Gezag
Beschikking op het op 9 december 2024 ingekomen verzoek van:
[de moeder],
de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. H. Polat te Rijswijk.
Als belanghebbende wordt aangemerkt:
[de vader],
de vader,
zonder vaste woon- of verblijfplaats.
Procedure
De rechtbank heeft kennis genomen van de stukken, waaronder het verzoekschrift.
Op 9 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld. Hierbij zijn verschenen:
[minderjarige] is in de gelegenheid gesteld zich uit te laten over het verzoek, maar zij heeft hier geen gebruik van gemaakt.
Verzoek en verweer
Het verzoekschrift strekt tot beëindiging van het gezamenlijk gezag, in die zin dat de moeder verzoekt voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad te bepalen dat voortaan alleen aan de moeder het gezag over [minderjarige] toekomt.
De moeder doet haar verzoek steunen op de stelling dat de omstandigheden zijn gewijzigd.
De vader heeft geen verweer gevoerd.
Feiten
- Partijen zijn gehuwd geweest van [datum 1] 2014 tot [datum 2] 2020.
- In de beschikking van deze rechtbank van 2 maart 2020 is de echtscheiding uitgesproken en het ouderschapsplan in de beschikking opgenomen.
- Partijen zijn de ouders van het volgende nog minderjarige kind:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats 1].
- Partijen oefenen het gezamenlijk gezag over [minderjarige] uit.
- [minderjarige] heeft de hoofdverblijfplaats bij de moeder.
Beoordeling
De moeder verzoekt om haar voortaan met eenhoofdig gezag over [minderjarige] te belasten. De vader stemt in met dit verzoek. De ouders zijn het erover eens dat het vanwege de geplande emigratie van de moeder en [minderjarige] naar [land] in het belang van [minderjarige] is dat de moeder met het eenhoofdig gezag over haar wordt belast.
Omdat beëindiging van het gezamenlijk gezag niet ter vrije bepaling van de ouders staat, zal de rechtbank beoordelen of eenhoofdig gezag door de moeder in dit geval in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is.
Wettelijk kader
Op grond van artikel 1:253n, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek (hierna: BW) kan op verzoek van de niet met elkaar gehuwde ouders of één van hen het gezamenlijk gezag dat na ontbinding van het huwelijk door echtscheiding in stand is gebleven worden beëindigd, indien nadien de omstandigheden zijn gewijzigd. Zoals blijkt uit artikel 1:253n, tweede lid, BW zijn de gronden van artikel 1:251a, eerste lid, BW, van overeenkomstige toepassing. Het gezamenlijk gezag kan derhalve worden beëindigd, indien: (a) er een onaanvaardbaar risico is dat het kind klem of verloren zou raken tussen de ouders en niet te verwachten is dat hierin binnen afzienbare tijd voldoende verbetering zou komen, of (b) wijziging van het gezag anderszins in het belang van het kind noodzakelijk is.
Ontvankelijkheid
De rechtbank concludeert dat er sprake is van gewijzigde omstandigheden. De moeder is namelijk van plan om samen met [minderjarige] te emigreren naar [land]. Zij is dus ontvankelijk in haar verzoek.
Inhoudelijke beoordeling
De rechtbank is van oordeel dat een wijziging van het gezag over [minderjarige] anderszins in haar belang noodzakelijk is.
Uit de stukken en dat wat op de zitting is besproken, blijkt dat de ouders de voorgenomen emigratie naar [land] uitgebreid met elkaar hebben besproken en dat zij daar beiden volledig achter staan. Beide ouders hebben op de zitting aangegeven dat zij vinden dat de verhuizing in het belang van [minderjarige] is, omdat zij verwachten dat [minderjarige] in [land] een betere toekomst zal hebben dan in Nederland. Ook hebben beide ouders verklaard dat zij het in het belang van [minderjarige] achten dat de moeder wordt belast met eenhoofdig gezag, omdat zij bang zijn dat de in Nederland gemaakte afspraken over hoe zij beslissingen over [minderjarige] nemen in [land] niet worden erkend of dat de afspraken praktisch niet uitvoerbaar zijn in verband met de afstand en het tijdsverschil.. Ook heeft de moeder aangegeven dat de [landelijke] autoriteiten eenhoofdig gezag als voorwaarde stellen voor een verblijfsvergunning in het geval dat slechts een van de ouders met het kind in [land] komt wonen. . De ouders hebben ook al concreet nagedacht over de manier waarop de vader betrokken zal blijven in het leven van [minderjarige]. Gelet op de wijze waarop de ouders de afgelopen jaren gezamenlijk invulling hebben gegeven aan de zorg voor [minderjarige] en op de constructieve wijze waarop zij na het verbreken van hun partnerschapsrelatie als ouders zijn blijven communiceren over [minderjarige] , heeft de rechtbank er alle vertrouwen in dat de vader betrokken zal blijven in het leven van [minderjarige].
Onder deze omstandigheden meent de rechtbank met de ouders dat het in het belang van [minderjarige] noodzakelijk is dat het gezamenlijk gezag van de ouders wordt beëindigd en dat de moeder belast wordt met het eenhoofdig gezag. De rechtbank zal het verzoek van de moeder daarom toewijzen.
BeslissingDe rechtbank
bepaalt dat voortaan alleen aan de moeder, [de moeder], geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats 2], [geboorteland], het gezag zal toekomen over de minderjarige:
- [minderjarige], geboren op [geboortedatum] 2015 te [geboorteplaats 1],
en verklaart deze gezagsvoorziening uitvoerbaar bij voorraad.