtbank zal daarom de man ontvangen in het verzoek en hierna overgaan tot een inhoudelijke beoordeling om te onderzoeken of, en zo ja, in hoeverre de wijzigingsgrondslag leidt tot een wijziging van de rechterlijke uitspraak.

Inhoudelijke beoordeling

Een rechterlijke uitspraak over levensonderhoud kan worden gewijzigd of ingetrokken in het geval zij van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord, doordat bij die uitspraak van onjuiste of onvolledige gegevens is uitgegaan. Voor een wijziging op grond van dit artikel is voldoende dat verzoeker aannemelijk maakt dat bij de uitspraak is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens en dat deze als gevolg daarvan van de aanvang af niet aan de wettelijke maatstaven heeft beantwoord (zie HR 21 april 2006, ECLI:NL:HR:2006: AU9734, NJ 2006, 269).

Volgens vaste jurisprudentie kan een beroep op artikel 1:401 lid 4 BW in beginsel slagen indien de situatie waarvan bij de vaststelling van de onderhoudsbijdrage is uitgegaan, wezenlijk blijkt te verschillen van de daadwerkelijke feitelijke situatie op dat moment, of, anders gezegd indien bij de vaststelling van de alimentatie is uitgegaan van feitelijke omstandigheden die achteraf niet juist of niet volledig blijken te zijn.

Bij toepassing van lid 4 is niet van belang of het (mede) aan de verzoekende partij zelf te wijten is dat de rechter bij zijn eerdere beslissing is uitgegaan van onjuiste of onvolledige gegevens. Ook staat niet aan toewijzing van het verzoek in de weg dat de te wijzigen uitspraak niet op enig onderzoek berust, omdat de wederpartij zich aan het oordeel van de rechter heeft gerefereerd.

De man voert aan dat hij niet wist van de eerste procedure. Hij heeft niet voldoende inkomen om de vastgestelde alimentatie te betalen. Het is de afgelopen jaren ook niet mogelijk geweest om de alimentatie te betalen, waardoor een betalingsachterstand is ontstaan bij het LBIO. De man kan deze kosten niet voldoen, daarom wenst hij dat beschikking wordt herzien en dat de betalingsachterstand komt te vervallen. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de man verklaringen van zijn geregistreerde inkomen bij de belastingdienst overgelegd over de jaren 2012 tot en met 2023.

Uit de door de man overgelegde verklaringen geregistreerd inkomen is de rechtbank gebleken dat de man in de jaren 2017 tot en met 2023 een inkomen rond, en soms net onder, de bijstandsnorm had. De rechtbank volgt in dat kader de aanbevelingen van de expertgroep alimentatie, op grond waarvan bij (niet-verzorgende) ouders met een uitkering krachtens de Participatiewet of bij ouders met een inkomen tot bijstandsniveau wordt aanbevolen om een minimumdraagkracht aan te nemen. Deze minimumdraagkracht bedraagt € 25,- per maand per kind met maximum van € 50,- per maand bij twee of meer kinderen.

Gelet hierop zal de rechtbank bepalen dat de man met ingang van 5 april 2017 een bijdrage van € 50,- per maand is verschuldigd voor beide kinderen samen, te weten € 25,- per kind per maand.

Jong-meerderjarigheid

Zoals hierboven onder het kopje ‘feiten’ al is vermeld, is [jongmeerderjarige] inmiddels jong-meerderjarig. Zij is op [geboortedatum 2] 2024 meerderjarig geworden. Omdat zij niet door de man niet is betrokken in deze procedure, ziet de wijziging van de alimentatie slechts op de periode dat beide kinderen minderjarig waren en dat de vrouw rechthebbende was op de alimentatie. De rechtbank zal daarom de eerder vastgestelde alimentatie ten aanzien van [jongmeerderjarige] alleen verlagen voor de periode waarin zij nog minderjarig was. De man zal daarom niet-ontvankelijk worden verklaard voor de periode vanaf 29 mei 2024.

Beslissing

De rechtbank – met wijziging in zoverre van de beschikking van deze rechtbank van 12 oktober 2017 – :

bepaalt de door de man met ingang van 5 april 2017 te betalen alimentatie voor de minderjarigen [minderjarige], geboren op [geboortedatum 1] 2011 te [geboorteplaats] op € 25,- per maand, vanaf vandaag telkens bij vooruitbetaling aan de vrouw te voldoen;

bepaalt de door de man met ingang van 5 april 2017 tot 29 mei 2024 te betalen alimentatie voor de inmiddels jong-meerderjarige [jongmeerderjarige], geboren op [geboortedatum 2] 2006 te [geboorteplaats] , op € 25,- per maand;

*

verklaart de man niet-ontvankelijk voor zover zijn verzoek ziet op de periode vanaf 29 mei 2024 met betrekking tot [jongmeerderjarige] ;

*

verklaart deze beschikking uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Deze beschikking is gegeven door mr. G. van Zeben-de Vries, rechter, bijgestaan door mr. N.C. Gantenbein als griffier, en uitgesproken op de openbare zitting van 4 februari 2026.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. G. van Zeben-de Vries

Griffier

  • mr. N.C. Gantenbein

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand