RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , eiser
het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummers: AWB 25/10687
V-nummer: [V-nummer]
(gemachtigde: mr. J.W. Rohlof),
en
(gemachtigde: mr. D.G.J. van de Braak).
Procesverloop
Deze uitspraak gaat over het beroep van eiser tegen het besluit tot overplaatsing naar een opvanglocatie voor meerderjarige asielzoekers (reguliere opvanglocatie).
Op 10 maart 2025 heeft het COa in een e-mail aan de opvanglocatie voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen waar eiser op dat moment verbleef, laten weten dat eiser door de Immigratie en Naturalisatiedienst (IND) als meerderjarige is aangemerkt. Het COa is daarom voornemens om eiser over te plaatsen naar een reguliere opvanglocatie. Deze e-mail is op 13 maart 2025 doorgestuurd aan de gemachtigde van eiser. Eiser heeft bezwaar gemaakt tegen dit voornemen. Met een besluit van 17 april 2025 heeft het COa het bezwaar ongegrond verklaard.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het besluit. Ook heeft eiser de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen. Dit verzoek is geregistreerd onder zaaknummer AWB 25/10692. Met een uitspraak van 10 juli 2025 heeft de voorzieningenrechter dit verzoek afgewezen.
Op 20 november 2025 heeft eiser een aanvullend beroepschrift ingediend. Hieruit blijkt dat hij inmiddels is overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie. Eiser geeft aan dat hij daar nu een sociaal netwerk heeft opgebouwd en dat hij daarom niet teruggeplaatst wil worden naar zijn vorige opvangplek.
Het COa heeft met een verweerschrift gereageerd op het aanvullend beroepschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 25 november 2025 op zitting behandeld. Partijen zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen.
Beoordeling door de rechtbank
Procesbelang
2. In een e-mail van 24 november 2025, gericht aan de rechtbank en de gemachtigde van eiser, heeft het COa de vraag opgeworpen of eiser nog procesbelang heeft bij de beroepsprocedure. Het vergoeden van de proceskosten levert immers geen zelfstandig procesbelang op. Nu eiser geen prijs meer stelt op een beslissing over de overplaatsing naar een reguliere opvanglocatie en eiser niet meer verzoekt terug te worden geplaatst naar de opvangvoorziening voor minderjarigen, stelt het COa zich op het standpunt dat eiser geen inhoudelijk belang meer heeft bij deze zaak.
3. Van procesbelang is sprake als het resultaat dat de indiener van een beroepschrift met het indienen van het beroep nastreeft daadwerkelijk kan worden bereikt en het realiseren van dat resultaat voor deze indiener feitelijk betekenis kan hebben. Het hebben van een louter formeel of principieel belang is onvoldoende voor het aannemen van procesbelang. Als sprake is van een periode die al verstreken is, blijft procesbelang aanwezig als een inhoudelijk oordeel over het bestreden besluit van belang kan zijn voor een toekomstige periode. Daarnaast kan procesbelang aanwezig blijven in verband met de beoordeling van een verzoek om schadevergoeding, tenzij op voorhand onaannemelijk is dat schade als gevolg van de besluitvorming is geleden.
4. De rechtbank overweegt als volgt. In het geval dat wel wordt uitgegaan van de door eiser gestelde geboortedatum van [geboortedatum 1] 2008, dan is eiser te vroeg overgeplaatst naar de reguliere opvanglocatie en heeft hij daarmee geen toegang gehad tot voorzieningen die specifiek zijn toegesneden op de opvang van minderjarige asielzoekers. Ondanks dat eiser niet concreet heeft gemaakt waarin zijn mogelijke schade zou zijn gelegen, kan niet op voorhand worden uitgesloten dat eiser, indien de rechtbank zou oordelen dat het bestreden besluit onrechtmatig is, aanspraak kan maken op schadevergoeding. Eiser heeft daarom belang bij een uitspraak op zijn beroep.
Standpunten van partijen
5. Eiser voert – samengevat – aan dat het besluit tot overplaatsing onrechtmatig, onzorgvuldig en onvoldoende gemotiveerd is geweest, nu dit besluit ten onrechte uitgaat van de meerderjarigheid van eiser. Eiser stelt dat hij met de op 15 augustus 2025 overgelegde documenten heeft aangetoond dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2008 en dat hij daarom pas in 2026 meerderjarig wordt. Desondanks is eiser inmiddels overgeplaatst naar een reguliere opvanglocatie. Hij wenst niet teruggeplaatst te worden naar zijn vorige opvangplek tot hij wel meerderjarig is, omdat hij een netwerk heeft opgebouwd bij de reguliere opvanglocatie.
6. Het COa stelt zich op het standpunt dat zij niet zelf een geboortedatum registreert, maar uitgaat van de registratie in de Basis Voorziening Vreemdelingen (BVV) door de IND. Op 8 oktober 2024 is eiser meerderjarig verklaard door de IND en is de geboortedatum
[geboortedatum 2] 2000 in de BVV geregistreerd. Het COa gaat daarom uit van die geboortedatum. Dat de IND – zonder hiervan een kennisgeving op te stellen – de geboortedatum tussentijds heeft gewijzigd naar minderjarig en dit vervolgens weer heeft teruggedraaid, maakt dat niet anders. Het COa is hier immers niet verantwoordelijk voor en heeft geen zeggenschap in de leeftijdsregistratie. Het COa mocht uitgaan van de leeftijd zoals die is geregistreerd door de IND, nu niet is gebleken dat de aan het COa bekendgemaakte concrete aanknopingspunten niet zijn meegenomen in de leeftijdsbeoordeling van de IND. Voor wat betreft de leeftijdsbepaling dient eiser zich te richten tot de IND. Het COa is daarbij geen procespartij.
Oordeel van de rechtbank
7. De rechtbank volgt de uitspraak die de voorzieningenrechter op 10 juli 2025, in het met deze zaak samenhangende verzoek om een voorlopige voorziening te treffen, heeft gedaan. Uit die uitspraak volgt dat het COa – mede naar aanleiding van de memo’s van de IND van 11 april 2024 en 3 juni 2025 – uit mocht gaan van de meerderjarigheid van eiser en dat het COa in het bestreden besluit ook een eigen beoordeling heeft gemaakt van de opvangbehoeften van eiser. Gelet op de door eiser op 15 augustus 2025 overgelegde documenten, te weten een geboorteakte en een identiteitscertificaat, heeft het COa (wederom) navraag gedaan bij de minister over de leeftijdsbepaling. Uit de memo van de IND, die het COa heeft meegestuurd met het verweerschrift van 20 november 2025, blijkt dat de IND de door eiser overgelegde documenten heeft laten onderzoeken door Bureau Documenten. In die memo staat dat uit het Algemeen Ambtsbericht van de minister van Buitenlandse Zaken inzake Somalië van april 2025 (het Ambtsbericht) blijkt dat er veel frauduleuze Somalische documenten in omloop zijn en dat hoewel Bureau Documenten de documenten positief heeft beoordeeld, dit niets zegt over de (inhoudelijke) juistheid van de documenten. Daarnaast gaat het om indicatieve documenten en zijn het dus geen identificerende documenten. Ook vindt de IND het opvallend dat eiser tijdens het aanmeldgehoor van 8 oktober 2024 heeft verklaard nooit in bezit te zijn geweest van documenten en hij veel later desondanks deze documenten alsnog heeft overgelegd. De door eiser overgelegde stukken zijn dus in de memo betrokken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft het COa zorgvuldig gehandeld door de minister om informatie te vragen over de leeftijdsbepaling van eiser en vervolgens een eigen standpunt te vormen over eisers opvangbehoeften. In dat verband heeft het COa kunnen overwegen dat het oordeel van de minister over de leeftijdsbepaling kan worden gevolgd en dat niet is gebleken welke opvangbehoeften eiser mist maar wel zou behoeven en waarin niet kan worden voorzien in een reguliere opvanglocatie, dan wel door het leveren van maatwerk en/of plaatsing op de intensief begeleidende opvanglocatie. Eiser heeft immers bij bericht van 20 november 2025 laten weten dat het niet in zijn belang is om vanuit de reguliere opvang waar hij verblijft en waar hij onder andere een netwerk heeft opgebouwd, weer overgeplaatst te worden naar zijn vorige opvangplek.
8. De rechtbank ziet in het feit dat de IND tussentijds de leeftijd van eiser heeft aangepast en vervolgens weer terug heeft veranderd geen grond om een zorgvuldigheidsgebrek in het bestreden besluit van het COa aan te nemen.
Conclusie en gevolgen
9. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Voor een proceskostenveroordeling of vergoeding van het griffierecht bestaat bij deze uitkomst geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Skerka, rechter, in aanwezigheid van
mr. A.C. Hummel griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 17 februari 2026.
Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op:
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.