ECLI:NL:RBDHA:2026:4713

ECLI:NL:RBDHA:2026:4713

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer 09/224673-25
Rechtsgebied Strafrecht
Procedure Eerste aanleg - meervoudig
Zittingsplaats Den Haag

Samenvatting

Bewezenverklaring van opzetaanranding van een 65 jaar jongere vrouw. Oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen waarvan 77 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren met als bijzondere voorwaarde een meldplicht.

Uitspraak

Rechtbank DEN HAAG

Strafrecht

Meervoudige kamer

Parketnummer: 09/224673-25

Datum uitspraak: 9 maart 2026

Tegenspraak

De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:

[verdachte] ,

geboren op [geboortedatum] 1939 te [geboorteplaats],

BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats].

1. Het onderzoek ter terechtzitting

Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 27 november 2025 (pro forma) en 23 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).

De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. A. Briejer en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsvrouw mr. D.A. van Roon naar voren is gebracht.

Verder heeft de rechtbank kennisgenomen van het verzoek tot schadevergoeding van [aangeefster] en van de nadere toelichting daarop van mr. [naam 1], juridisch medewerker bij Slachtofferhulp Nederland.

2. De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:

hij op of omstreeks 7 augustus 2025 te Gouda met een persoon, te weten [aangeefster]

een of meer seksuele handelingen heeft verricht, te weten door (onverhoeds) over haar buik te aaien, wrijven en/of aan te raken en/of (in) haar borst te knijpen en/of aan te raken terwijl hij, verdachte, wist, althans ernstige reden had om te vermoeden dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.

3. De bewijsbeslissing

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het tenlastegelegde.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit. Op haar specifieke standpunten wordt – voor zover relevant – hierna nader ingegaan.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen.

De rechtbank heeft hierna opgenomen de wettige bewijsmiddelen met de voor de bewezenverklaring redengevende feiten en omstandigheden.

Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL1500-2025271851 van de politie eenheid Den Haag, district Gouda (p. 1 t/m 38).

1. Het proces-verbaal van aangifte van [aangeefster], opgemaakt op 12 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 5-6):

Ik ben werkzaam als receptioniste bij het [hotel] te Gouda.

Een (1) van onze vaste gasten is [verdachte]. Op 7 augustus 2025 stond ik achter de bar van het restaurant. Ik hoorde [verdachte] zeggen 'meid kom eens, kom eens naar de receptie'. Ik liep vanaf de bar richting de receptie en bleef ter hoogte van [verdachte] staan. Uit het niets wreef [verdachte] met zijn rechterhand over mijn buik en kneep onderhands in mijn buik. Direct nadat hij in mijn buik had geknepen, kneep [verdachte] mij in mijn linkerborst. Uit het niets. Ik heb zijn hand direct weggeduwd.

U vraagt mij wat het doel is van het doen van deze aangifte. Ondanks zijn hoge leeftijd wil ik dat [verdachte] wordt gestraft voor deze aanranding. Hij moet gewoon met zijn poten van een ander afblijven.

2. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 15 augustus 2025, voor zover inhoudende (p. 12-13):

Ik, verbalisant, was belast met het bekijken van de camerabeelden van een aanranding, die plaats had gevonden in het [hotel] te Gouda. Bovenin beeld staat de datum weergegeven, 7 augustus 2025.

Ik zie links in beeld een persoon van achter die balie naar de verdachte lopen. Als die persoon helemaal in beeld komt, zie ik dat dit een jonge vrouw is, kennelijk

aangeefster. Zij voert een gesprek met verdachte.

Ik zie dat de verdachte met zijn rechterhand richting de buik van de vrouw gaat.

Ik zie vervolgens dat de verdachte met zijn rechterhand in de borst van de vrouw knijpt.

Ik zie dat de vrouw de hand waarmee de verdachte haar in haar borst knijpt weg duwt met haar linkerhand. De vrouw draait zich van de verdachte weg.

3. De verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 23 februari 2026:

Het klopt dat ik op 7 augustus 2025 aangeefster over haar buik heb geaaid.

Bewijsoverwegingen

Opzetaanranding

De raadsvrouw heeft betoogd dat de verdachte moet worden vrijgesproken, omdat niet kan worden vastgesteld dat de verdachte wist dat de wil van de aangeefster ontbrak.

Opzetaanranding als bedoeld in artikel 241, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht heeft betrekking op situaties waarin de dader seksuele handelingen verricht met een ander en daarbij opzettelijk de ontbrekende wil bij die ander negeert of voor lief neemt. Volgens de wetsgeschiedenis vallen daaronder handelingen die bestaan uit een op (een) seksuele beleving gerichte aanraking(en) van lichaamsdelen. Wanneer die onverhoeds worden verricht, kan dat getuigen van het opzettelijk negeren van de ontbrekende wil. In dat geval is de dader zich bewust van de aantasting van de seksuele integriteit en wil hij de ander geen ruimte geven om zich hiertegen uit te spreken.

Dat de wil bij aangeefster ontbrak blijkt uit het feit dat zij aangifte heeft gedaan van de handelingen en het feit dat (uit de camerabeelden blijkt dat) zij de hand van de verdachte wegduwt op het moment dat hij haar bij haar borst grijpt. Het door de verdachte geschetste alternatieve scenario dat hij en aangeefster al langer een relatie hadden en eerder intiem contact hadden, is naar het oordeel van de rechtbank, mede gelet op de ontkenning van de aangeefster, het zeer grote leeftijdsverschil van 65 jaar en dat hij een gast was in het hotel waar zij werkzaam was, ongeloofwaardig en wordt terzijde geschoven.

De rechtbank dient de vraag te beantwoorden of de verdachte wist dat de wil bij de aangeefster ontbrak. De verdachte aaide haar buik en greep haar bij haar borst. De aangeefster zag dit niet aankomen en hoefde dat ook niet te zien aankomen. Zij was op dat moment immers aan het werk en benaderde de verdachte als gast van het hotel. De verdachte heeft daarmee de wil van aangeefster genegeerd door haar aan te raken zonder haar de ruimte te bieden om haar wil hierover te uiten. Gelet op hetgeen de rechtbank hierboven heeft overwogen, is daarmee sprake van onverhoeds handelen en acht de rechtbank bewezen dat de verdachte de seksuele handelingen heeft verricht, terwijl hij wist dat bij de aangeefster daartoe de wil ontbrak. De rechtbank komt tot een bewezenverklaring van opzetaanranding van de aangeefster.

De bewezenverklaring

De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:

hij op 7 augustus 2025 te Gouda met een persoon, te weten [aangeefster], seksuele handelingen heeft verricht, te weten door (onverhoeds) over haar buik te aaien, wrijven en/of aan te raken en (in) haar borst te knijpen en/of aan te raken, terwijl hij, verdachte, wist dat bij die [aangeefster] daartoe de wil ontbrak.

4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde

Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

5. De strafbaarheid van de verdachte

De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.

6. De strafoplegging

De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, waarvan 6 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van vijf jaren en als bijzondere voorwaarde een meldplicht.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft de rechtbank verzocht met betrekking tot de strafmaat rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, met name zijn leeftijd, kwetsbare gezondheid en medische zorgbehoeften.

Het oordeel van de rechtbank

Na te melden straf is in overeenstemming met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en gegrond op de persoon en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.

Ernst van het feit

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan opzetaanranding van een 65 jaar jongere vrouw. Terwijl deze vrouw aan het werk was in het hotel waar de verdachte verbleef, wreef hij onverwacht over haar buik en kneep hij vervolgens in haar borst. Door zo te handelen heeft de verdachte inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van deze vrouw. Dat deze handelingen van verdachte indruk hebben gemaakt, blijkt uit haar slachtofferverklaring die zij ter terechtzitting heeft voorgelezen. Zij voelde zich na het incident, en nog steeds, erg angstig.

De verdachte heeft verder weinig blijk gegeven van inzicht in het kwalijke van zijn handelen.

Strafblad

De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 1 december 2025, waaruit blijkt dat hij in de afgelopen vijf jaren twee keer tot gevangenisstraffen is veroordeeld voor soortgelijke feiten.

Persoon van de verdachte

De rechtbank heeft acht geslagen op een Pro Justitia-rapport van 12 december 2025, opgemaakt door drs. [naam 2], GZ-psycholoog. De psycholoog concludeert dat bij de verdachte sprake is van een beperkte neurocognitieve stoornis door onbekende etiologie, bestaande uit lichte beperkingen in de cognitieve verwerkingssnelheid, de aandacht, het geheugen en het vermogen om te plannen. Ten tijde van het tenlastegelegde heeft de bestaande beperkte neurocognitieve stoornis geen rol gespeeld bij de verdachte. Dit leidt tot het advies om hem het tenlastegelegde volledig toe te rekenen. Er kan niet worden gesproken van een vanuit psychopathologie bepaald recidive-risico. Volgens de psycholoog bestaan geen gronden voor een behandeladvies in een stafrechtelijk kader. Vanuit zorgoogpunt zou het goed zijn de verdachte te blijven monitoren, omdat de kans bestaat dat de milde neurocognitieve stoornis zich verder zal ontwikkelen tot een dementieel syndroom. De psycholoog adviseert dat de verdachte onder toezicht van de reclassering blijft staan, zodat hem hulp kan worden geboden bij het vinden van een geschikte woning en hij zo nodig kan worden toegeleid naar een juiste vorm van geriatrische hulpverlening. Op deze manier kan er controle op de verdachte blijven bestaan en snel worden ingegrepen indien hij weer grensoverschrijdend gedrag zou (dreigen te) laten zien.

De rechtbank heeft eveneens kennisgenomen van reclasseringsadviezen over de verdachte van 26 augustus 2025, 21 november 2025 en 9 januari 2026. De reclassering heeft het recidiverisico niet kunnen inschatten. De reclassering adviseert bij veroordeling aan de verdachte een straf zonder bijzondere voorwaarden op te leggen. Gelet op de houding van de verdachte ten aanzien van het feit ziet de reclassering geen mogelijkheden tot het opleggen van bijzondere voorwaarden.

Straf

Gelet op wat hiervoor is overwogen, met name over de ernst van het feit en het strafrechtelijke verleden van de verdachte, is de rechtbank van oordeel dat niet kan worden volstaan met een lichtere of andere sanctie dan een straf die deels onvoorwaardelijke vrijheidsbeneming van na te melden duur met zich brengt.

De rechtbank acht het van belang om een voorwaardelijk deel aan de straf te verbinden, om enerzijds de ernst van het gepleegde feit tot uitdrukking te brengen en anderzijds om de verdachte ervan te weerhouden zich in de toekomst opnieuw aan strafbare feiten schuldig te maken.

Alles afwegende vindt de rechtbank oplegging van een deels voorwaardelijke gevangenisstraf, waarvan het onvoorwaardelijke deel gelijk is aan de duur van het voorarrest, een passende straf. De rechtbank zal daarom overgaan tot oplegging van een gevangenisstraf van 180 dagen, waarvan 77 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van 3 jaren. Ondanks het advies van de reclassering ziet de rechtbank meerwaarde in het opleggen van een meldplicht gezien de conclusie van de psycholoog in het Pro Justitia-rapport hierover, zodat de verdachte kan worden gemonitord. De rechtbank stelt als bijzondere voorwaarde een meldplicht bij de reclassering.

7. De vordering van de benadeelde partij en de schadevergoedingsmaatregel

[aangeefster] heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en een schadevergoeding van € 400,00 gevorderd, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat uit immateriële schade.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering tot

schadevergoeding moet worden toegewezen, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich primair op het standpunt gesteld dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering tot schadevergoeding. Subsidiair heeft de verdediging verzocht de vordering van de benadeelde partij slechts toe te wijzen voor zover deze voldoende is onderbouwd en in redelijkheid aan de verdachte kan worden toegerekend.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij immateriële schade heeft geleden en

dat deze schade het rechtstreeks gevolg is van het bewezenverklaarde feit. Op grond van artikel 6:106, sub b, BW komt een benadeelde schadevergoeding toe indien deze lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Op grond van het dossier en het onderzoek ter terechtzitting kan worden vastgesteld dat de benadeelde partij rechtstreeks immateriële schade heeft geleden door het bewezenverklaarde feit. De rechtbank acht, gelet op de gegeven toelichting, aannemelijk dat de benadeelde partij op andere wijze in de persoon is aangetast en is van oordeel dat het gevorderde bedrag van € 400,00 billijk is.

Toe te wijzen bedrag

De rechtbank zal - gelet op het voorgaande - de vordering toewijzen tot een bedrag van

€ 400,00, bestaande uit immateriële schade.

Wettelijke rente

De rechtbank zal de gevorderde wettelijke rente toewijzen met ingang van 7 augustus 2025, omdat vast is komen te staan dat de schade vanaf die datum is ontstaan.

Proceskosten

Nu de vordering wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die

de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De

rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte

veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze

uitspraak nog moet maken.

De schadevergoedingsmaatregel

De verdachte zal voor het bewezen verklaarde strafbare feit worden veroordeeld en is

daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan haar is

toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te

betalen een bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster].

8. De toepasselijke wetsartikelen

De op te leggen straf en maatregel zijn gegrond op artikelen 14a, 14b, 14c, 36f en 241 van het Wetboek van Strafrecht.

Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.

9. De beslissing

De rechtbank:

verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.5 bewezen is verklaard;

verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;

verklaart het bewezen verklaarde strafbaar en dat het bewezen verklaarde uitmaakt:

opzetaanranding :

verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;

veroordeelt de verdachte tot:

een gevangenisstraf voor de duur van 180 (HONDERDTACHTIG) DAGEN;

bepaalt dat de tijd door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijk gedeelte van de hem opgelegde gevangenisstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;

bepaalt dat een gedeelte van die straf, groot 77 (ZEVENENZEVENTIG) DAGEN, niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de verdachte zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

en onder de bijzondere voorwaarde dat de verdachte:

- zich gedurende de proeftijd meldt bij het Leger des Heils aan de Binckhorstlaan 287-A te Den Haag op door de reclassering te bepalen tijdstippen, zo frequent en zolang de reclassering dat noodzakelijk acht;

geeft opdracht aan het Leger des Heils tot het houden van toezicht op de naleving van voormelde voorwaarde en de verdachte ten behoeve daarvan te begeleiden;

voorwaarden daarbij zijn dat de verdachte gedurende de proeftijd:

- ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking zal verlenen aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14c, zesde lid, van het Wetboek van Strafrecht, de medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclassering zo vaak en zolang als de reclassering dit noodzakelijk acht daaronder begrepen;

heft op het geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte;

de vordering van de benadeelde partij;

wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij geheel toe tot een bedrag van € 400,00 en veroordeelt de verdachte om dit bedrag, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot de dag waarop deze vordering is betaald, te betalen aan [aangeefster];

proceskosten;

veroordeelt de verdachte tevens in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;

de schadevergoedingsmaatregel;

legt aan de verdachte op de verplichting om aan de Staat te betalen een bedrag van € 400,00, vermeerderd met de wettelijke rente daarover vanaf 7 augustus 2025 tot aan de dag dat dit bedrag is betaald, ten behoeve van [aangeefster];

bepaalt dat als het verschuldigde bedrag niet volledig wordt betaald of kan worden verhaald, gijzeling kan worden toegepast voor de duur van 4 dagen, waarbij de toepassing van gijzeling de hiervoor opgelegde betalingsverplichting niet opheft;

bepaalt dat gehele of gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de benadeelde

partij de betalingsverplichting aan de Staat in zoverre doet vervallen, en dat gehele of

gedeeltelijke betaling van het verschuldigde bedrag aan de Staat de betalingsverplichting

aan de benadeelde partij in zoverre doet vervallen.

Dit vonnis is gewezen door

mr. S.M. Krans, voorzitter,

mr. R. Wieringa, rechter,

mr. I. Jadib, rechter,

in tegenwoordigheid van mr. E.M. van Ginkel en mr. C.W.I. Ostendorf, griffiers,

en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 9 maart 2026.

Zittende Magistratuur

Rechters

  • mr. S.M. Krans
  • mr. R. Wieringa
  • mr. I. Jadib

Griffier

  • mr. E.M. van Ginkel en mr. C.W.I. Ostendorf

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?