Rechtbank DEN HAAG
Beschikking van de kinderrechter
Ondertoezichtstelling
[de vader],
[de moeder],
Team Jeugd- en Zorgrecht
Zaaksgegevens: C/09/696282 / JE RK 25-2140
Datum uitspraak: 6 februari 2026
in de zaak naar aanleiding van het op 17 december 2025 ingekomen verzoekschrift van:
de Raad voor de Kinderbescherming, Regio Haaglanden (hierna te noemen: de Raad),
betreffende:
- [minderjarige 1]geboren op [geboortedatum 1] 2015 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 1];
- [minderjarige 2]geboren op [geboortedatum 2] 2016 te [geboorteplaats],
hierna te noemen: [minderjarige 2].
De kinderrechter merkt als belanghebbenden aan:
hierna te noemen: de vader,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. K.R.E. Blanken, te Utrecht,
hierna te noemen: de moeder,
wonende op een bij de rechtbank bekend adres,
advocaat: mr. D.M. Siemerink-Looten, te Den Haag.
De kinderrechter merkt als informant aan:
William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering, hierna te noemen: de gecertificeerde instelling.
Het procesverloop
De kinderrechter heeft kennisgenomen van de stukken, waaronder:
- het verzoekschrift;
- het bericht van de zijde van de moeder van 21 januari 2026, met bijlagen;
- het bericht van de zijde van de vader van 22 januari 2026.
Op 23 januari 2026 is de zaak ter zitting van deze rechtbank behandeld in de vorm van een gecombineerde behandeling van zowel het onderhavige verzoek als het verzoek tot wijziging van de zorgregeling (C/09/680313 FA RK 25-1136). Op laatstgenoemd verzoek is bij afzonderlijke beschikking van 6 februari 2026 beslist.
Ter zitting zijn verschenen:
[minderjarige 1] en [minderjarige 2] zijn in de gelegenheid gesteld om te reageren op het verzoek, doch hebben daarvan geen gebruik gemaakt.
Feiten
– De vader en de moeder hebben een affectieve relatie gehad met elkaar.
– De vader en de moeder zijn gezamenlijk belast met het ouderlijk gezag.
– De kinderen wonen bij de moeder.
Verzoek en verweer
Het verzoek strekt tot ondertoezichtstelling van de kinderen voor de periode van één jaar. De Raad stelt dat sprake is van een ernstig bedreiging in de sociaal/emotionele en cognitieve ontwikkeling van de kinderen.. De kinderen hebben nog altijd last van het getuige zijn van het huiselijk geweld wat tussen de ouders heeft plaatsgevonden, doordat zij er nog aan denken en in het verleden veel angsten hebben gehad. De kinderen hebben ook te maken met een conflictscheiding waardoor zij problemen hebben met de loyaliteit naar ouders en spanningen ervaren doordat de ouders elkaar beschuldigen en er wantrouwen tussen hen is. Ook school maakt zich zorgen en de kinderen zijn gemiddeld drie keer per week te laat op school, waardoor zij veel lessen missen. Het lukt de ouders niet om zelfstandig tot een constructieve communicatie te komen. De ouders zijn op dit moment voldoende bereid maar onvoldoende in staat om onder eigen verantwoordelijkheid de bedreiging weg te nemen en hulpverlening te accepteren. De verwachting is dat de ouders de verantwoordelijkheid voor de verzorging en opvoeding van de kinderen binnen een voor hen aanvaardbare termijn weer zelf kunnen dragen.
De vader heeft ingestemd met het verzochte, althans heeft zich niet tegen toewijzing daarvan verzet.
De moeder heeft verweer gevoerd, welk verweer hierna – voor zover nodig – zal worden besproken.
Beoordeling
De kinderrechter is, gelet op hetgeen uit het dossier en ter terechtzitting naar voren is gekomen, van oordeel dat de in artikel 1:255, eerste lid, van het Burgerlijk Wetboek genoemde gronden voor ondertoezichtstelling aanwezig zijn.
De concrete bedreigingen in de ontwikkeling van [minderjarige 1] en [minderjarige 2] bestaan uit het hierna volgende. De kinderen zijn gedurende de relatie van de ouders langdurig getuige geweest van huiselijk geweld. Samen met de Raad is de kinderrechter van oordeel dat de beperkte draagkracht van de moeder en de onvoorspelbaarheid in het gedrag van de vader samen zorgen voor een onveilige en instabiele omgeving. De kinderen worden hierdoor bedreigd in hun emotionele, sociale en cognitieve ontwikkeling. Er is behoefte aan rust, voorspelbaarheid en professionele begeleiding om verdere schade te voorkomen en hun ontwikkeling weer in een veiliger kader te brengen.
De ernstige ontwikkelingsbedreiging kan niet of onvoldoende worden weggenomen met vrijwillige hulpverlening. Op de zitting is namens de moeder verzocht om de ondertoezichtstelling (nog) niet uit te spreken, dan wel voor een kortere duur. De kinderrechter begrijpt dat de moeder nog niet de kans heeft gehad om te laten zien dat zij meewerkt aan hulpverlening omdat zij lange tijd op de wachtlijst heeft gestaan. Wel is de kinderrechter van oordeel dat het in het belang van de kinderen is dat ouders ondersteund worden in het inschakelen van de juiste hulpverlening, zowel voor hen zelf alsook voor de kinderen. Indien blijkt dat de ondertoezichtstelling niet langer nodig is, kan ook gedurende het jaar een verzoek worden ingediend door de jeugdbeschermer bij de Raad om de ondertoezichtstelling te beëindigen. De jeugdbeschermer kan ook een rol spelen in het vormgeven van de verdere uitbreiding van de zorgregeling, zoals opgenomen in de beschikking in de procedure met zaak- en rekestnummer C/09/680313 / FA RK 25-1136.
De kinderrechter zal daarom bepalen dat de ondertoezichtstelling per direct ingaat voor de duur van één jaar.
Beslissing
De kinderrechter:
stelt [minderjarige 1] en [minderjarige 2] van 6 februari 2026 tot 6 februari 2027 onder toezicht van William Schrikker Stichting Jeugdbescherming en Jeugdreclassering;
verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad.