RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 januari 2026 in de zaak tussen
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.62313
(gemachtigde: mr. S. Faber),
en
(gemachtigde: mr. R.L.F. Zandbelt).
1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van bewaring die de minister aan eiser heeft opgelegd. Eiser is het daar niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank of de minister de maatregel van bewaring mocht opleggen.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de maatregel van bewaring aan eiser mocht opleggen. Het zicht op uitzetting ontbreekt niet en het betoog van eiser dat hij in het detentiecentrum onvoldoende toegang heeft tot psychische zorg kan niet leiden tot onrechtmatigheid van de bewaring. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft op 20 november 2025 de maatregel van bewaring aan eiser opgelegd.
De minister heeft de rechtbank op 17 december 2025 van de maatregel van bewaring in kennis gesteld. De rechtbank stelt deze kennisgeving gelijk met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om het toekennen van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 30 december 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser en zijn gemachtigde (beiden via een beeldverbinding), en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Ontbreekt het zicht op uitzetting?
3. Eiser betoogt dat het zicht op uitzetting ontbreekt. Bij de presentatie bij de Libische autoriteiten op 9 december 2025 is de Libische nationaliteit van eiser niet bevestigd, zodat de minister zijn uitzettingshandelingen nu richt op een uitzetting van eiser naar Marokko. Eiser stelt echter dat hij de Libische nationaliteit heeft, en niet de Marokkaanse nationaliteit. De uitzettingshandelingen gericht op Marokko zullen daarom niet leiden tot de uitzetting van eiser, zodat het zicht op uitzetting naar Marokko of Libië ontbreekt.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het zicht op uitzetting niet ontbreekt. Hoewel de Libische vertegenwoordiging heeft laten weten dat zij de (gestelde) Libische nationaliteit van eiser niet kan bevestigen, is niet gebleken dat de Marokkaanse vertegenwoordiging al op de aanvraag om een laissez-passer heeft gereageerd. De rechtbank leidt hieruit af dat zij deze aanvraag nog steeds in behandeling heeft. Daarom en gelet op het feit dat eiser in zijn asielprocedure in 2016 zelf de Marokkaanse nationaliteit heeft opgegeven, kan niet worden gezegd dat zicht op uitzetting naar Marokko ontbreekt op de grond dat hij de Marokkaanse nationaliteit niet zou bezitten. Daar komt nog bij dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij de Libische nationaliteit bezit en (dus) niet in het bezit is van de Marokkaanse nationaliteit. Eiser heeft immers voorafgaand aan de inbewaringstelling en op de zitting verklaard dat hij geen inspanningen heeft verricht om aan Libische identiteitsdocumenten te komen.
Leidt het ontbreken van psychische hulp tot onrechtmatigheid van de bewaring?
4. Eiser betoogt dat hij in het detentiecentrum geen toegang heeft tot psychische zorg. Eiser stelt dat hij psychische klachten heeft en dat hij gedurende de maand die hij nu in het detentiecentrum verblijft meermaals heeft verzocht om psychische zorg, maar dat hij die zorg niet krijgt. Het uitgangspunt dat de medische zorg in het detentiecentrum gelijkwaardig is aan de zorg in de vrije maatschappij geldt dus niet voor eiser.
Dit betoog slaagt niet. Nog daargelaten dat eiser zijn betoog niet heeft onderbouwd, komt dit betoog erop neer dat hij de medische zorg op het detentiecentrum niet adequaat of voldoende (toegankelijk) vindt. De rechtbank mag daar in het kader van een beroep tegen een maatregel van bewaring echter geen oordeel over geven, zodat dit betoog van eiser niet kan leiden tot het oordeel dat de maatregel van bewaring onrechtmatig is.
Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?
5. Los van de door eiser aangevoerde beroepsgronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet (langer) is voldaan.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de maatregel van bewaring in stand blijft. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. De minister hoeft de proceskosten van eiser niet te vergoeden.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M.C. Schuurman-Kleijberg, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden.