ECLI:NL:RBDHA:2026:4603

ECLI:NL:RBDHA:2026:4603

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 04-02-2026
Datum publicatie 07-03-2026
Zaaknummer C/09/694960 / FA RK 25-8799
Rechtsgebied Civiel recht; Personen- en familierecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

voorlopige voorzieningen, overeenstemming voorlopige zorgregeling, voorlopige vakantie regeling, voorlopige kinder- en partneralimentatie, niet-ontvankelijk bijdrage levensonderhoud en studie jong-meerderjarige.

Uitspraak

Voorlopige voorzieningen

Beschikking op het op 21 november 2025 ingekomen verzoekschrift van:

[de vrouw] ,

de vrouw,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. G.H.G. van Riel in Amsterdam.

Als belanghebbende wordt aangemerkt:

[de man] ,

de man,

wonende op een bij de rechtbank bekend adres,

advocaat: mr. D. van den Bout-Kuhlmann in Voorburg.

Procedure

De rechtbank heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:

De minderjarigen [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] hebben zich in een gesprek met de kinderrechter uitgelaten over de verzoeken.

Op 19 januari 2025 is de zaak op de zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:

Door de advocaat van de vrouw zijn pleitnotities overgelegd en voorgedragen.

Feiten

Verzoek en verweer

De vrouw verzoekt hoe dat na wijziging nu luidt, bij wijze van voorlopige voorziening, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

- een voorlopige zorgregeling en verdeling van (school)vakanties en feestdagen voor dit schooljaar vast te stellen inhoudende dat:

verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de vrouw;

- vanaf vrijdag (wisselmoment na school) tot en met woensdag (wisselmoment

na school) verblijft [de minderjarige 2] bij de man. Tot het wisselmoment op woensdag ligt de

verantwoordelijkheid voor [de minderjarige 2] bij de man;

- te bepalen dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum van indiening van dit verzoekschrift dient te voldoen, dan wel, subsidiair

te bepalen dat de man per datum van indiening van dit verzoekschrift een voorlopige onderhoudsbijdrage voor de minderjarige [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] dient te voldoen van € 191,- per kind, per maand, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen bedrag en ingangsdatum;

- te bepalen dat de man per datum van indiening van dit verzoekschrift een voorlopige

bijdrage in de kosten van levensonderhoud van de vrouw dient te voldoen van € 2.562,-

bruto per maand, dan wel een door uw rechtbank in goede justitie vast te stellen

bedrag en ingangsdatum.

De man voert verweer– welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.

Daarnaast verzoekt de man, zelfstandig voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat:

Beoordeling

Voorlopige zorgregeling

De man heeft ingestemd met de door de vrouw verzochte voorlopige zorgregeling voor de kinderen. De rechtbank zal het verzoek van de vrouw daarom als niet weersproken, op de wet gegrond en in het belang van de kinderen toewijzen.

Voorlopige vakantie- en feestdagenregeling

De vrouw heeft een verzoek ingediend tot vaststellen van een voorlopige vakantie- en feestdagenregeling waarbij volgens de vrouw de vakantie- en feestdagen evenredig tussen partijen verdeeld zijn. In het verzoek van de vrouw zijn de vakanties een uitzondering op de reguliere zorgregeling waardoor, conform de wens van partijen en de kinderen, de kinderen niet langer dan twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn. Verder stelt de vrouw dat het verzoek van de man te verwarrend is en daarom niet in het belang van de kinderen. Voor zover de man heeft gesteld dat het van belang is dat naast de zomervakantie de tweeweekse vakanties (mei- en kerstvakantie) aan één ouder worden toebedeeld, zodat de man met de kinderen buiten de zomervakantie om naar familie in het buitenland kan reizen, stelt de vrouw dat dit ook mogelijk is in de één weekse vakanties. De scholen van de kinderen hebben vaak studiedagen voor of na de vakantie waardoor een langere reis mogelijk is en partijen zijn in het verleden vaak niet langer dan tien dagen bij de familie van de man in het buitenland verbleven.

De man stelt dat bij het verzoek van de vrouw er constant een correctie moet plaatsvinden ten aanzien van de reguliere zorgregeling (het omwisselen van de even en oneven weken) om te zorgen dat de kinderen niet twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn. De man vindt dit te onrustig en niet in het belang van de kinderen. De man heeft daarom verzocht om de zomervakantie op te delen in een 1-2-2-1 schema zodat er vóór en na de zomervakantie geen aanpassingen gedaan hoeven te worden aan de reguliere zorgregeling. Voor de andere vakanties wenst de man een duidelijke verdeling die ieder jaar hetzelfde is, waarbij de kinderen tijdens de mei- en herfstvakantie altijd bij de man zijn en tijdens de kerst- en voorjaarsvakantie bij de vrouw. De man staat er open voor dat dit wordt afgewisseld in de even en oneven jaren. Naast het feit dat deze regeling volgens de man meer duidelijkheid biedt voor partijen en de kinderen, kan de man op deze wijze vaker met de kinderen naar familie in het buitenland te reizen. Een week is gelet op de aard van het bezoek en de reis ernaar toe te kort. Het familiebezoek is voor de man en de kinderen erg belangrijk, mede gelet op de leeftijd van de ouders van de man.

De rechtbank is met partijen van oordeel dat het voor partijen en de kinderen van belang is dat er duidelijkheid komt over de aankomende vakanties. Gelet op het belang van de kinderen en de wens van partijen dat de kinderen niet langer dan twee weken achtereenvolgend bij één ouder zijn, is de rechtbank tot de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling gekomen, waarbij de kinderen:

De rechtbank ziet in de wens van de man om vaker naar familie in het buitenland te gaan geen reden om de tweeweekse vakanties te verdelen op de door hem voorgestelde wijze, tegen de achtergrond dat de kinderen ook een deel van de mei- en kerstvakantie bij de vrouw moeten kunnen doorbrengen. In het voorkomende geval dat de man met de kinderen een reis wil maken die langer is dan een week zullen partijen dat in onderling overleg moeten kunnen regelen.

Voorlopige alimentatie jong-meerderjarige

De man verzoekt om een maandelijkse voorlopige bijdrage van € 242,- per maand van de vrouw in de kosten van levensonderhoud en studie van de jong-meerderjarige zoon ( [de jong-meerderjarige] ) van partijen. De man is daartoe gevolmachtigd door [de jong-meerderjarige] .

De rechtbank overweegt dat de limitatieve opsomming van voorlopige voorzieningen die hangende de echtscheidingsprocedure tussen de echtgenoten getroffen kunnen worden op grond van artikel 822, eerste lid, onderdeel d, van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) geen ruimte biedt om een voorlopige kinderalimentatie voor een

jong-meerderjarige vast te stellen. Uit de prejudiciële beslissing van 9 mei 2025 van de Hoge Raad (ECLI:NL:HR:2025:724) volgt dat het verzoek is aan te merken als een verzoek op de voet van artikel 223 Rv. De rechter kan dit verzoek gelijktijdig behandelen met de verzoeken van partijen om voorlopige voorzieningen, maar dat kan alleen als ook een bodemprocedure door of namens [de jong-meerderjarige] is gestart. De rechtbank constateert dat dat niet het geval is. Daarom zal de rechtbank de man niet-ontvankelijk verklaren in dit verzoek.

Ten overvloede overweegt de rechtbank dat partijen overeenstemming hebben over de behoefte van [de jong-meerderjarige] en dat de niet-ontvankelijk verklaring onverlet laat dat partijen in onderling overleg afspraken zullen moeten over de bijdrage in het levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] en hoe die kosten aan [de jong-meerderjarige] , die nog thuis woont, zullen worden voldaan.

Voorlopige kinderalimentatie

De vrouw verzoekt primair dat de man de verblijfsoverstijgende kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] per datum van indiening van dit verzoekschrift dient te voldoen. De rechtbank wijst dit af. Voor een dergelijke afspraak is het nodig dat partijen in goed onderling overleg afspraken kunnen maken en dat lukt hen niet. Daarom zal de rechtbank de voorlopige kinderalimentatie vaststellen. Daarbij geldt het uitgangspunt dat de ouder bij wie het kind het hoofdverblijf heeft de verblijfsoverstijgende kosten voldoet. De kinderen staan bij de vrouw ingeschreven en zal de dus de verblijfsoverstijgende kosten van de kinderen moeten voldoen.

Ingangsdatum

Tussen partijen is de ingangsdatum in geschil. De rechtbank acht het in deze voorlopige voorzieningenprocedure redelijk om, conform de hoofdregel van artikel 822 lid 2 Rv, de datum van deze beschikking als ingangsdatum te hanteren.

Behoefte

Partijen zijn het erover eens dat de behoefte van [de jong-meerderjarige] € 654,- per maand bedraagt en de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] € 643,- per kind per maand (totaal € 1.940) in 2026.

Draagkracht vrouw

Partijen zijn het eens dat voor de draagkracht van de vrouw ten aanzien van de kinderalimentatie haar meest recente loonstrook als uitgangspunt genomen moet worden voor de berekening van haar draagkracht.

De rechtbank zal dan ook de loonstrook van december 2025 van de vrouw als uitgangspunt nemen en rekening houden met:

Verder houdt de rechtbank met de volgende fiscale heffingskortingen:

De rechtbank zal daarnaast rekening houden met een kindgebonden budget en de alleenstaande ouderkop.

De rechtbank berekent het NBI van de vrouw op € 5.257,- per maand en de draagkracht van de vrouw voor de voorlopige kinderalimentatie op € 1.620,- per maand in 2026.

Draagkracht man

Hoewel de vrouw vraagtekens zet bij het inkomen van de man gelet, sluit zij in het kader van deze voorlopige voorzieningen aan bij de door de man gestelde salarisgegevens zoals blijkt uit zijn loonstrook van januari 2026.

De rechtbank zal dan ook rekening houden met:

Verder houdt de rechtbank met de volgende fiscale heffingskortingen:

De rechtbank berekent het NBI van de man op € 7.442,- per maand en de draagkracht van de man voor de voorlopige kinderalimentatie op € 2.691,- per maand in 2026.

Zorgkorting

Partijen zijn het erover eens dat er rekening gehouden moet worden met een zorgkorting van 35%. De behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] bedraagt € 643,- per kind per maand in 2026, zodat de zorgkorting voor hen (0,35 x 643) € 225,- per kind per maand is.

Draagkrachtvergelijking

De rechtbank stelt de gezamenlijke forfaitaire draagkracht van partijen vast op (€ 1.620 + € 2.691=) € 4.311,- per maand. Omdat de totale draagkracht van partijen de behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] (€ 643 x 2 =) € 1.286,- overstijgt wordt ieders draagkracht gedeeld door de totale draagkracht vermenigvuldigd met de behoefte. Dit betekent:

het eigen aandeel van de man bedraagt: 2.691/ 4.311 x 1.286 = € 803,-

het eigen aandeel van de vrouw bedraagt: 1.620/ 4.311 x 1.286 = € 483,-

samen € 1.286,-

Van de totale behoefte van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] komt dus een gedeelte van afgerond € 803,- per maand voor rekening van de man en een gedeelte van afgerond € 483,- per maand voor rekening van de vrouw.

Na aftrek van de zorgkorting van (€ 225 x 2 =) € 450,- per maand moet de man aan de vrouw een voorlopige kinderalimentatie voor [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] betalen van (€ 803 - € 450 =) € 353,- per maand (ofwel afgerond € 177,- per kind, per maand).

Conclusie

De rechtbank zal bepalen dat de man aan de vrouw met ingang van heden een voorlopige kinderalimentatie van € 177,- per kind, per maand zal betalen.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Voorlopige partneralimentatie

Behoefte vrouw

De vrouw heeft gesteld dat voor de berekening van de behoefte van de vrouw de Hofnorm als uitgangspunt dient te geleden.

De man betwist dat voor de behoefte van de vrouw de Hofnorm als uitgangspunt genomen dient te worden. De man stelt dat de werkelijke welstand van partijen en het uitgavenpatroon aanzienlijk lager was gelet op extra hypotheekaflossingen en stortingen op de spaarrekening(en) van partijen. De man stelt dat het op de weg van de vrouw lag om aan de hand van een behoeftelijst aan te tonen wat haar behoefte is, iets wat zij niet heeft gedaan.

De rechtbank neemt de Hofnorm tot uitgangspunt omdat het hier een voorlopige voorzieningenprocedure betreft. De rechtbank zal de huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw dus berekenen aan de hand van de Hofnorm. Hierbij wordt de behoefte van de onderhoudsgerechtigde vastgesteld op 60% van het netto besteedbaar gezinsinkomen ten tijde van het uiteengaan van partijen minus de kosten van de kinderen.

De rechtbank berekent het netto besteedbaar gezinsinkomen in 2025 op € 11.505,- per maand. Hiervan moeten de kosten van de (drie) kinderen in 2025 worden afgetrokken, zodat een bedrag van € 9.660,- per maand (€ 11.505 - € 1.845 ) beschikbaar is voor het levensonderhoud van partijen. De huwelijksgerelateerde behoefte van de vrouw bedraagt dan volgens de Hofnorm afgerond € 5.796- netto per maand in 2025 (60% van € 9.660,- per maand). Geïndexeerd naar 2026 is dit € 6.063,- per maand.

Behoeftigheid

Van behoeftigheid is sprake als de vrouw niet voldoende inkomsten heeft om in haar eigen levensonderhoud te voorzien en zich die in redelijkheid ook niet kan verwerven. De man betwist dat de vrouw behoeftig is. Hij voert ter onderbouwing daarvan aan dat de vrouw een verdiencapaciteit heeft om in de hiervoor berekende (aanvullende) behoefte te voorzien.

Echter, wordt in het kader van de voorlopige voorzieningen procedure zoveel als mogelijk aangesloten bij de actuele situatie van partijen. De vraag of rekening moet worden gehouden met een verdiencapaciteit aan de kant van de vrouw bij het berekenen van een voorlopige partneralimentatie, vergt nader onderzoek waarvoor in deze voorlopige voorzieningenprocedure geen ruimte is. De rechtbank gaat daarom voorbij aan de stelling van de man op dit punt. De rechtbank merkt daarbij nadrukkelijk op dat in de bodemprocedure de partneralimentatie definitief kan worden berekend en vastgesteld, waarbij de verdiencapaciteit van de vrouw één van de verschillende factoren is waarmee rekening kan worden gehouden.

Aanvullende behoefte

Op de hiervoor berekende netto behoefte van de vrouw van € 6.063,- per maand in 2026 moet in mindering worden gebracht haar netto besteedbaar inkomen. De rechtbank zal hier bovenop enkel haar aandeel in de kosten van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] optellen zover dit aandeel niet door het door de vrouw ontvangen kindgebonden budget wordt gedekt. De kosten van [de jong-meerderjarige] worden hierin niet meegenomen omdat de vrouw nu geen bijdrage levert aan de kosten van levensonderhoud en studie van [de jong-meerderjarige] . Indien partijen in de loop van de bodemprocedure hier onderling afspraken over maken vertrouwt de rechtbank erop dat (de advocaten van) partijen een nieuwe berekening zullen maken rekening houdend met het aandeel van de vrouw in deze bijdrage. Het voorgaande leidt tot een aanvullende behoefte van de vrouw van € 821,- netto per maand. Dat is € 1.916,- bruto per maand.

Draagkracht man

De rechtbank berekent de draagkracht van de man voor voorlopige partneralimentatie aan de hand van dezelfde gegevens als voor zijn draagkracht voor voorlopige kinderalimentatie. Voor kinderalimentatie heeft de man een NBI van € 7.442,-. Omdat het NBI van de man hoger is dan € 2.125,- per maand, zal de rechtbank voor de bepaling van zijn draagkracht volgens de aanbevelingen van de expertgroep de daarbij behorende draagkrachtformule van 60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310,-)] toepassen. Hieruit volgt een draagkracht van de man van € 2.306,- per maand (60% x [NBI – (0,3 x NBI + € 1.310)]). Hierop wordt het aandeel van de man voor alle drie de kinderen in mindering gebracht nu [de jong-meerderjarige] bij de man verblijft en de man tot dusver in de kosten van levensonderhoud en studie voorziet. Dit is totaal € 1.211,- per maand (te weten twee maal de zorgkorting en de kosten van [de jong-meerderjarige] ). De man heeft daarom nog een draagkracht beschikbaar van € 1.095,- per maand. Gebruteerd komt dit neer op € 1.753,- per maand. De rechtbank zal dit vaststellen eveneens per datum beschikking vastleggen.

Conclusie

Het voorgaande brengt met zich dat de rechtbank de door de man, met ingang van heden, te betalen voorlopige partneralimentatie zal vaststellen op € 1.753,- per maand. Het meer of anders verzochte zal de rechtbank afwijzen.

Aanhechten berekening

De door de rechtbank gemaakte berekeningen zijn aan deze beschikking gehecht en maakt daarvan deel uit.

Beslissing

De rechtbank:

*

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 1] voorlopig:

- om de week bij elke ouder zal verblijven, waarbij het wisselmoment op zondagavond rond 20.30 uur is. Gezien zijn leeftijd staat het [de minderjarige 1] vrij, in overleg met zijn ouders, anders te beslissen. Wanneer [de minderjarige 1] 18 jaar wordt zal hij zelf beslissen wanneer hij bij welke ouder verblijft;

bepaalt dat de minderjarige [de minderjarige 2] voorlopig:

- in een 2-2-5-5 schema bij iedere ouder verblijft, inhoudende dat [de minderjarige 2] :

*

stelt de volgende voorlopige vakantie- en feestdagenregeling vast waarbij de kinderen:

*

bepaalt dat de man aan de vrouw, met ingang van 2 februari 2026 voorlopig een kinderalimentatie ten behoeve van [de minderjarige 1] en [de minderjarige 2] van € 177,- per kind, per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

bepaalt dat de man aan de vrouw met ingang van 2 februari 2026 voorlopig een partneralimentatie van € 1.753,- per maand zal betalen, telkens bij vooruitbetaling te voldoen;

*

verklaart deze beschikking tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

*

wijst af het meer of anders verzochte.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?

⚡ Powered by
Hostinger Hosting
Betrouwbare hosting vanaf €1.99/maand