ECLI:NL:RBDHA:2026:4710

ECLI:NL:RBDHA:2026:4710

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 13-02-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer NL25.52041
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Asiel, Soedanese nationaliteit niet geloofwaardig omdat uit EUVIS blijkt dat eiser de Tsjadische nationaliteit heeft, beroep ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

Samenvatting

uitspraak

Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.52041

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. V. Senczuk),

en

de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. E.E.G.N. van der Meulen).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

3. Eiser heeft op 28 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Soedanese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 1997. De minister heeft met het bestreden besluit van 17 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond.

4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.

5. De rechtbank heeft het beroep op 30 januari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I.A.I. Abdelfatah als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de rechtbank

Het bestreden besluit
Foto Soedanees paspoort op Tsjadische telefoon
Beschrijving Soedanese vlag
Afgeven Tsjadische paspoort

Het asielrelaas

6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is gevlucht uit Soedan nadat hij door een militie was gearresteerd en gevangengenomen. De militie wilde dat eiser voor hen ging vechten. Eiser werd tijdens de gevangenhouding mishandeld en bedreigd. Na enkele dagen heeft eiser kunnen ontsnappen. Eiser is toen naar een dorpje gelopen waar hij de telefoon van een man mocht gebruiken om een rit naar [plaats 1] te regelen. Na enige twijfel keerde eiser weer terug naar het grensgebied om vervolgens via [plaats 2] naar Europa te reizen. Bij terugkeer naar Soedan vreest eiser voor de militie of het leger als hij weigert voor hen te vechten.

7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen:

1) De gestelde Soedanese identiteit, nationaliteit en herkomst; en

2) Problemen vanwege gedwongen rekrutering door Soedanese militie.

De minister stelt zich hierover op het standpunt dat het eerste asielmotief niet geloofwaardig is. In dit kader werpt de minister ten eerste tegen dat eiser onvoldoende documenten heeft gegeven ter onderbouwing van zijn identiteit, nationaliteit en herkomst en dat hij daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Eiser stelt dat zijn originele Soedanese paspoort is verbrand toen er een bom op zijn huis in Soedan viel. Wel heeft eiser een foto van dat paspoort overgelegd, maar de minister hecht hier geen waarde aan. Omdat het een foto betreft kan de echtheid namelijk niet gecontroleerd worden. Bovendien blijkt uit de gegevens van EUVIS dat eiser met een Tsjadisch paspoort een Frans visum heeft verkregen. Dit paspoort heeft eiser bij aankomst in Frankrijk afgegeven aan een onbekende. De verklaring van eiser, dat dit met de mensensmokkelaar was afgesproken, vindt de minister nu dit paspoort het enige authentieke identificerende document van eiser was niet bevredigend. Ten tweede werpt de minister tegen dat de verklaringen van eiser over zijn identiteit, nationaliteit en herkomst geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen.

Eiser heeft namelijk tegenstrijdig verklaard over de echtheid van zijn Tsjadische paspoort en vaag verklaard over de gegevens op het Tsjadische paspoort. Verder kan eiser de verschillen in persoonsgegevens bij de visumaanvraag en proces-verbaal niet uitleggen en is het onduidelijk hoe de foto van het Soedanese paspoort op de Tsjadische telefoon van eiser terecht is gekomen. Ook heeft eiser de Soedanese vlag onjuist beschreven. Ten derde werpt de minister tegen dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd omdat hij zich in Nederland voor asiel heeft gemeld onder een andere identiteit en nationaliteit dan bekend is uit EUVIS.

De minister concludeert daarom dat het niet geloofwaardig is dat eiser de Soedanese nationaliteit heeft en dat evenmin geloofwaardig is dat de door eiser gestelde identiteit en herkomst juist zijn. Het tweede asielmotief is niet beoordeeld door de minister. Immers, nu de nationaliteit niet geloofwaardig is, heeft het tweede asielmotief geen betekenis.

De minister gaat er vanuit dat eiser [eiser] is, geboren op [geboortedatum 2] 1991 te [geboorteplaats] , [plaats 2] , en dat eiser de Tsjadische nationaliteit heeft. Op basis van die gegevens overweegt de minister dat niet is gebleken dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft dan wel een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser krijgt daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw.

De beroepsgronden en het oordeel van de rechtbank

Tsjadische nationaliteit

8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte uitgaat van de Tsjadische nationaliteit. Eiser meent dat er concrete aanknopingspunten zijn om te twijfelen aan de juistheid van de EUVIS-gegevens. Eiser heeft namelijk consistent verklaard dat de mensensmokkelaar het Tsjadische paspoort voor hem heeft geregeld. De verklaringen van eiser zijn in lijn met de algemeen bekende praktijk van mensenhandel. Daarnaast heeft eiser foto’s overgelegd van zijn Soedanese paspoort, zijn Soedanese rijbewijs en van een uittreksel van de burgerlijke stand uit Soedan. Eiser heeft een goede verklaring gegeven voor het feit dat hij alleen foto’s kon overleggen. De originele documenten zijn namelijk verbrand in zijn huis in Soedan. De minister heeft dan ook ten onrechte geen waarde toegekend aan de overgelegde foto’s.

9. De rechtbank stelt vast dat eiser zeven dagen voor de zitting een foto van een Soedanees paspoort aan het digitale dossier heeft toegevoegd. Op de foto is te zien dat het paspoort op 29 december 2025 is afgegeven in [plaats 3] . Eiser heeft de rechtbank daarbij meegedeeld dat hij verwachtte het origineel van dit paspoort in bezit te krijgen vóór de zitting van 30 januari 2026. Eiser verscheen vervolgens op de zitting met het – naar zijn zeggen originele – Soedanese paspoort. Ter zitting heeft eiser primair aangevoerd dat, nu hij beschikt over een origineel Soedanees paspoort, niet meer kan worden uitgegaan van de EUVIS-gegevens. Subsidiair heeft eiser de rechtbank verzocht om de minister op te dragen het originele paspoort te laten onderzoeken.

10. De minister heeft op de zitting desgevraagd gereageerd op het bovenstaande. De minister heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat het bevreemdend is dat eiser voor het eerst op de zitting een - naar zijn zeggen origineel - Soedanees paspoort heeft overgelegd. Eiser heeft in november 2023 zijn asielaanvraag gedaan en heeft volgens de minister dus voldoende tijd gehad om zich eerder tot de Soedanese ambassade te wenden. Verder heeft de minister overwogen dat het nieuwe paspoort geen aanleiding geeft om te twijfelen aan de EUVIS-gegevens. Eiser heeft namelijk geen concrete aanknopingspunten gegeven waardoor getwijfeld zou moeten worden aan zijn Tsjadische nationaliteit. Met andere woorden, zelfs als het nieuwe paspoort authentiek wordt bevonden door Bureau Documenten en daarmee de Soedanese nationaliteit van eiser vast komt te staan, ziet de minister nog geen reden om te twijfelen aan de Tsjadische nationaliteit van eiser. De minister handhaaft daarom het bestreden besluit.

11. De rechtbank ziet geen aanleiding om de zaak aan te houden in afwachting van een onderzoek naar de authenticiteit van het paspoort. De rechtbank volgt de minister namelijk in zijn standpunt dat, ongeacht de uitkomst van een dergelijk onderzoek, eiser in onderhavige procedure geen concrete aanknopingspunten heeft aangevoerd waardoor getwijfeld zou moeten worden aan zijn Tsjadische nationaliteit. Ten overvloede merkt de

rechtbank op dat het eiser vrij staat om een nieuwe asielaanvraag in te dienen en in het kader van die aanvraag het nieuwe paspoort te laten onderzoeken. De beroepsgrond slaagt niet.

Referentiekader

12. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn hoge opleidingsniveau heeft betrokken bij de beoordeling van de vraag of de verklaringen van eiser een samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser betoogt dat zijn hoge opleidingsniveau niet afdoet aan de omstandigheid dat hij zich in een zeer kwetsbare positie bevond ten opzichte van de mensensmokkelaar en daardoor niet in de positie was om de smokkelaar te bevragen over de gang van zaken rond het Tsjadische paspoort en de visumaanvraag.

13. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister terecht het opleidingsniveau van eiser betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiser. Ingevolge paragraaf 4.2 van Werkinstructie 2024/6 en paragraaf C1/4.2.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) houdt de minister bij de geloofwaardigheidsbeoordeling rekening met wat in zijn algemeenheid van een vreemdeling verwacht kan worden. Daarbij speelt het referentiekader van de vreemdeling een rol. Opleidingsniveau is één van de aspecten die daarbij van belang kunnen zijn. In Werkinstructie 2024/6 wordt dan ook als voorbeeld genoemd dat van een volwassen vreemdeling die een opleiding heeft genoten, in beginsel meer verlangd mag worden dan van een laaggeschoolde vreemdeling. De beroepsgrond slaagt niet.

14. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte tegenwerpt dat het onduidelijk is hoe de foto van het Soedanese paspoort op de Tsjadische telefoon van eiser terecht is gekomen. Eiser heeft tijdens het nader gehoor verklaard dat hij tijdens zijn vlucht van Soedan naar [plaats 1] de telefoon van een man moest gebruiken. De minister heeft uit deze verklaring ten onrechte de conclusie getrokken dat eiser zijn eigen telefoon niet meer had, zonder eiser hierover te bevragen.

15. De rechtbank stelt vast dat eiser voor het eerst ter zitting een volledige en samenhangende verklaring heeft gegeven voor de omstandigheid dat hij op zijn Tsjadische telefoon een foto had van zijn Soedanese paspoort, die al was verbrand vóór zijn vlucht uit Soedan. Ter zitting heeft eiser verklaard dat de foto van het paspoort in de cloud stond opgeslagen en dat hij deze op zijn nieuwe telefoon via iMessage weer heeft kunnen terughalen. Echter, in de zienswijze en in de beroepsgronden ontbrak een dergelijke verklaring. In de zienswijze en in de beroepsgronden schetste eiser slechts enkele mogelijkheden van hoe de foto mogelijk bewaard is gebleven, zonder een beschrijving te geven van de daadwerkelijke gang van zaken. Naar het oordeel van de rechtbank, heeft de minister dit onvoldoende mogen vinden. De minister heeft in het bestreden besluit dan ook voldoende gemotiveerd aan eiser tegengeworpen dat onduidelijk is hoe de foto van het Soedanese paspoort op de Tsjadische telefoon van eiser terecht is gekomen. De beroepsgrond slaagt niet.

16. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij een onjuiste beschrijving heeft gegeven van de Soedanese vlag. Eiser betoogt dat de benoeming van de verkeerde kleur (blauw in plaats van zwart) verklaard kan worden door de vertaling uit het Arabisch.

17. De rechtbank is van oordeel dat de minister voldoende gemotiveerd aan eiser heeft tegengeworpen dat hij een onjuiste beschrijving van de Soedanese vlag heeft gegeven. Immers, niet alleen is tegengeworpen dat eiser de kleur blauw (in plaats van zwart) noemde, maar ook dat eiser verklaarde dat rood onder en blauw boven op de vlag afgebeeld staat. Dat eiser dit heeft gecorrigeerd met de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, doet hier niet aan af omdat hij hier geen verklaring voor heeft gegeven. De minister heeft in dit kader terecht verwezen naar paragraaf C1/4.3.2.3 van de Vc waaruit volgt dat van een vreemdeling een deugdelijke verklaring mag worden verwacht als de vreemdeling terugkomt van een eerdere verklaring.

18. De rechtbank overweegt dat de onjuiste beschrijving van de vlag, in het licht van alle andere herkomstvragen die eiser goed beantwoord heeft, marginaal is. Echter, in samenhang beoordeeld met de overige tegenwerpingen, heeft de minister kunnen concluderen dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De beroepsgrond slaagt niet.

19. Eiser voert aan dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zich heeft ontdaan van zijn Tsjadische paspoort. Eiser deed dit immers op instructie van de smokkelaar en had geen keus.

20. De rechtbank is van oordeel dat de minister mede gezien het universitaire opleidingsniveau van eiser voldoende heeft gemotiveerd dat van eiser mag worden verwacht dat hij meer kan verklaren over de reden waarom hij Tsjadische paspoort na aankomst in Frankrijk aan een onbekend persoon heeft afgegeven waardoor het onmogelijk is geworden om dit document te onderzoeken. De minister heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser vermoedelijk met opzet een identiteits- of reisdocument heeft vernietigd.

21. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw aan eiser kunnen tegenwerpen. De minister heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat het vermoeden bestaat dat eiser zich opzettelijk heeft ontdaan van zijn Tsjadische paspoort. De beroepsgrond slaagt niet.

Conclusie en gevolgen

22. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. S.G.M. van Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. I.S. Bunnik, griffier.

Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 13 februari 2026.

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. S.G.M. van Veen

Griffier

  • mr. I.S. Bunnik

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?