ECLI:NL:RBDHA:2026:4703

ECLI:NL:RBDHA:2026:4703

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 11-02-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer C/09/681422 / HA ZA 25-217
Rechtsgebied Civiel recht; Intellectueel-eigendomsrecht
Procedure Bodemzaak
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Geldigheid en schending van overeengekomen onthoudingsverklaring. Verschuldigdheid boetes. Beroep op matiging van de boetes onvoldoende onderbouwd en afgewezen. Sprake van merkinbreuk; inbreukverbod en nevenvorderingen toegewezen. Incidentele vordering o.g.v. 194 en 195 Rv afgewezen.

Uitspraak

RECHTBANK Den Haag

Team Handel

Zaaknummer: C/09/681422 / HA ZA 25-217

Vonnis van 11 februari 2026

in de zaak van

ROADGET BUSINESS PTE. LTD.,

te Amsterdam,

eiseres,

advocaat: mr. P.L. Tjiam,

tegen

1. INTELMAGAZIJN B.V.,

te Westzaan,2. [bedrijf 1] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,3. [naam 1],

te [woonplaats] ,4. [naam 2],

te [woonplaats] ,5. [bedrijf 2] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,6. [bedrijf 3] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,7. [naam 3],

te [woonplaats] ,8. [bedrijf 4] B.V.,

te [vestigingsplaats 2] ,9. [bedrijf 5] B.V.,

te [vestigingsplaats 1] ,10. [naam 4],

te [woonplaats] ,

gedaagden,

advocaat: mr. M.A. Mak.

Eiseres zal hierna worden aangeduid als SHEIN. Gedaagden zullen afzonderlijk Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [naam 3] , [bedrijf 4] , [bedrijf 5] en [naam 4] worden genoemd, en gezamenlijk worden aangeduid als Brand Outlet.

1. De zaak in het kort

Brand Outlet houdt zich bezig met in- en verkoop van (zeer) goedkope kleding aan de consument. Toen SHEIN bemerkte dat Brand Outlet zonder haar toestemming in pop-up stores SHEIN-kleding verkocht, heeft ze een kort geding dagvaarding uitgebracht. Brand Outlet heeft daarop een Onthoudingsverklaring ondertekend. Daarop heeft SHEIN het kort geding ingetrokken. Vervolgens zijn diverse overtredingen van de Onthoudingsverklaring geconstateerd. In dit geding strijden SHEIN en Brand Outlet met name over de vragen of de Onthoudingsverklaring geldig is, of Brand Outlet een beroep op uitputting toekomt omdat zij uitsluitend handelde in communautaire retourwaren en of en hoeveel boetes zijn verbeurd.

2. De procedure

Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaardingen van 27 februari 2025, met producties EP01 t/m EP23;

- de conclusie van antwoord van 23 april 2025, met producties GP01 t/m GP12;

- de brief van Brand Outlet van 24 oktober 2025, met de aanvullende producties GP13 t/m GP18;

- de akte overlegging aanvullende producties van SHEIN van 27 oktober 2025, met producties EP24 t/m EP32;

- de per e-mail van 3 november 2025 ingediende pleitnota van SHEIN;

- de per e-mail van 3 november 2025 ingediende (concept)pleitnota van Brand Outlet;

- het e-mailbericht van SHEIN van 4 november 2025 met akte overlegging aanvullende producties EP 33-35, met producties EP33 t/m EP35;

- het e-mailbericht van Brand Outlet van 4 november 2025, met een aanvullende kostenstaat (bij wijze van aanvulling op producties GP12 en GP13).

Op 6 november 2025 heeft de mondelinge behandeling plaatsgevonden, waarvan de griffier aantekeningen heeft gemaakt. Partijen hebben vragen van de rechtbank beantwoord en hun standpunten nader toegelicht aan de hand van overgelegde pleitaantekeningen. Tijdens de mondelinge behandeling heeft Brand Outlet een geluidsfragment laten horen. Deze opname heeft zij op verzoek van de rechtbank na afloop van de mondelinge behandeling toegestuurd en maakt onderdeel uit van het procesdossier.

3. De feiten

Introductie van partijen

SHEIN is een wereldwijd opererende moderetailer. In de EER biedt zij (in ieder geval op het moment van dagvaarden) haar kleding uitsluitend aan via online webwinkels en via de officiële app. SHEIN opent daarnaast soms tijdelijke pop-up stores, waar zij haar kleding voor een korte periode aanbiedt. De Nederlandse webwinkel van SHEIN heeft de domeinnaam www.nl.shein.com.

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] drijven ondernemingen, die gezamenlijk opereren onder de handelsnaam Brand Outlet. Deze ondernemingen houden zich bezig met de in- en verkoop van (zeer) goedkope kleding aan de consument.

[naam 1] en [naam 2] zijn (indirect via hun respectieve bv’s) enig aandeelhouder en bestuurder van IntelMagazijn B.V..

[naam 1] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 1] B.V.

[naam 3] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 3] B.V. en van [bedrijf 2] B.V.

[naam 4] is enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 4] B.V. en indirect (via Novum B.V.) enig aandeelhouder en bestuurder van [bedrijf 5] B.V.

De Uniemerken van SHEIN

SHEIN is houdster van en groot aantal Uniemerken, welke zijn geregistreerd voor verschillende waren en diensten, waaronder kleding (klasse 25). SHEIN beroept zich in deze procedure op haar volgende Uniemerken (welke hierna gezamenlijk worden aangeduid als: de SHEIN-merken):

het woordbeeldmerk “SheIn” (registratienummer 013694161);

het woordmerk “SHEIN PREMIUM” (registratienummer 018245745);

het woordmerk “evoluSHEIN” (registratienummer 018700753);

het woordbeeldmerk “SHEIN Modely” (registratienummer 018874166);

het woordbeeldmerk “SHEIN MOD” (registratienummer 018874187);

het woordbeeldmerk “SHEIN Frenchy” (registratienummer 018874206);

het woordbeeldmerk “SHEIN Maternity” (registratienummer 018874256);

het woordbeeldmerk “SHEIN BAE” (registratienummer 018874257);

het woordbeeldmerk “SHEIN Mulvari” (registratienummer 018874258);

het woordbeeldmerk “SHEIN BIZwear” (registratienummer 018874263);

het woordbeeldmerk “SHEIN Belle” (registratienummer 018874267);

het woordbeeldmerk “SHEIN Blues” (registratienummer 018874279);

het woordbeeldmerk “SHEIN Najma” (registratienummer 018874288);

het woordbeeldmerk “SHEIN BASICS” (registratienummer 018874310);

het woordbeeldmerk “SHEIN EZwear” (registratienummer 018874313);

het woordbeeldmerk “SHEIN FIT+” (registratienummer 018874315);

het woordbeeldmerk “SHEIN ICON” (registratienummer 018874328);

het woordbeeldmerk “SHEIN SXY” (registratienummer 018875297);

het woordbeeldmerk “SHEIN Unity” (registratienummer 018875308);

het woordbeeldmerk “SHEIN YoungVibe” (registratienummer 018877510);

het woordbeeldmerk “SHEIN Saver” (registratienummer 018921834).

De werkwijze en de winkels van Brand Outlet

Onder de handelsnaam Brand Outlet wordt een aantal (soms pop-up) winkels verspreid over Nederland geëxploiteerd. [bedrijf 3] is binnen deze groep verantwoordelijk voor de inkoop van de kleding en de verdeling daarvan over / verkoop daarvan aan de verschillende winkels van Brand Outlet. [bedrijf 3] koopt de kleding in van handelaren die partijen kleding (van allerlei soorten en merken, waaronder ook B-keuze kleding) verzamelen en bundelen tot partijen handelswaar. [bedrijf 3] verspreidt/verkoopt deze kleding binnen Brand Outlet en aan externe afnemers.

De kleding komt zo binnen bij Brand Outlet:

Hierna wordt de kleding door de medewerkers van Brand Outlet gesorteerd en over

de winkels verspreid.

Vanaf eind september 2024 zijn in de media diverse artikelen gepubliceerd over de opening van diverse winkels met kleding van het merk SHEIN in Nederland. Onderstaande afbeeldingen zijn foto’s van de winkelpanden van Brand Outlet in Amsterdam, afkomstig uit de betreffende artikelen.

Kalverstraat 23 in Amsterdam (23 september 2024)

Kalverstraat 23 in Amsterdam (23 september 2024)

Sommaties

Op 23 september 2024 heeft de IP Counsel van SHEIN, mevrouw [naam 5] , [bedrijf 4] gesommeerd de inbreuk op de SHEIN-merken te staken en gestaakt te houden en SHEIN van documenten te voorzien waaruit blijkt dat de door [bedrijf 4] aangeboden producten originele SHEIN-producten zijn. [bedrijf 4] heeft hier, ondanks toezegging daartoe, geen gehoor aan gegeven. [naam 5] heeft op 4 oktober 2024 de sommatie richting [bedrijf 4] herhaald, en meegedeeld dat haar gebleken is dat ook [bedrijf 2] en IntelMagazijn betrokken zijn bij het aanbieden en verkopen van SHEIN-producten. De e-mailcommunicatie heeft steeds plaatsgevonden tussen [naam 5] en [naam 1] .

Ook onderstaande afbeeldingen zijn foto’s van een winkelpand van Brand Outlet in Amsterdam, afkomstig uit krantenartikelen:

Kalverstraat 23 in Amsterdam (17 oktober 2024)

Nieuwendijk in Amsterdam (19 oktober 2024)

Nieuwendijk in Amsterdam (19 oktober 2024)

Op 21 oktober 2024 heeft de advocaat van SHEIN IntelMagazijn (met kopie aan [bedrijf 4] en [bedrijf 2] ) gesommeerd de inbreuk op de SHEIN-merken te staken en gestaakt te houden, SHEIN van documenten te voorzien waaruit blijkt dat de door IntelMagazijn aangeboden producten originele SHEIN-producten zijn en een onthoudingsverklaring te tekenen. Op deze sommatiebrief is niet gereageerd.

Testaankopen

SHEIN heeft op 27 september 2024, 19 oktober 2024, 1 november 2024 en 17 november 2024, diverse testaankopen gedaan bij diverse winkels van Brand Outlet. SHEIN heeft de transactiegegevens die betrekking hebben op deze testaankopen in het geding gebracht. Daarop is te zien dat de aankoopbedragen worden geboekt op bankrekeningen op naam van [bedrijf 2] BV en [bedrijf 1] BV.

Op 5 december 2024 heeft SHEIN twee testaankopen gedaan bij winkels van Brand Outlet in Amsterdam (één in de winkel aan de Kalverstraat 172 en één in de winkel aan de Nieuwendijk 128A). De door SHEIN overgelegde transactiegegevens laten zien dat beide aankoopbedragen zijn geboekt op een bankrekening op naam van [bedrijf 5] BV.

Kort geding dagvaarding en onthoudingsverklaring

SHEIN heeft op 9 december 2024 wegens (gestelde) aanhoudende inbreuk op de SHEIN-merken een kort geding dagvaarding uitgebracht jegens Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] . SHEIN was op dat moment nog niet bekend met [bedrijf 5] en [bedrijf 3] , althans hun precieze betrokkenheid bij Brand Outlet.

Na betekening van de kort geding dagvaarding, zijn SHEIN enerzijds en Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] anderzijds een schikking overeengekomen. Partijen hebben hun afspraken vastgelegd in een Letter of Undertaking (LOU) van 13 december 2024 (hierna: de Onthoudingsverklaring). De Onthoudingsverklaring luidt als volgt:

Afbeelding verwijderd vanwege privacyredenen

SHEIN heeft, nadat de Onthoudingsverklaring is ondertekend, het kort geding ingetrokken.

Per e-mail van 18 december 2024 heeft [naam 1] ter uitvoering van onderdeel IV van de Onthoudingsverklaring enkele documenten aan SHEIN gestuurd met de volgende (voor zover hier van belang zijnde) toelichting:

“De inkoop van de artikelen heeft in Duitsland plaats gevonden, als bijlage stuur ik de inkoopfacturen en de betaalbewijzen mee. Het transport hebben wij met onze eigen bedrijfswagen geregeld. De opslag vond plaats bij [bedrijf 3] BV (…). Momenteel hebben wij nog ongeveer een kwart van de voorraad over en dit gaan wij, zoals afgesproken, tot 27 december 2024 in de uitverkoop doen in onze winkels.”

De door [naam 1] toegestuurde documenten zijn facturen van een Duitse onderneming gericht aan [bedrijf 3] BV, met in de beschrijving steeds “Retourenwaren – Textil Mix Waren”.

SHEIN heeft per email van 19 december 2024 aan (de advocaat van) [naam 1] laten weten dat de opgave van 18 december 2024 niet beantwoordt aan onderdeel IV van de Onthoudingsverklaring.

Processen-verbaal van constatering

Op 27 december 2024 heeft een door SHEIN ingeschakelde deurwaarder met een collega-deurwaarder de vier Amsterdamse winkels van Brand Outlet bezocht en een testaankoop gedaan. De deurwaarder heeft in haar proces-verbaal van diezelfde datum haar waarnemingen vastgelegd en ten aanzien van elk van deze afzonderlijke winkels de volgende overeenkomende constateringen gedaan:

“Aan geen van de muren en in de etalages van voornoemde winkel heb ik borden gezien met de tekst “Deze winkel is niet gelieerd aan SHEIN. This store is not related to SHEIN.”

“In voornoemde winkel heb ik (…) kledingstukken geteld waarin (bij de Nieuwendijk 128A en de Nieuwendijk 179 is tevens vermeld: steeksproefgewijs, rb.):

1. een label met de merknaam SHEIN door mij werd waargenomen (…)

en/of

2) een zwart afgeknipt label werd waargenomen. Op het lipje aan de binnenkant van het kledingstuk heb ik waargenomen dat er onder andere een verwijzing wordt gemaakt naar SHEIN, de tekst ‘made in China’ en een QR code die naar een website leidt, (…) De QR code heb ik steekproefsgewijs gescand. Die verwees in alle gevallen naar de website www.shein.com.”

“Alle kleding werd te koop aangeboden.”

“Op de kassabon staat bij elk aangekocht kledingstuk het woord SHEIN.”

Op 27 december 2024 heeft een door SHEIN ingeschakelde deurwaarder met een collega-deurwaarder de Rotterdamse winkel van Brand Outlet bezocht. De deurwaarder heeft in zijn proces-verbaal van constatering van diezelfde datum het volgende vastgelegd:

“heb ik (…) mij, in tegenwoordigheid van mijn collega (…), begeven naar en bevonden in de Brand Outlet te Rotterdam aan de Korte Lijnbaan 1D, (…).

Aldaar heb ik omstreeks 13.43 uur aan de buitenzijde en in de vitrines géén borden gezien met de de tekst: "Deze winkel is niet gelieerd aan SHEIN. This store is not related to SHEIN."

Vervolgens heb ik mij begeven in het voorste gedeelte van de winkel naar de uitverkoopbakken en rekken, om te zoeken naar merkjes van SHEIN en vervolgens gekeken naar de binnenkant van de kleding naar lipjes met QR code.

In de uitverkoopbakken heb ik in totaal 53 kledingstukken gevonden die waren voorzien van een kaartje met het merk SHEIN daarop en/of een label met QR code, welke QR code was gelinkt naar de website "m.shein.com".

In de rekken hebben we uiteindelijk 4 kledingstukken gezien met verwijzingen naar SHEIN.

Van de getelde kledingstukken heb ik foto's gemaakt, die in het digitaal dossier zijn geplaatst.

(…) heeft twee kledingstukken bij de Brand Outlet aangeschaft met de omschrijvingen:

SHEIN 5.99, 1 X 5.99 €

SHEIN5, 1 X 4.99 €

tezamen met tas voor een totaal van € 11,18 incl. btw

In de winkel heb ik géén borden gezien met de tekst: "Deze winkel is niet gelieerd aan SHEIN. This store is not related to SHEIN."

Op 28 december 2024 heeft een door SHEIN ingeschakelde gerechtsdeurwaarder opnieuw een bezoek gebracht aan de vier winkels van Brand Outlet in Amsterdam. In haar proces-verbaal van diezelfde datum heeft zij het volgende vastgelegd:

“heb ik (…) deurwaarder (…)

Mij, begeven naar en bevonden te Amsterdam, naar de Kalverstraat 172, Kalverstraat 23, Nieuwendijk 179 en Nieuwendijk 128A, omdat mij was verzocht vier winkels met de naam Brand Outlet te bezoeken teneinde te constateren of aldaar nog steeds SHEIN kleding word verkocht en of er verschillen zijn ten opzichte van de waarnemingen die ik heb opgenomen in mijn proces-verbaal van zevenentwintig december tweeduizend vierentwintig;

In voormelde winkels heb ik kledingstukken aangetroffen waarin:

1) een label met de merknaam SHEIN door mij werd waargenomen, (…)

en/of

2) een zwart afgeknipt label werd waargenomen. Op het lipje aan de binnenkant van het kledingstuk heb ik waargenomen dat er onder andere een verwijzing wordt gemaakt naar SHEIN, de tekst 'made in China' en een OR code die naar een website leidt, zoals op onderstaande foto's afgebeeld. De OR code heb ik steekproefsgewijs gescand. Die verwees in alle gevallen naar de website www.shein.com

(…)

De waargenomen kleding lag op dezelfde plekken en op dezelfde hoeveelheid rekken en bakken in de winkel als tijdens mijn constatering één dag eerder op 27 december 2024.

Alle kleding werd te koop aangeboden.

Op basis van mijn constatering van één dag geleden, 27 december 2024, van dezelfde vier winkels, vielen mij geen noemenswaardige verschillen op ten aanzien van de aankleding van de winkel, het kledingaanbod, en de aanprijzing van de kleding via de gele 'sale' borden.”

Nieuwe testaankopen

SHEIN heeft op 16 januari 2025 opnieuw twee testaankopen gedaan, te weten in de winkels van Brand Outlet aan de Kalverstraat 23 en aan de Nieuwendijk 179. De aankoopbedragen zijn geboekt op de bankrekeningen van [bedrijf 2] BV respectievelijk [bedrijf 1] BV. Op de kassabonnen van deze twee testaankopen zijn de gekochte producten als volgt weergegeven:

Deel kassabon testaankoop Kalverstraat 23 in Amsterdam d.d. 16 januari 2025

Deel kassabon testaankoop Nieuwendijk 179 in Amsterdam d.d. 16 januari 2025

Op 29 januari 2025 heeft SHEIN opnieuw testaankopen gedaan in de vier winkels van Brand Outlet in Amsterdam.

- Uit de door SHEIN overgelegde transactiegegevens blijkt dat het bedrag van de testaankoop op de Kalverstraat 23 ten goede is gekomen aan de bankrekening van [bedrijf 2] BV. SHEIN heeft van deze testaankoop onderstaande foto gemaakt:

- Uit de door SHEIN overgelegde transactiegegevens blijkt dat het bedrag van de testaankoop op de Kalverstraat 172 is overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 5] BV. SHEIN heeft van deze testaankoop onderstaande foto’s gemaakt:

- Uit de door SHEIN overgelegde transactiegegevens blijkt dat het bedrag van de testaankoop op de Nieuwendijk 128A is overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 5] BV.

- Uit de door SHEIN overgelegde transactiegegevens blijkt dat het bedrag van de testaankoop op de Nieuwendijk 179 is overgemaakt naar een bankrekening op naam van [bedrijf 1] BV. SHEIN heeft van deze testaankoop en bijbehorende kassabon de volgende foto’s gemaakt:

Op 17 maart 2025 heeft SHEIN een testaankoop gedaan bij de winkel van Brand Outlet aan het Binnenwegplein 20 in Rotterdam. Uit de door SHEIN overgelegde transactiegegevens blijkt dat de betaling van deze testaankoop ten gunste is gekomen van [bedrijf 2] BV. Van deze testaankoop is de volgende foto gemaakt:

Aanvullend proces-verbaal deurwaarder

Op 24 oktober 2025 heeft de door SHEIN ingeschakelde deurwaarder een proces-verbaal opgemaakt in aanvulling op haar processen-verbaal van constatering van 27 december 2024 en 28 december 2024. In dit aanvullende proces-verbaal is onder meer het volgende vastgelegd:

en

In dit aanvullende proces-verbaal zijn ook foto’s opgenomen, welke zijn genomen van en in (één van de) winkels van Brand Outlet in Amsterdam, op 27 december 2024, 28 december 2024 respectievelijk 31 januari 2025. Het gaat onder meer om foto’s van producten met een label van SHEIN, een foto van een broek met daaraan een productkaartje met de tekst ‘SHEIN CURVE’, een foto van een kledingstuk met daaraan een productkaartje met de tekst ‘SHEIN SXY’, een foto van een informatielabel in een kledingstuk, waar ‘SHEIN’ en een QR code op staat en een foto van een productkaartje met de tekst ‘SHEIN EZwear’.

Conservatoir afgiftebeslag

Op 27 januari 2025 heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank Amsterdam – na een daartoe strekkend verzoek – aan SHEIN verlof verleend tot het leggen van conservatoir beslag tot afgifte.

Op 31 januari 2025 heeft de deurwaarder in de winkel van Brand Outlet aan de Nieuwendijk 128A in Amsterdam conservatoir beslag tot afgifte gelegd op diverse kledingstukken.

Op 31 januari 2025 heeft de deurwaarder in de winkel van Brand Outlet aan de Nieuwendijk 179 in Amsterdam conservatoir beslag tot afgifte gelegd op diverse kledingstukken. In het proces-verbaal dat de deurwaarder opmaakte, is het volgende vastgelegd:

“In voornoemde winkel zijn in totaal 1231 kledingstuks geteld waarin:

1. een label of kaartje met de merknaam SHEIN werd waargenomen, zoals op onderstaande foto’s afgebeeld:

en/of

2) een zwart afgeknipt label werd waargenomen. Op het lipje aan de binnenkant van het kledingstuk werd waargenomen dat er onder andere een verwijzing wordt gemaakt naar SHEIN, de tekst ‘made in China’ en een QR code die naar de website www.shein.com leidt;

(…)

De kleding hing aan rekken in de winkel, lag in een grote bak voorin de winkel en werd aangetroffen in 4 grote karren. De karren zijn volledig gecontroleerd. Tijdens het uitpakken van de karren vielen er een aantal afgeknipte SHEIN labels op de grond, zoals op onderstaande foto afgebeeld:

Op 31 januari 2025 heeft de deurwaarder geprobeerd conservatoir beslag tot afgifte te leggen in de winkels van Brand Outlet aan de Kalverstraat 23 en de Kalverstraat 172. Uit de door de deurwaarder opgemaakte processen-verbaal blijkt dat dit niet mogelijk bleek te zijn:

“Ter plaatse bleek de kledingwinkel gesloten te zijn, aangezien de toegangsdeur op slot zat en er geen verlichting brandde. Ik zag verder ook geen personeel in de winkel lopen.”

Conservatoir verhaalsbeslag

Op 4 februari 2025 heeft de deurwaarder – in opdracht van SHEIN en na daartoe op 3 februari 2025 verkregen verlof van de voorzieningenrechter van de rechtbank Noord-Holland – conservatoir verhaalsbeslag gelegd op 1) de bij ING Bank en ABN AMRO bank aangehouden banktegoeden van Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] , en 2) de onroerende zaken van a) [naam 1] , b) [naam 2] en [naam 6] , c) [naam 3] en d) [naam 4] en [naam 7] .

Op 18 februari 2025 heeft ING Bank de door SHEIN ingeschakelde gerechtsdeurwaarder bericht dat de beslagen op de banktegoeden van Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] en [bedrijf 4] doel hebben getroffen tot een bedrag van € 142.006,37 en dat op de bankrekening van [bedrijf 5] geen tegoed is aangetroffen.

Overig

Anders dan onder III van de Onthoudingsverklaring is overeengekomen, is de voorraad SHEIN-kleding niet vernietigd. De resterende voorraad ligt opgeslagen bij Brand Outlet.

De onder V van de Onthoudingsverklaring overeengekomen betaling van een tegemoetkoming in de proceskostenvergoeding is voldaan.

Per e-mail van 18 september 2025 heeft Brand Outlet aan SHEIN bericht dat de echtgenoten van [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] de ondertekening van de Onthoudingsverklaring vernietigen voor zover die ondertekening ziet op het zich door hun echtgenoot verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar, wegens het ontbreken van de vereiste toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88 BW. SHEIN heeft per e-mail van 25 september 2025 bericht dat deze stelling van Brand Outlet niet opgaat.

4. Het geschil

In de hoofdzaak

SHEIN vordert – samengevat – dat de rechtbank bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis:

gedaagden 1 tot en met 5, 7, 8 en 10 hoofdelijk veroordeelt tot betaling van een bedrag van € 518.000,- aan verschuldigde contractuele boetes als gevolg van schending van de verplichtingen uit de Onthoudingsverklaring, vermeerderd met wettelijke rente;

Brand Outlet beveelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de SHEIN-merken in de gehele EU te staken en gestaakt te houden;

[naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] beveelt om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis iedere betrokkenheid als bestuurder, beleidsbepaler dan wel dienstverlener van een rechtspersoon bij inbreuk op de SHEIN-merken in de gehele EU te staken en gestaakt te houden;

Brand Outlet beveelt om op eigen kosten binnen twee weken van betekening van dit vonnis aan SHEIN schriftelijk opgave te doen van de herkomst en distributiekanalen van de kleding voorzien van de SHEIN-merken en/of daarmee overeenstemmende tekens die niet door of met toestemming van SHEIN in de EER in de handel is gebracht en die Brand Outlet vanaf 1 januari 2024 heeft ingekocht, geleverd gekregen, verkocht, geleverd en/of daartoe in voorraad heeft gehad, welke opgave de in de dagvaarding vermelde gegevens moet bevatten en welke moet zijn voorzien van documenten die de opgave kunnen onderbouwen;

Brand Outlet beveelt om op eigen kosten binnen twee weken na betekening van dit vonnis de bij hen resterende voorraad van de kleding voorzien van de SHEIN-merken en/of daarmee overeenstemmende tekens die niet door of met toestemming van SHEIN in de EER in de handel is gebracht, en de kleding waaruit de SHEIN-merklabels zijn verwijderd maar die nog als SHEIN-kleding zijn te herkennen als gevolg van bijvoorbeeld de QR-codes op de ingenaaide labels, onder toezicht van een deurwaarder:

primair: vast te houden op één van hun locaties, en indien het originele kleding van de SHEIN-merken betreft, over te dragen aan het Leger des Heils dan wel een andere door SHEIN aan te wijzen charitatieve instelling in Nederland;

subsidiair: te laten vernietigen,

en binnen zeven dagen na de overdracht dan wel vernietiging aan SHEIN een door de deurwaarder opgemaakt proces-verbaal toe te sturen, voorzien van afbeeldingen waaruit blijkt dat de gehele resterende voorraad van de kleding is overgedragen dan wel vernietigd;

bepaalt dat gedaagden onder 1, 2, 5, 6, 8 en 9 hoofdelijk een dwangsom verbeuren van € 20.000,- per dag of gedeelte van een dag, dan wel – ter keuze van SHEIN - € 400,- per kledingstuk waarmee deze gedaagden in strijd handelen met de onder B, D en E genoemde bevelen, met een maximum van € 2.000.000,- per gedaagde, en bepaalt dat gedaagden onder 3, 4, 7 en 10 een dwangsom verbeuren van € 10.000,- per dag of gedeelte van een dag, dan wel – ter keuze van SHEIN – € 200,- per kledingstuk waarmee deze gedaagden in strijd handelen met de onder B tot en met E genoemde bevelen, met een maximum van € 1.000.000,- per gedaagde;

Brand Outlet beveelt om binnen drie weken na betekening van dit vonnis de opgegeven nettowinst af te dragen door overmaking naar de derdengeldrekening van de advocaten van SHEIN;

Brand Outlet hoofdelijk veroordeelt tot betaling van de door SHEIN gemaakte buitengerechtelijke en beslagkosten, waaronder in elk geval het in de dagvaarding gespecificeerde bedrag van € 13.861,03, vermeerderd met wettelijke rente;

I. Brand Outlet hoofdelijk veroordeelt in de kosten ex artikel 109h Rv, vermeerderd met wettelijke rente, nakosten en wettelijke rente over de nakosten.

SHEIN legt aan deze vorderingen de volgende stellingen ten grondslag.

a. Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] hebben – op betaling van de overeengekomen proceskosten na – opzettelijk elke verplichting uit de Onthoudingsverklaring geschonden. Zij zijn daarom de volgende contractuele boetes verschuldigd:

€ 125.000 wegens schending onderdeel I van de Onthoudingsverklaring;

€ 280.500 wegens schending onderdeel II van de Onthoudingsverklaring;

€ 112.500 wegens schending onderdeel IV van de Onthoudingsverklaring;

wat optelt tot een totaal aan verschuldigde boetes van € 518.000,-.

Brand Outlet maakt inbreuk op de SHEIN-merken zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 UMVo, onder meer door 1) te handelen in niet-uitgeputte kleding voorzien van de SHEIN-merken, 2) te handelen in kleding die zichtbaar is beschadigd en waar de SHEIN-merklabels uit zijn geknipt, 3) het gebruik van de SHEIN-merken ter promotie van die kledingstukken en 4) het grootschalige en prominente gebruik van de SHEIN-merken als handelsnaam en in advertenties waardoor afbreuk wordt gedaan aan de functies van de SHEIN-merken. [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] handelen als bestuurders of beleidsbepalers van hun vennootschappen bovendien onrechtmatig jegens SHEIN.

Brand Outlet voert gemotiveerd verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van SHEIN, dan wel tot afwijzing van de vorderingen van SHEIN, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van SHEIN in de kosten van deze procedure ex artikel 1019h Rv, vermeerderd met wettelijke rente.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

In het incident

Brand Outlet verzoekt de rechtbank SHEIN te bevelen de volgende stukken in het geding te brengen:

i: afschrift van de overeenkomst met M&A Export uit Italië, die met het Poolse warehouse als vermeld in het artikel van de Zweedse journalisten en derden waaruit blijkt wat er gebeurt met de retouren van consumenten die niet zijn verkocht in de Europese Unie;

ii: afschrift van de interne rapporten/notities van SHEIN over extra communautaire parallel import waaruit blijkt dat er geen extra communautaire parallel import plaatsvindt;

iii: afschrift van interne rapporten/notities waaruit blijkt dat retouren van EU consumenten/in Europa aanwezige voorraad (gedeeltelijk) worden verhandeld door derden binnen de EU;

iv: afschrift van alle stukken waaruit blijkt hoe Spaanse en andere partijen binnen de Europese Unie over zoveel (mixed) SHEIN kleding beschikken voor verhandeling (bijvoorbeeld door lekken in het systeem).

Brand Outlet legt aan dit verzoek ten grondslag dat zij op grond van artikel 195 lid 1 Rv in combinatie met artikel 194 lid 1 Rv afschriften wenst teneinde Brand Outlet in staat te stellen aan haar bewijslast te kunnen voldoen.

Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

5. De beoordeling

In de hoofdzaak

Bevoegdheid

Voor zover de vorderingen van SHEIN gegrond zijn op haar Uniemerken, is deze rechtbank bevoegd daarvan kennis te nemen op grond van artikel 123 lid 1 in verbinding met artikel 124 aanhef en onder a en artikel 125 lid 1 UMVo in verbinding met artikel 3 van de Uitvoeringswet EG-verordening inzake het Gemeenschapsmerk, omdat elk van de gedaagden in Nederland gevestigd is. Deze bevoegdheid strekt zich uit tot de Europese Unie.

Voor zover de vorderingen van SHEIN gegrond zijn op schending van de Onthoudingsverklaring, is deze rechtbank op dezelfde grond bevoegd daarvan kennis te nemen, omdat de Onthoudingsverklaring is opgesteld ter beëindiging van een (gestelde) inbreuk op de Uniemerken van SHEIN.

Schending Onthoudingsverklaring

SHEIN legt aan haar vorderingen ten grondslag dat Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] (op de onder V van de Onthoudingsverklaring opgenomen verplichting tot het voldoen van een tegemoetkoming in de kosten na) elke verplichting voortvloeiend uit de Onthoudingsverklaring heeft geschonden.

Brand Outlet betwist deze stelling en voert daartoe (verkort weergegeven) de volgende verweren:

i. de Onthoudingsverklaring dan wel artikel II daarvan is van rechtswege nietig, op grond van artikel 101 VWEU subsidiair artikel 6 Mw;

de echtgenoten van de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en de heer [naam 4] hebben de Onthoudingsverklaring vernietigd vanwege het ontbreken van hun toestemming zoals bedoeld in artikel 1:88 BW;

er is geen sprake van overtreding van de artikelen I en II van de Onthoudingsverklaring;

Brand Outlet heeft op 18 december 2024 voldaan aan de opgaveverplichting.

De rechtbank zal deze verweren hieronder afzonderlijk bespreken.

Ad i) Beroep op nietigheid (artikel II van de) Onthoudingsverklaring vanwege strijd met mededingingsrecht

Op grond van artikel 101 lid 1 VWEU en artikel 6 lid 1 Mw zijn verboden alle overeenkomsten tussen ondernemingen die de handel tussen lidstaten ongunstig kunnen beïnvloeden en ertoe strekken (ook wel: tot doel hebben) of ten gevolge hebben dat de mededinging binnen de interne markt (dan wel de Nederlandse markt of een deel daarvan) wordt verhinderd, beperkt of vervalst. Dergelijke overeenkomsten zijn van rechtswege nietig (artikel 101 lid 2 VWEU en artikel 6 lid 2 Mw).

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de Onthoudingsverklaring niet de strekking de mededinging te verhinderen, te beperken of te vervalsen. SHEIN heeft ter handhaving van haar intellectuele eigendomsrechten een kort geding procedure tegen Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] aangespannen. Partijen hebben na het uitbrengen van de kort geding dagvaarding de Onthoudingsverklaring getekend, die volgens de eerste alinea daarvan tot doel heeft de door SHEIN aangespannen kort geding procedure vanwege vermeend merkinbreukmakend handelen geen doorgang te laten vinden. De Onthoudingsverklaring strekt er aldus toe om een tussen partijen gerezen geschil over inbreuk(en) op intellectuele eigendomsrechten te beëindigen.

Vervolgens dient beoordeeld te worden of de Onthoudingsverklaring tot gevolg heeft dat de mededinging wordt verhinderd, beperkt of vervalst. De rechtbank oordeelt dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt. Indien tussen partijen een geschil bestaat over een (vermeende) inbreuk op intellectuele eigendomsrechten, is het niet ongebruikelijk dat die partijen ter beëindiging van dat geschil een Onthoudingsverklaring ondertekenen, die er toe strekt de onrechtmatige handel in merkproducten een halt toe te roepen. Met dit doel voor ogen is ook de Onthoudingsverklaring tussen SHEIN enerzijds en Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] anderzijds tot stand gekomen, waar artikel II onderdeel van uitmaakt. Dit artikel luidt als volgt: “to cease and permanently desist from the purchase, trade, advertisement, sale and offering of any SHEIN product (i.e. any product bearing the SHEIN Trademarks)”. De rechtbank is van oordeel dat deze tekst impliceert dat het Brand Outlet in het geheel niet is toegestaan te handelen in producten voorzien van de SHEIN-merken. Deze bepaling reikt dus verder dan in het kader van het geschil tussen partijen noodzakelijk was. Het belet Brand Outlet immers ook uitgeputte SHEIN-producten te verhandelen, hetgeen onder de voorwaarden als bedoeld in artikel 15 UMVo is toegestaan. De omstandigheid dat partijen – zoals zij tijdens de mondelinge behandeling hebben bevestigd – bij het aangaan van de Onthoudingsverklaring voor ogen hadden dat Brand Outlet in het geheel zou stoppen met het verhandelen van SHEIN-producten, rechtvaardigt een dergelijk algeheel verbod op de handel in SHEIN-producten niet. Artikel II van de Onthoudingsverklaring heeft dus tot gevolg dat Brand Outlet de toegang tot de markt wordt ontzegd ook voor zover het gaat om de rechtmatige handel in producten voorzien van (één van) de SHEIN-merken. De conclusie is dus dat artikel II van de Onthoudingsverklaring voor wat betreft het staken en gestaakt houden van die rechtmatige handel in strijd is met artikel 101 lid 1 VWEU en artikel 6 lid 1 Mw en voor dat deel nietig is. Voor zover artikel II betrekking heeft op het staken en gestaakt houden van merkinbreukmakende activiteiten, is deze bepaling niet in strijd met het mededingingsrecht. Dit betekent dat artikel II van de Onthoudingsverklaring voor dat deel in stand blijft. Dit geldt ook voor de andere artikelen uit de Onthoudingsverklaring; deze artikelen staan – anders dan door Brand Outlet bepleit – op zichzelf en zijn niet onlosmakelijk verbonden met het (nietige deel van) artikel II.

De tussenconclusie luidt aldus dat artikel II van de Onthoudingsverklaring nietig is voor zover het de rechtmatige handel in SHEIN-producten in de weg staat. De Onthoudingsverklaring blijft voor het overige in stand.

Ad ii) Beroep op artikel 1:88 BW

Op grond van artikel 1:88 lid 1 onder c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor het sluiten van een overeenkomst die ertoe strekt dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Bij het ontbreken van de vereiste toestemming, kan de (andere) echtgenoot die overeenkomst vernietigen (zie artikel 1:89 lid 1 BW), tenzij de wederpartij (in dit geval SHEIN) te goeder trouw was.

Het betoog dat de echtgenotes van de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en [naam 4] de Onthoudingsverklaring rechtsgeldig hebben vernietigd voor zover het de hoofdelijke aansprakelijkheid van de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en [naam 4] betreft, moet reeds van de hand worden gewezen omdat Brand Outlet, tegenover de betwisting door SHEIN, niet heeft onderbouwd dat de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en [naam 4] ten tijde van het sluiten van de Onthoudingsverklaring getrouwd waren. Bewijsstukken van de gestelde huwelijken ontbreken. SHEIN heeft overigens ook onweersproken gesteld dat zij ten tijde van het sluiten van de Onthoudingsverklaring met de gestelde huwelijken niet bekend was. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat de Onthoudingsverklaring niet is aan te merken als een overeenkomst, waarvoor op grond van artikel 1:88 lid 1 onder c BW de toestemming van hun echtgenoten noodzakelijk was. De in de Onthoudingsverklaring neergelegde afspraken hebben de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en de heer [naam 4] immers gemaakt in het kader van hun normale bedrijfsuitoefening, zodat zij daarom geen toestemming van hun echtgenoten nodig hadden (zie artikel 1:88 lid 5 BW).

Dit alles leidt tot de conclusie dat de Onthoudingsverklaring – behoudens het nietige deel van artikel II daarvan – rechtsgeldig is overeengekomen en bindend is voor partijen. Vervolgens dient beoordeeld te worden of in strijd is gehandeld met de verplichtingen uit de Onthoudingsverklaring en of – als dat het geval is – boetes zijn verbeurd.

Ad iii: Schending artikelen I en II Onthoudingsverklaring

Het betoog van Brand Outlet dat van schending van de Onthoudingsverklaring geen sprake kan zijn omdat het door SHEIN gebruikte tekenniet wordt beschermd door het merkenrecht kan Brand Outlet niet baten. Brand Outlet is met SHEIN uitdrukkelijk overeengekomen geen inbreuk te maken op de in de Onthoudingsverklaring opgenomen SHEIN merken, waaronder het Uniebeeldmerk met nummer 0179000461. Deze overeenkomst moet Brand Outlet nakomen, ook als zij bij nader inzien van mening is dat SHEIN geen merkenrechtelijke bescherming toekomt. Bovendien betreft het een ingeschreven merk dat als geldig wordt aangemerkt. Dit geldt ook voor alle andere in de Onthoudingsverklaring opgesomde merken. SHEIN kan zich dus wel degelijk op de in de Onthoudingsverklaring opgesomde merken beroepen.

Brand Outlet heeft niet betwist dat zij originele SHEIN-kleding heeft verkocht. Ook op de andere door SHEIN ingeroepen merkregistraties, die bestaan uit het teken SHEIN voorafgegaan of gevolgd door een ander tekstelement, kan SHEIN een beroep doen, omdat naar het oordeel van de rechtbank in alle ingeroepen merken het element ‘SHEIN’ het onderscheidende bestanddeel is. Voor deze zaak betekent dat, dat het er niet toe doet van welk specifiek SHEIN-merk de bij Brand Outlet aangetroffen kleding voorzien was; de enkele aanwezigheid van het teken ‘SHEIN’ is voldoende om tot merkinbreuk te kunnen concluderen omdat in dat geval sprake is van gebruik van een teken dat gelijk is aan of overeenstemt met het merk terwijl dat teken gebruikt wordt voor dezelfde waren of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven (art. 9 lid 2 onder b UMVo).

> Reikwijdte artikelen I en II Onthoudingsverklaring

Partijen twisten over de vraag wat de reikwijdte is van de artikelen I en II van de Onthoudingsverklaring. Brand Outlet stelt dat artikel I enkel betrekking heeft op de inrichting van de winkel en dat artikel II ziet op de verhandeling van kleding die voorzien is van de SHEIN-merken. SHEIN betwist deze lezing van de Onthoudingsverklaring, in die zin dat artikel I – aldus SHEIN – niet slechts betrekking heeft op de inrichting van de winkel, maar op álle vormen van inbreuk op de SHEIN-merken.

De vraag hoe in een schriftelijk contract de verhouding tussen partijen is geregeld, kan niet worden beantwoord op grond van alleen maar een zuiver taalkundige uitleg van de bepalingen van dat contract. Voor de beantwoording van die vraag komt het aan op de zin die partijen in de gegeven omstandigheden over en weer redelijkerwijs aan de bepalingen uit die overeenkomst mochten toekennen en wat zij redelijkerwijs van elkaar mochten verwachten (het zogeheten 'Haviltex-criterium'). Dit betekent niet dat zomaar voorbij zou kunnen worden gegaan aan de gebruikte bewoordingen. In praktische zin zullen deze bewoordingen en de taalkundige betekenis daarvan steeds van belang zijn, waarbij geldt dat daaraan, afhankelijk van de specifieke omstandigheden van het geval, meer of minder gewicht dient te worden toegekend. Maar ook indien bij de uitleg van een overeenkomst groot gewicht toekomt aan de taalkundige betekenis van de gekozen bewoordingen, kunnen de overige omstandigheden van het geval meebrengen dat een andere (dan de taalkundige) betekenis aan de bepalingen van de overeenkomst moet worden gehecht. Beslissend blijft het Haviltex-criterium.

De rechtbank stelt vast dat de Onthoudingsverklaring die partijen na het uitbrengen van een kort geding dagvaarding gesloten hebben, gericht was op het beëindigen van een tussen hen gerezen commercieel geschil en dat zij met het ondertekenen van de Onthoudingsverklaring de gang naar de kort geding rechter hebben willen voorkomen. De rechtbank beschikt niet over stukken die de vraag beantwoorden hoe de Onthoudingsverklaring vorm en inhoud heeft gekregen; partijen zijn het daar ook niet over eens. SHEIN stelt dat er met de destijds door Brand Outlet ingeschakelde advocaat onderhandeld is over de inhoud van de Onthoudingsverklaring; Brand Outlet betwist dit en stelt dat de door SHEIN voorgestelde onthoudingsverklaring na raadpleging van een bevriende advocaat één op één is ondertekend.

Bij gebrek aan documenten waaruit de bedoeling van partijen blijkt, valt de rechtbank terug op de taalkundige betekenis van de tekst van de Onthoudingsverklaring. De letterlijke bewoordingen van artikel I zijn: “to immediately refrain from any form of infringement of the SHEIN Trademarks” (onderstreping rb). Deze bewoordingen impliceren dat artikel I van de Onthoudingsverklaring betrekking heeft op álle vormen van inbreuk op de SHEIN-merken. Deze lezing vindt steun in de formulering van vordering I van het petitum van de door SHEIN betekende kort geding dagvaarding, die de aanleiding vormde voor de totstandkoming van de Onthoudingsverklaring, waarin gevorderd was “iedere inbreuk op de SHEIN-merken in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden” (onderstreping rb). Deze taalkundige uitleg van artikel I van de Onthoudingsverklaring biedt geen ruimte voor de door Brand Outlet bepleite (beperkte) lezing daarvan.

> Schending artikel I van de Onthoudingsverklaring?

De rechtbank stelt voorop dat artikel I van de Onthoudingsverklaring algemeen is geformuleerd, in die zin dat Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] zich dienden te onthouden van ‘any form of infringement of the SHEIN Trademarks’. Daarbij is niet gespecificeerd welke handelingen door partijen als inbreukmakend worden aangemerkt. Aangezien artikel I van de Onthoudingsverklaring (zoals ook blijkt uit de aanhef van de Onthoudingsverklaring) is opgesteld in vervolg op de door SHEIN uitgebrachte kort geding dagvaarding, ligt het in de rede om bij de beantwoording van de vraag welke handelingen als inbreukmakend in de zin van de Onthoudingsverklaring moeten worden aangemerkt, aan te sluiten bij de grondslag van de vorderingen in kort geding, te weten merkinbreuk zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 UMVo.

In artikel 9 lid 2 aanhef UMVo is neergelegd dat een merkhouder iedere derde kan verbieden om zonder toestemming van de merkhouder in het economische verkeer gebruik te maken van een teken dat a) gelijk is aan het merk en wordt gebruikt voor waren of diensten die gelijk zijn aan die waarvoor het merk is ingeschreven, of b) gelijk is aan of overeenstemt met het merk en wordt gebruikt voor dezelfde waren of diensten als waarvoor het merk is ingeschreven, indien daardoor verwarring bij het publiek kan ontstaan.

SHEIN stelt dat Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] artikel I van de Onthoudingsverklaring hebben geschonden door merkinbreuk te plegen. Deze merkinbreuk bestaat volgens SHEIN in de eerste plaats uit het in de periode tussen 13 december 2024 (de datum van de Onthoudingsverklaring) tot en met de 27 december 2024 (de laatste dag van de uitverkooptermijn overeenkomstig artikel II van de Onthoudingsverklaring) te koop aanbieden van SHEIN-kleding waar de merklabels uit waren verwijderd. In de tweede plaats bestaat de merkinbreuk uit het verkopen van SHEIN-kleding na de uitverkooptermijn, zonder dat ten aanzien van die kleding een bewijs van uitputting is geleverd. SHEIN heeft deze stellingen onderbouwd met de processen-verbaal van constatering van de deurwaarders op 27 december 2024 en 28 december 2024 (zie hiervoor onder 3.18 tot en met 3.24), de testaankopen die gedaan zijn op 16 en 29 januari 2025 (zie hiervoor onder 3.21 en 3.22) en het proces-verbaal dat de deurwaarder heeft opgemaakt bij het conservatoir beslag tot afgifte (zie hiervoor onder 3.27).

Naar de rechtbank begrijpt, gaat SHEIN er mede gezien de constateringen van de deurwaarder ten aanzien van beide categorieën kleding (met en zonder merklabel) vanuit dat het originele SHEIN-producten zijn; Brand Outlet heeft dit ook niet betwist. SHEIN stelt dat zij voor het verhandelen van deze producten geen toestemming aan Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] heeft gegeven. Vaststaat dat SHEIN (in elk geval op het moment van dagvaarden) haar kleding uitsluitend online verkoopt aan consumenten in Europa dan wel in tijdelijke pop up stores. Dit brengt mee dat SHEIN geen partijen verkoopt aan zakelijke afnemers in Europa. In zoverre is sprake van een situatie als bedoeld in artikel 9 lid 2 aanhef onder a dan wel b UMVo. Anders dan Brand Outlet kennelijk meent, kan SHEIN volstaan met de stelling dat haar het verbodsrecht uit voornoemde bepaling toekomt vanwege het ontbreken van de vereiste toestemming. Het is dan aan Brand Outlet om terzake verweer te voeren.

Brand Outlet heeft verder niet betwist dat zij kleding voorzien van het merk SHEIN in haar filialen in Nederland verkoopt, maar doet een beroep op uitputting zoals bedoeld in artikel 15 lid 1 UMVo. Dit artikel bepaalt dat een Uniemerk de houder niet het recht verleent het gebruik daarvan te verbieden voor waren of diensten die onder dit merk door de houder of met diens toestemming in de EER in de handel zijn gebracht. Hoofdregel is dat degene die zich op uitputting beroept, moet bewijzen dat aan de voorwaarden om dit aan te nemen, wordt voldaan. Dit bewijs moet zien op elk exemplaar van het product waarvoor de uitputting wordt aangevoerd. De merkhouder heeft immers ten aanzien van ieder individueel product het recht om de eerste verhandeling binnen de EU of de EER te controleren en zijn merkrecht te verzilveren. Om die reden heeft degene die zich op uitputting beroept, de verplichting om de gehele verkoopketen terug te leiden naar een eerste verkoop binnen de EU of de EER door of met toestemming van de merkhouder; daarvoor is onvoldoende dat hij stelt en/of bewijst dat hij de goederen heeft betrokken van een derde binnen de EU.

In het onderhavige geval heeft Brand Outlet ter onderbouwing van haar uitputtingsverweer gesteld dat ‘het hoogstwaarschijnlijk is’ dat de kleding die werd verhandeld door of met toestemming van SHEIN op de Europese markt is gebracht. Het gaat immers – volgens Brand Outlet – om door SHEIN aan consumenten in de EU toegezonden kleding die door consumenten is geretourneerd dan wel om kleding die SHEIN niet heeft kunnen verkopen en vervolgens verzameld / verhandeld is door handelaren in de EU. Brand Outlet meent dat zij hiermee in haar bewijslast is geslaagd. In de pleitnota eerste termijn heeft Brand Outlet een cijfermatige berekening gemaakt, die volgens haar tot de conclusie leidt dat de waren zijn uitgeput omdat ze onmogelijk afkomstig kunnen zijn van buiten de EER. Verkoop zou, zo begrijpt de rechtbank, in dat geval namelijk niet rendabel kunnen zijn voor Brand Outlet.

De rechtbank is van oordeel dat het beroep van Brand Outlet op uitputting, tegenover de betwisting door SHEIN, niet slaagt. Brand Outlet heeft immers nagelaten de gehele verkoopketen van de door haar verkochte producten terug te leiden naar een eerste verkoop binnen de EER door of met toestemming van de merkhouder. Brand Outlet heeft geen zogeheten ‘papertrail’ overgelegd waaruit dit volgt. De stelling dat de goederen zijn ingekocht bij partijen in de EER is hiertoe onvoldoende. Verder is de formulering op de door Brand Outlet overgelegde facturen zo algemeen dat niet kan worden vastgesteld dat het om (uitgeputte) SHEIN producten gaat. Iedere feitelijke onderbouwing van uitputting per product ontbreekt en zelfs per door Brand Outlet verhandelde kledingpartij ontbreekt deze informatie. De redenering van Brand Outlet met een cijfermatige berekening die uitputting aannemelijk moet maken volstaat niet. De incidentele vordering van Brand Outlet die dient ter verdere onderbouwing van deze redenering van Brand Outlet zal (op hierna vermelde gronden) worden afgewezen (zie 5.61.).

Ten aanzien van de kleding waaruit de merklabels waren verwijderd, heeft Brand Outlet betwist dat dit een overtreding van artikel I van de Onthoudingsverklaring inhoudt, nu zij niet wist dat dit SHEIN-producten betrof omdat zij merkloze kleding had besteld bij een Italiaanse leverancier. Dit verweer snijdt geen hout. De deurwaarder heeft op meerdere momenten vastgesteld dat de kleding waaruit de merklabels verwijderd waren, nog wel voorzien waren van de wasvoorschriftenlabeltjes met daarop verwijzingen naar SHEIN (zie hiervoor onder 3.18, 3.20 en 3.24). Zelfs als Brand Outlet deze kleding met uitgeknipte labels heeft ontvangen na een bestelling van merkloze kleding, had van Brand Outlet, gelet op de door haar ondertekende Onthoudingsverklaring, mogen worden verwacht dat zij zich ervan had vergewist dat zij geen SHEIN-kleding meer in haar winkels zou aanbieden. Nu de kleding bovendien nog steeds voorzien was van tekens gelijk aan het SHEIN-merk (op de wasvoorschriftenlabeltjes), is het aanbieden ter verkoop daarvan zonder toestemming van SHEIN een schending van artikel I van de Onthoudingsverklaring. Ook ten aanzien van deze producten geldt dat het beroep op uitputting onvoldoende is onderbouwd. Al hetgeen Brand Outlet anderszins nog heeft aangevoerd ten aanzien van de kleding waaruit de merklabels was verwijderd behoeft bij deze stand van zaken geen bespreking.

Gelet op de voorgaande overwegingen, is de conclusie dat Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] artikel I van de Onthoudingsverklaring hebben overtreden zoals door SHEIN is gesteld (zie hiervoor onder 5.20).

> Schending artikel II van de Onthoudingsverklaring?

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord of er sprake is van schending van artikel II van de Onthoudingsverklaring. De rechtbank is van oordeel dat dit het geval is en overweegt daartoe als volgt.

Het was Brand Outlet op grond van artikel II van de Onthoudingsverklaring toegestaan tot en met 27 december 2024 de nog aanwezige voorraad van SHEIN-producten uit te verkopen, mits zij op al haar wanden en op de ruiten van haar winkels de volgende tekst zou plaatsen: “Deze winkel is niet gelieerd aan SHEIN. This store is not related to SHEIN”. SHEIN heeft echter geconstateerd dat er gedurende deze uitverkooptermijn SHEIN-kleding is aangeboden in de winkels van Brand Outlet terwijl in de winkelpanden van Brand Outlet geen borden aanwezig waren met de (hiervoor weergegeven) overeengekomen tekst. Ter onderbouwing van deze stelling verwijst SHEIN naar door haar op 22 december 2024 gemaakte video’s van een winkelpand van Brand Outlet in Amsterdam (overgelegd als productie EP25) en de processen-verbaal van de deurwaarder (zie hiervoor onder 3.18 tot en met 3.20). Brand Outlet erkent ook dat deze tekst niet in de winkels aanwezig is geweest. Daarmee staat vast dat de overeengekomen mededeling niet in de winkels van Brand Outlet zichtbaar is geweest. Deze mededeling was echter wel een randvoorwaarde waaraan voldaan moest zijn om tot uitverkoop van de nog aanwezige SHEIN-producten over te mogen gaan. Volgens Brand Outlet was er wel een andere tekst met gelijkluidende boodschap in alle winkels aanwezig. Ook als dit het geval zou zijn geweest – wat door SHEIN gemotiveerd is betwist onder verwijzing naar de hiervoor bedoelde video’s en het aanvullende proces-verbaal van de deurwaarder van 24 oktober 2025 (zie hiervoor onder 3.24) en door Brand Outlet niet voldoende nader is onderbouwd – doet dit er niet aan af dat dit niet de expliciet door partijen overeengekomen tekst uit de Onthoudingsverklaring is geweest. Dit betekent dat het Brand Outlet vanaf de dag na het ondertekenen van de Onthoudingsverklaring bij het ontbreken van de overeengekomen mededeling in de winkelpanden niet was toegestaan in het economische verkeer gebruik te maken van tekens die gelijk zijn aan of overeenstemmen met de SHEIN-merken. Dat heeft zij echter wel gedaan. De rechtbank verwijst ter onderbouwing daarvan naar hetgeen hiervoor is overwogen ten aanzien van de schending van artikel I van de Onthoudingsverklaring.

In aanvulling daarop overweegt de rechtbank nog als volgt. Brand Outlet heeft gesteld dat de producten waaruit het merklabel is verwijderd, niet vallen onder de reikwijdte van artikel II van de Onthoudingsverklaring, omdat dit artikel volgens haar slechts ziet op producten ‘bearing the SHEIN Trademarks’. De rechtbank gaat niet in dit betoog mee. In het licht van de doelstelling van de Onthoudingsverklaring en gezien de formulering van artikel II daarvan (te weten:‘to cease and desist from the purchase, trade, advertisement, sale and offering of any SHEIN product (i.e. any product bearing the SHEIN Trademarks)’ - onderstreping rechtbank) valt het aanbieden van SHEIN-kleding waaruit de merklabels verwijderd zijn logischerwijze ook onder de reikwijdte van dit artikel. Er kan niet van worden uitgegaan dat beide partijen hebben beoogd om SHEIN-kleding zonder merklabel niet onder het toepassingsbereik van deze bepaling te laten vallen. Dat ligt niet voor de hand, omdat daarmee voor Brand Outlet de weg zou openstaan om onder haar verplichtingen uit de Onthoudingsverklaring uit te komen door de merklabels uit de SHEIN-producten te (laten) verwijderen. Overigens blijkt uit de processen-verbaal van de deurwaarder dat de SHEIN-merken niet geheel uit de kleding zijn verwijderd, omdat de wasvoorschriftenlabeltjes nog wel naar SHEIN wijzen.

Ad iv: Voldaan aan de opgaveverplichting?

Brand Outlet stelt dat zij heeft voldaan aan artikel IV van de Onthoudingsverklaring, door op 18 december 2024 alle beschikbare documenten met betrekking tot de koop en verkoop van SHEIN-producten aan SHEIN te verstrekken. De rechtbank volgt Brand Outlet hier niet in. De door Brand Outlet verstrekte facturen van de Duitse onderneming zijn vanwege de algemene beschrijving “Retourenwaren – Textil Mix Waren” en de datering in juli en augustus 2024 (mede in het licht van de grote omloopsnelheid van dergelijke producten) niet te relateren aan de SHEIN-producten die bij Brand Outlet zijn aangetroffen. SHEIN heeft Brand Outlet daar in haar bericht van 19 december 2024 ook op gewezen, maar daarop heeft Brand Outlet niet gereageerd.

Brand Outlet heeft tijdens de mondelinge behandeling toegelicht dat zij van diverse, steeds wisselende leveranciers gemixte kledingpakketten afneemt en het voor haar om die reden onmogelijk is om exact bij te houden welk product waar vandaan komt en hoe groot haar voorraad precies is. Deze toelichting kan Brand Outlet niet baten. Zij is, bekend met de (door haar gestelde) eigen werkwijze, uitdrukkelijk het bepaalde onder IV van de Onthoudingsverklaring overeengekomen en diende deze bepaling dan ook na te komen.

Verschuldigdheid boetes?

Uit het voorgaande volgt dat Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] naar het oordeel van de rechtbank de artikelen I, II en IV van de Onthoudingsverklaring hebben geschonden. SHEIN maakt als gevolg daarvan aanspraak op de in de Onthoudingsverklaring overeengekomen boetes. Deze heeft zij becijferd op een totaalbedrag van € 518.000,-, te weten € 125.000 wegens schending van onderdeel I van de Onthoudingsverklaring, € 280.500 wegens schending van onderdeel II van de Onthoudingsverklaring en € 112.500 wegens schending van onderdeel IV van de Onthoudingsverklaring.

Brand Outlet heeft verweer gevoerd tegen de verschuldigdheid (en de hoogte) van de door SHEIN gevorderde boetes. De rechtbank constateert dat een groot deel van dit verweer gebaseerd is op de hiervoor al besproken (en verworpen) verweren (bijvoorbeeld de gestelde nietigheid van de Onthoudingsverklaring, de reikwijdte van de artikelen I en II en schending van artikel II door het niet plaatsen van de overeengekomen mededeling en het aanbieden van SHEIN-kleding waaruit de merklabels waren verwijderd). Om de leesbaarheid van dit vonnis te bevorderen, zal de rechtbank deze verweren niet opnieuw bespreken; zij zal slechts ingaan op de punten die hiervoor nog niet aan de orde zijn geweest.

Brand Outlet stelt dat er sprake is van dubbeltellingen in de door SHEIN opgestelde berekening van de boetes, omdat – zo begrijpt de rechtbank – de boeteberekening wegens schending van artikel I overlap vertoont met de boeteberekening wegens schending van artikel II, omdat beide betrekking hebben op het aanbieden van kleding. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij. Zoals hiervoor al is overwogen, zijn de bepalingen uit de Onthoudingsverklaring bindend voor partijen. Dit betekent dat indien komt vast te staan dat er sprake is van schending van (één van) die bepaling(en), in welke vorm ook, de overeengekomen boetes verschuldigd worden.

SHEIN vordert de boete overeenkomstig artikel I van de Onthoudingsverklaring over een beperkte periode, namelijk over de periode van 14 december 2024 (de dag na het tekenen van de Onthoudingsverklaring) tot en met 31 januari 2025 (de dag van het conservatoir afgiftebeslag). Ten aanzien van deze vordering, heeft Brand Outlet gesteld dat er geen boetes per dag berekend kunnen worden indien er niet elke dag een inbreuk is geconstateerd, met name vanwege de omloopsnelheid van de kleding. De rechtbank passeert dit verweer. SHEIN heeft naar het oordeel van de rechtbank haar boetevordering op grond van artikel I van de Onthoudingsverklaring genoegzaam onderbouwd door het overleggen van de processen-verbaal van de deurwaarder en door het doen van proefaankopen in diverse vestigingen van Brand Outlet. Daaruit blijkt dat er ook na het ondertekenen van de Onthoudingsverklaring SHEIN-kleding is aangeboden en verkocht. Op de kassabonnen van de proefaankopen zijn de aankopen bovendien ook gespecificeerd als ‘SHEIN’. De rechtbank acht het aannemelijk dat de inbreuk in de betreffende periode heeft voortgeduurd; SHEIN maakt dan ook terecht aanspraak op de overeengekomen boete wegens schending van artikel I van de Onthoudingsverklaring, die zij heeft becijferd op € 125.000,-.

Ten aanzien van de gevorderde boetes wegens schending van artikel II van de Onthoudingsverklaring, heeft Brand Outlet in de eerste plaats gesteld dat zij na de Onthoudingsverklaring gestopt is het met aanbieden van SHEIN-producten, maar dat er door de grote hoeveelheden kleding en niet oplettend personeel ‘er wel eens een foutje kan worden gemaakt’. Gelet op het grote aantal SHEIN-producten dat de deurwaarder heeft aangetroffen is het naar het oordeel van de rechtbank volstrekt onaannemelijk dat het hier om (incidentele) foutjes gaat. Hierbij komt dat het aan Brand Outlet is om zich ervan te vergewissen dat zij zich houdt aan de gemaakte afspraken met SHEIN en, indien daar om welke reden dan ook een fout in wordt gemaakt, daarvan de gevolgen te dragen.

Ten tweede heeft Brand Outlet voor wat betreft het door de deurwaarder waargenomen aantal kledingstukken aangevoerd dat er ten onrechte geen onderscheid is gemaakt tussen kledingstukken die voorzien waren van een merklabel en kleding waaruit het merklabel verwijderd was. De rechtbank gaat aan dit verweer voorbij, omdat uit hetgeen hiervoor al is overwogen blijkt dat beide categorieën kleding (met en zonder merklabel) een inbreuk op de SHEIN-merken opleveren. Dit brengt mee dat elk inbreukmakend kledingstuk dat de deurwaarder in de winkels van Brand Outlet heeft aangetroffen, moet worden aangemerkt als een schending van artikel II van de Onthoudingsverklaring. SHEIN heeft in randnummers 4.16 en 4.17 van haar dagvaarding een berekening opgenomen van de verschuldigde contractuele boetes wegens schending van die bepaling. Zij heeft zich daarbij gebaseerd op de door de deurwaarder opgemaakte processen-verbaal. Uit deze berekening blijkt dat SHEIN dubbeltelling van mogelijk dezelfde kledingstukken heeft uitgesloten door het totale aantal SHEIN-kledingstukken dat de deurwaarder op 31 januari 2025 in de twee winkelpanden van Brand Outlet aan de Nieuwendijk in Amsterdam heeft aangetroffen (te weten: 2.146 stuks) te verminderen met het aantal SHEIN-kledingstukken dat de deurwaarder op 27 december 2024 in diezelfde winkelpanden heeft aangetroffen (te weten: 1.035 stuks). Daarmee is van een dubbeltelling in geen geval sprake. De omstandigheid dat de deurwaarder op onderdelen steekproefsgewijs heeft gecontroleerd maakt evenmin dat haar conclusies niet kunnen worden gevolgd. Brand Outlet heeft immers niets aangevoerd om deze conclusies te ontzenuwen. Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat het gevorderde bedrag aan verschuldigde boetes vanwege schending van artikel II van de Onthoudingsverklaring van € 280.500,- toewijsbaar is.

Het door SHEIN gevorderde bedrag van € 112.500,- aan boetes wegens schending van artikel IV van de Onthoudingsverklaring is eveneens toewijsbaar. Het verweer van Brand Outlet op dit punt valt samen met het verweer tegen de stelling dat deze bepaling is geschonden. De rechtbank verwijst naar overweging 5.30 van dit vonnis, waar zij dit verweer al heeft besproken.

Matiging boetes?

Brand Outlet heeft, voor het geval dat de rechtbank van oordeel is dat er wel een schending van de Onthoudingsverklaring heeft plaatsgevonden én Brand Outlet als gevolg daarvan boetes verschuldigd is geworden, gesteld dat deze boetes op grond van artikel 6:94 BW gematigd moeten worden naar een, gezien de omstandigheden van deze zaak, billijk bedrag.

De in artikel 6:94 lid 1 BW opgenomen maatstaf dat voor matiging slechts grond kan zijn indien de billijkheid dit klaarblijkelijk eist, brengt mee dat de rechter pas van zijn bevoegdheid tot matiging gebruik mag maken als de toepassing van een boetebeding in de gegeven omstandigheden tot een buitensporig en daarom onaanvaardbaar resultaat leidt. Daarbij zal de rechter niet alleen moeten letten op de verhouding tussen de werkelijke schade en de hoogte van de boete, maar ook op de aard van de overeenkomst, de inhoud en de strekking van het beding en de omstandigheden waaronder het is ingeroepen. Nu Brand Outlet haar beroep op matiging niet nader heeft uitgewerkt, kan haar dit reeds hierom niet baten.

Hieraan voegt de rechtbank volledigheidshalve toe dat de wegens schending van artikel I gevorderde boetes zien op een beperkte periode, namelijk de periode van 14 december 2024 (de dag na het tekenen van de Onthoudingsverklaring) tot en met 31 januari 2025 (de dag van het conservatoir afgiftebeslag) en dat de wegens schending van artikel II gevorderde boetes slechts een beperkt aantal locaties betreffen. Brand Outlet heeft ter zitting verklaard dat het aantal winkels dat zij heeft schommelt tussen de vijf en de twintig winkels. De rechtbank acht het dus niet onaannemelijk dat grootschaliger schending van de artikelen I en II heeft plaatsgevonden, ook omdat Brand Outlet, in strijd met artikel III van de Onthoudingsverklaring, de restvoorraad SHEIN-kleding niet heeft vernietigd.

Tussenconclusie

De artikelen I, II en IV van de Onthoudingsverklaring zijn geschonden en Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] zijn als gevolg daarvan de overeengekomen boetes verschuldigd geworden. De vorderingen daartoe zullen dan ook worden toegewezen.

Er is sprake van merkinbreuk

Vervolgens dient beoordeeld te worden of er grond is voor een afzonderlijk inbreukverbod (stakingsbevel). De rechtbank beantwoordt die vraag bevestigend. Hiervoor is overwogen dat Brand Outlet ook na ondertekening van de Onthoudingsverklaring kleding voorzien van SHEIN-merken ter verkoop heeft aangeboden, zonder dat zij daartoe toestemming had van SHEIN. Daarmee is sprake van inbreuk zoals bedoeld in artikel 9 lid 2 aanhef (en onder b) UMVo. SHEIN heeft dus – ook naast de Onthoudingsverklaring – belang bij een inbreukverbod om toekomstige inbreuken te voorkomen. Het gevorderde verbod is – anders dan door Brand Outlet aangevoerd – niet verdergaand dan het verbod uit de Onthoudingsverklaring; het betreft een algemeen inbreukverbod zoals in procedures als deze gebruikelijk is.

Vervolgens dient de vraag te worden beantwoord tegen wie het inbreukverbod zou moeten worden uitgesproken. Brand Outlet betwist dat IntelMagazijn betrokken is bij de verhandeling van de SHEIN-producten. De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe als volgt. In de communicatie met mevrouw [naam 5] van SHEIN heeft Brand Outlet de door SHEIN gestelde betrokkenheid van IntelMagazijn nimmer betwist. Brand Outlet heeft in die communicatie steeds toezeggingen gedaan om aan de bezwaren van SHEIN tegemoet te komen. [naam 2] heeft verder, samen met [naam 1] , namens IntelMagazijn de Onthoudingsverklaring getekend. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat IntelMagazijn wel degelijk op enigerlei wijze betrokken is (geweest) bij de verhandeling van SHEIN-producten. Om die reden zal het inbreukverbod ook aan IntelMagazijn worden opgelegd.

SHEIN heeft gevorderd het stakingsbevel ook op te leggen tegen de gedagvaarde natuurlijke personen als bestuurders en feitelijk beleidsbepalers van de gedagvaarde vennootschappen. Brand Outlet heeft daartegen verweer gevoerd en gesteld dat de bestuurders volkomen te goede trouw hebben gehandeld en er van uit zijn gegaan dat de aangeboden producten uitgeputte dan wel merkloze waar was. De rechtbank stelt voorop dat niet is betwist dat [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] als bestuurders en feitelijk beleidsbepalers verbonden zijn aan de gedagvaarde vennootschappen. De rechtbank gaat voorbij aan de door Brand Outlet gestelde goede trouw ten aanzien van de merkinbreuk en verwijst daartoe naar al hetgeen zij hiervoor heeft overwogen. De drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en de heer [naam 4] hebben onrechtmatig jegens SHEIN gehandeld, door onvoldoende maatregelen te nemen om de inbreuken op de SHEIN-merken te voorkomen, terwijl dat in hun hoedanigheid van bestuurders en beleidsbepalers van de diverse vennootschappen wel in hun macht lag. Bovendien heeft SHEIN onweersproken gesteld dat de drie heren [naam 1, naam 2 en naam 3] en de heer [naam 4] over een groot aantal andere vennootschappen beschikken, zodat SHEIN er belang bij heeft dat het ieder van hen wordt verboden als bestuurder of beleidsbepaler van een rechtspersoon betrokken te zijn bij het plegen van merkinbreuk. De daartoe strekkende vordering zal dan ook worden toegewezen.

Nevenvorderingen

Opgavebevel

Nu merkinbreuk is vastgesteld, heeft SHEIN (ook om inzicht te kunnen verkrijgen in de eerdere inbreukmakende handelingen) een gerechtvaardigd belang bij een opgavebevel. Van Brand Outlet mag worden verwacht een deugdelijke bedrijfsadministratie bij te houden. De daartoe strekkende vordering wijst de rechtbank dan ook op de hierna vermelde wijze toe, voor zover het gaat om kleding die inbreuk maakt op de SHEIN-merken. De termijn waarbinnen opgave moet zijn gedaan stelt de rechtbank op één maand, om executieproblemen te voorkomen.

Voor een opgavebevel ten aanzien van met de SHEIN-merken overeenstemmende tekens is geen plaats.

Afgifte voorraad

De gevorderde overdracht van de bij Brand Outlet resterende voorraad SHEIN-kleding aan het Leger des Heils dan wel een andere door SHEIN aan te wijzen charitatieve instelling in Nederland wordt, voor zover het gaat om kleding die inbreuk maakt op de SHEIN-merken, als onvoldoende gemotiveerd weersproken op de hierna vermelde wijze toegewezen, en voor het overige, ter voorkoming van executiegeschillen, afgewezen.

Voor afgifte ten aanzien van met de SHEIN-merken overeenstemmende tekens is geen plaats.

Dwangsom

Oplegging van een dwangsom als stimulans tot nakoming van de te geven bevelen, is aangewezen. De Onthoudingsverklaring heeft immers niet tot aanpassing van de werkwijze van Brand Outlet geleid. De rechtbank sluit voor wat betreft de hoogte van de op te leggen dwangsom aan bij de in de Onthoudingsverklaring overeengekomen boete van € 100,- per inbreukmakend kledingstuk, en verbindt hieraan voorts de voorwaarde dat SHEIN inzake de betreffende inbreuk niet tevens aanspraak maakt op een boete op grond van de Onthoudingsverklaring. Dit betekent dat als SHEIN inzake de betreffende inbreuk wel op de contractuele boete aanspraak maakt, de dwangsom in zoverre dus niet verschuldigd is.

Daarnaast zal de rechtbank, om dubbeling van dwangsommen voor dezelfde inbreuk te voorkomen, aan het tegen [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] uitgesproken inbreukverbod uitsluitend een dwangsom verbinden voor zover de betreffende inbreuk niet via (één van de) in dit geding gedaagde vennootschappen is gepleegd.

De gevorderde dwangsommen zullen worden gematigd en gemaximeerd zoals vermeld in de beslissing. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Winstafdracht subsidiair schadevergoeding

SHEIN heeft – zo volgt uit het lichaam van de dagvaarding – primair winstafdracht gevorderd en subsidiair schadevergoeding. Uit artikel 130 lid 2 UMVo in samenhang met artikel 2.21 lid 4 BVIE volgt dat de merkhouder afdracht kan vorderen van de met de merkinbreuk genoten winst. SHEIN heeft gesteld dat, voor zover voor deze winstafdracht al kwade trouw is vereist, daarvan in dit geval sprake is. Brand Outlet betwist dat sprake is van kwade trouw, zodat er geen reden is voor toewijzing van de gevorderde winstafdracht.

De rechtbank is van oordeel dat de gevorderde winstafdracht toewijsbaar is, omdat er in dit geval sprake is van merkinbreuk te kwader trouw. Daartoe is relevant dat Brand Outlet in weerwil van de getekende Onthoudingsverklaring door is gegaan met de handel in SHEIN-producten (waarin het merklabel al dan niet aanwezig was) en haar verplichtingen uit de Onthoudingsverklaring niet na te komen. De herhaalde stellingname van Brand Outlet dat zij niet wist en ook niet kon weten dat het om niet uitgeputte waar ging en dat de ‘merkloze’ kleding afkomstig van SHEIN bleek te zijn, acht de rechtbank, gelet op de omstandigheden waaronder de merkinbreuken hebben plaatsgevonden, ongeloofwaardig.

De termijn waarbinnen winstafdracht moet plaatsvinden zal, gelet op de termijn van de opgaveverplichting en om executieproblemen te voorkomen, worden gesteld op zes weken.

Nu de primair gevorderde winstafdracht wordt toegewezen, behoeft de subsidiair gevorderde schadevergoeding geen bespreking meer.

Buitengerechtelijke kosten, beslagkosten en proceskosten

SHEIN vordert – naast de proceskosten (waarover hierna meer) – vergoeding van buitengerechtelijke kosten, die bestaan uit de kosten die de deurwaarder heeft moeten maken in verband met de processen-verbaal van constatering van 27 en 28 december 2024. SHEIN heeft deze kosten gespecificeerd door het overleggen van een factuur van de deurwaarder, die optelt tot een bedrag van € 2.051,02 exclusief btw. SHEIN stelt dat deze kosten noodzakelijk waren om de aansprakelijkheid en de schade vast te stellen zoals bedoeld in artikel 6:96 lid 2 BW. Brand Outlet heeft tegen deze vordering geen verweer gevoerd, zodat deze (inclusief de daarover gevorderde wettelijke rente) zal worden toegewezen.

De gevorderde beslagkosten en de daarover gevorderde wettelijke rente zullen als onweersproken en bovendien genoegzaam onderbouwd worden toegewezen.

Brand Outlet is grotendeels in het ongelijk gesteld. Zij dient daarom de kosten van SHEIN te betalen. SHEIN maakt aanspraak op vergoeding van de redelijke en evenredige proceskosten zoals bedoeld in artikel 1019h Rv en heeft haar vordering ter zake gespecificeerd tot een bedrag van € 55.440,00.

Deze zaak is een zaak ter handhaving van intellectuele eigendomsrechten in de zin van artikel 1019 Rv. Teneinde de redelijkheid en evenredigheid van de opgevoerde kosten te kunnen beoordelen, sluit de rechtbank (nu in deze zaak vóór 1 februari 2026 vonnis is bepaald) aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken (versie april 2017). De daarin vermelde tarieven worden geacht redelijk en evenredig te zijn. Deze zaak valt naar het oordeel van de rechtbank onder de categorie ‘normale bodemzaak’ met een maximumtarief van € 17.500,- (voor zaken t/m de mondelinge behandeling, waar in dit geval sprake van is). Dit bedrag zal worden toegewezen; het meer gevorderde wordt afgewezen. De rechtbank ziet in de door SHEIN naar voren gebrachte omstandigheden geen aanleiding om een hoger bedrag aan proceskosten toe te kennen.

Het bedrag voor salaris advocaat van € 17.500,00 wordt verhoogd met € 5.433,00 aan griffierecht en € 866,82 aan deurwaarderskosten, waarmee het totaalbedrag uitkomt op € 23.799,82. De gevorderde wettelijke rente daarover met ingang van de vijftiende dag na de betekening van dit vonnis zal als onbestreden worden toegewezen.

In het incident

Aan de toewijsbaarheid van een op artikel 194 en 195 Rv gebaseerde inzagevordering zijn drie cumulatieve voorwaarden verbonden: 1) de eiser moet voldoende belang hebben bij inzage, uittreksel of afschrift, 2) het moet gaan om bepaalde gegevens en 3) de vordering moet bescheiden betreffen aangaande een rechtsbetrekking waarin de eiser partij is. Ten aanzien van deze laatste eis is van belang dat artikel 1019a lid 1 Rv bepaalt dat een verbintenis uit onrechtmatige daad wegens inbreuk op een recht van intellectuele eigendom geldt als een rechtsbetrekking.

Naar de rechtbank begrijpt, wenst Brand Outlet met haar incidentele vordering te bewerkstelligen dat zij bewijs verkrijgt van haar centrale, algemene stelling dat de in de Europese Unie door andere partijen dan SHEIN aangeboden en verhandelde SHEIN-producten allemaal communautaire retourwaren zijn, zodat er steeds sprake is van uitgeputte waar. SHEIN heeft tegen deze vordering gemotiveerd verweer gevoerd en gesteld dat niet voldaan is aan de vereisten voor toewijzing van een dergelijke vordering. De rechtbank volgt SHEIN in dit standpunt, alleen al omdat Brand Outlet naar haar oordeel geen belang heeft bij de ingestelde inzagevordering. Brand Outlet dient immers per afzonderlijk door haar aangeboden en verhandeld SHEIN-kledingstuk te bewijzen dat deze waren zijn uitgeput. De documenten waarvan Brand Outlet inzage vordert, zullen niet bijdragen aan dat bewijs, omdat gesteld noch gebleken is dat deze op enigerlei wijze gerelateerd zijn aan de door Brand Outlet daadwerkelijk aangeboden en verhandelde SHEIN-kleding. De rechtbank verwijst daarnaast naar wat zij in r.o. 5.23 e.v. al heeft overwogen.

Het voorgaande betekent dat de incidentele vordering van Brand Outlet wordt afgewezen. Brand Outlet zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de kosten van dit incident. De rechtbank sluit ook voor wat betreft deze kosten aan bij de Indicatietarieven in IE-zaken en is van oordeel dat dit incident als zeer eenvoudig is aan te merken. Om die reden zal een kostenveroordeling overeenkomstig het liquidatietarief worden toegekend ten gunste van SHEIN. Dit komt neer op een bedrag van € 1.228,- (2 punten van € 614,- elk).

6. De beslissing

De rechtbank

In de hoofdzaak

veroordeelt Intelmagazijn, [bedrijf 1] , [naam 1] , [naam 2] , [bedrijf 2] , [naam 3] , [bedrijf 4] en [naam 4] hoofdelijk, tot betaling van € 518.000,00, als gevolg van de schending van de verplichtingen uit de artikelen I, II en IV van de Onthoudingsverklaring, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW vanaf de dag van dagvaarding (27 februari 2025) tot de dag van algehele voldoening;

beveelt Brand Outlet om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis iedere inbreuk op de SHEIN-merken in de Europese Unie te staken en gestaakt te houden;

beveelt [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] om binnen 48 uur na betekening van dit vonnis te staken en gestaakt te houden iedere betrokkenheid als bestuurder, beleidsbepaler dan wel dienstverlener van een rechtspersoon bij inbreuk op de SHEIN-merken in de Europese Unie;

beveelt Brand Outlet om op eigen kosten binnen één maand na betekening van dit vonnis aan de advocaten van SHEIN per e-mail opgave te doen van de herkomst en distributiekanalen van de kleding voorzien van de SHEIN-merken die niet door of met toestemming van SHEIN in de EER in de handel is gebracht en die gedaagden vanaf 1 januari 2024 tot datum opgave hebben ingekocht, geleverd gekregen, verkocht, geleverd en/of daartoe in voorraad hebben gehad, welke opgave in elk geval de volgende informatie moet bevatten, gerangschikt per leverancier en commerciële afnemer (geen consument) en per productsoort en gestaafd met goed leesbare en niet-zwartgelakte kopieën van de onderliggende documenten:

a. de leveranciers van de kleding en de aantallen kledingstukken die door gedaagden zijn ingekocht, geleverd gekregen, en/of ingevoerd, onder vermelding van inkoop- en leverdata en adres(sen), e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s);

de commerciële afnemers van de kleding en de aantallen kledingstukken die door gedaagden zijn verkocht, geleverd, uitgevoerd en/of daartoe in voorraad gehouden, onder vermelding van verkoop- en leverdata en adres(sen), e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s);

de inkoopprijzen en verkoopprijzen en de omzetten, marges en nettowinsten die gedaagden hebben behaald met de verhandeling van de kleding, ongeacht of het commerciële of particuliere afnemers betreft;

alle andere bij de inbreuk door gedaagden op de SHEIN-merken betrokken bij gedaagden bekende rechtspersonen en natuurlijke personen, onder vermelding van adres(sen), e-mailadres(sen) en telefoonnummer(s);

de bij gedaagden nog aanwezige voorraad van de kleding, onder vermelding van de locatie(s) waar deze zich bevindt en welke aantallen zich op welke locatie bevinden;

beveelt Brand Outlet om op eigen kosten binnen veertien dagen na betekening van dit vonnis de bij haar resterende voorraad van de kleding voorzien van de SHEIN-merken die niet door of met toestemming van SHEIN in de EER in de handel is gebracht, en de kleding waaruit de SHEIN-merklabels zijn verwijderd maar die nog als SHEIN-kleding is te herkennen als gevolg van bijvoorbeeld de QR-code op de ingenaaide labels, te verzamelen op één van haar locaties,

vervolgens binnen twee werkdagen na de verzameling van de kleding door een deurwaarder een proces-verbaal van constatering te laten opmaken van de totale resterende voorraad en

binnen twee werkdagen na het proces-verbaal van constatering deze totale resterende voorraad kleding over te dragen aan het Leger des Heils dan wel een andere door SHEIN aan te wijzen charitatieve instelling in Nederland,

en binnen zeven dagen na laatstgenoemde overdracht aan de advocaten van SHEIN een door die deurwaarder opgemaakt proces-verbaal toe te sturen, voorzien van afbeeldingen waaruit blijkt dat voormelde totale resterende voorraad van de kleding daadwerkelijk is overgedragen;

veroordeelt IntelMagazijn, [bedrijf 1] , [bedrijf 2] , [bedrijf 3] , [bedrijf 4] en [bedrijf 5] hoofdelijk tot betaling van een dwangsom van € 20.000,- per dag of gedeelte van een dag, dan wel – ter keuze van SHEIN – € 100,- per kledingstuk waarmee deze gedaagden in strijd handelen met de bevelen onder 6.2, 6.4 en 6.5, onder de voorwaarde dat SHEIN inzake de betreffende inbreuk niet ook aanspraak maakt op een boete op grond van de Onthoudingsverklaring, alles met een maximum van € 2.000.000,-;

veroordeelt [naam 1] , [naam 2] , [naam 3] en [naam 4] tot betaling van een dwangsom € 10.000,- per dag of gedeelte van een dag, dan wel – ter keuze van SHEIN – € 100,- per kledingstuk waarmee deze gedaagden in strijd handelen met het bevel opgenomen onder 6.3, onder de cumulatieve voorwaarden:

1. dat de betreffende inbreuk niet via (één van) de in dit geding gedaagde vennootschappen is gepleegd en

2. dat SHEIN inzake de betreffende inbreuk niet ook aanspraak maakt op een boete op grond van de Onthoudingsverklaring,

alles met een maximum van € 1.000.000,-;

beveelt Brand Outlet om binnen zes weken na betekening van dit vonnis de op grond van de opgave op te geven nettowinst af te dragen, door dit bedrag over te maken naar de derdengeldrekening van de advocaten van SHEIN;

veroordeelt Brand Outlet hoofdelijk tot betaling van de door SHEIN gemaakte buitengerechtelijke kosten en beslagkosten van (in totaal) € 13.861,03, te voldoen binnen veertien dagen na de datum van dit vonnis en te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW te rekenen vanaf de dag van dagvaarding tot de dag van voldoening;

veroordeelt Brand Outlet hoofdelijk in de kosten van deze procedure, tot op heden aan de zijde van SHEIN begroot op € 23.799,82, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

veroordeelt Brand Outlet hoofdelijk in de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW met ingang van de vijftiende dag na betekening van dit vonnis tot de dag van algehele voldoening;

verklaart dit vonnis tot zover uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

In het incident

wijst het gevorderde af;

veroordeelt Brand Outlet in de kosten van het incident, tot op heden aan de zijde van SHEIN begroot op € 1.228,-;

verklaart de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Alt-van Endt en in het openbaar uitgesproken op 11 februari 2026.

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?