Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/291609-25
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte] ,
geboren op [geboortedatum] 1984 te [geboorteplaats] ,
BRP-adres: [adres] , [postcode] [woonplaats] .
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzitting van 24 februari 2026.
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. D.F.R. de Vrught en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. J.M. van Dam naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
hij op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van 29 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 te Wassenaar en/of Rijswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door geweld en/of bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag (van EUR 93.000,-), in elk geval enig goed, dat/die geheel of ten dele aan die [slachtoffer] en/of een derde toebehoorde(n)
- die [slachtoffer] een bericht heeft gestuurd met de tekst: "je moet gaan betalen doe je dat niet dan loopt er een deurwaarder" en/of
- zich heeft voorgedaan als de persoon achter '[schuilnaam]' en/of vanuit die hoedanigheid contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en/of
- ( vervolgens) een of meer berichten heeft gestuurd met de tekst:
"Brother. Er zijn twee opties
1. je maakt vandaag die geld over naar die man
2 ik ga mee bemoeien en je gaat incasso kosten betalen.
Wij weten alles!!! 12 uur antwoort anders zie je mij straks brother" en/of
- een of meer foto's heeft gestuurd van de woning van die [slachtoffer] , de woning van zijn dochter en/of het pand van [bedrijfsnaam] met het bericht "Brother je neemt ons niet serieus je gaat praten met [naam] ontkent alles! Ik heb alles gezien gelezen er is naar jou spullen 93K betaald jij wilt niet netjes oplossen nu is het 103K en je hebt tot 6 uur anders gaan er gekke dingen gebeuren" en/of
- een foto heeft gestuurd van de brievenbus van het bedrijf [bedrijfsnaam] waarop een op een
explosief/cobra gelijkend voorwerp was vastgeplakt en/of daarbij de tekst "Goodmorning
slaapkop mijn soldaten slapen niet dag en nacht last warning ik contact je om 12 uur als je niet vraagt om IBAN gaan de games beginnen nothing to lose here",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
3. De bewijsbeslissing
Opgave van bewijsmiddelen
De rechtbank zal volstaan met een opgave van bewijsmiddelen, als genoemd in artikel 359, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering. De verdachte heeft het tenlastegelegde feit namelijk bekend en daarna niet anders verklaard. Daarnaast heeft de officier van justitie gerekwireerd tot bewezenverklaring en heeft de raadsman geen vrijspraak bepleit.
Wanneer hierna wordt verwezen naar een proces-verbaal, wordt - tenzij anders vermeld - bedoeld een ambtsedig proces-verbaal, opgemaakt in de wettelijke vorm door (een) daartoe bevoegde opsporingsambtena(a)r(en). Wanneer hierna wordt verwezen naar dossierpagina’s, betreft dit de pagina’s van het proces-verbaal met het nummer PL 1500-2025367550, van de politie eenheid Den Haag met bijlagen (doorgenummerd pagina 1 t/m 95).
De rechtbank gebruikt de volgende bewijsmiddelen:
1. De bekennende verklaring van de verdachte, afgelegd op de terechtzitting van 24 februari 2026;
2. Het proces-verbaal van aangifte, opgemaakt op 30 oktober 2025 (p. 38 t/m 41);
3. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 30 oktober 2025 (p. 43);
4. Het proces-verbaal van aanvullend verhoor aangever, opgemaakt op 31 oktober 2025 (p. 45 t/m 47);
5. Het proces-verbaal van bevindingen, opgemaakt op 2 november 2025 (p. 63 t/m 78).
De bewezenverklaring
De rechtbank is met betrekking tot het ten laste gelegde feit van oordeel dat dit feit wettig en overtuigend is bewezen. De rechtbank verklaart ten laste van de verdachte bewezen dat:
hij in de periode van 29 oktober 2025 tot en met 31 oktober 2025 te Wassenaar en/of Rijswijk, althans in Nederland, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om met het oogmerk om zich of een ander wederrechtelijk te bevoordelen door bedreiging met geweld [slachtoffer] te dwingen tot de afgifte van een geldbedrag van EUR 93.000,- dat geheel of ten dele aan die [slachtoffer] toebehoorde
- die [slachtoffer] een bericht heeft gestuurd met de tekst: "je moet gaan betalen doe je dat niet dan loopt er een deurwaarder" en
- zich heeft voorgedaan als de persoon achter '[schuilnaam]' en vanuit die hoedanigheid contact heeft opgenomen met [slachtoffer] en
- vervolgens een of meer berichten heeft gestuurd met de tekst:
"Brother. Er zijn twee opties
1. je maakt vandaag die geld over naar die man
2 ik ga mee bemoeien en je gaat incasso kosten betalen.
Wij weten alles!!! 12 uur antwoort anders zie je mij straks brother" en
- een of meer foto's heeft gestuurd van de woning van die [slachtoffer] , de woning van zijn dochter en het pand van [bedrijfsnaam] met het bericht "Brother je neemt ons niet serieus je gaat praten met [naam] ontkent alles! Ik heb alles gezien gelezen er is naar jou spullen 93K betaald jij wilt niet netjes oplossen nu is het 103K en je hebt tot 6 uur anders gaan er gekke dingen gebeuren" en
- een foto heeft gestuurd van de brievenbus van het bedrijf [bedrijfsnaam] waarop een op een
explosief gelijkend voorwerp was vastgeplakt en daarbij de tekst "Goodmorning
slaapkop mijn soldaten slapen niet dag en nacht last warning ik contact je om 12 uur als je niet vraagt om IBAN gaan de games beginnen nothing to lose here",
terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
4. De strafbaarheid van het bewezen verklaarde
Het bewezen verklaarde is volgens de wet strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.
5. De strafbaarheid van de verdachte
De verdachte is eveneens strafbaar, omdat er geen feiten of omstandigheden aannemelijk zijn geworden die zijn strafbaarheid uitsluiten.
6. De strafoplegging
De vordering van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een taakstraf van 120 uren, subsidiair 60 dagen hechtenis, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht, en een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van twee maanden met een proeftijd van twee jaren.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat een lagere taakstraf dan door de officier van justitie geëist hier op zijn plaats zou zijn. Daartoe is aangevoerd dat sprake is van het ‘’terughalen van eigen geld’’ en dat dat een andere situatie is dan afpersen om het afpersen. De verdachte is bovendien volgens de verdediging al door de gehele situatie gestraft.
Het oordeel van de rechtbank
Bij de strafoplegging houdt de rechtbank rekening met de ernst van het gepleegde feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoonlijke omstandigheden van de verdachte, zoals daarvan tijdens het onderzoek op de terechtzitting is gebleken. De rechtbank neemt hierbij in het bijzonder het volgende in aanmerking.
Ernst van het feit
De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot afpersing door [slachtoffer] (hierna ook: het slachtoffer) onder druk te zetten en te bedreigen zodat hij hem een geldbedrag van € 93.000,- zou (terug)betalen. De verdachte heeft om dit voor elkaar te krijgen bedreigende berichten gestuurd, zich voorgedaan als een derde, foto’s van de woning van het slachtoffer en zijn dochter gemaakt en die foto’s aan hem verstuurd. Bovendien heeft hij een op een explosief-gelijkend voorwerp bevestigd op de brievenbus van het bedrijf van het slachtoffer. De aanleiding voor dit gedrag betreft een zakelijk conflict. Dergelijke conflicten kunnen beslecht worden door tussenkomst van de civiele rechter. In plaats daarvan is de verdachte in feite overgegaan tot eigenrichting. Voor dergelijk gedrag is geen plaats of rechtvaardiging in ons rechtsstelsel. Niet van belang daarvoor is of de verdachte zelf meende gerechtigd te zijn tot terugbetaling. Deze poging tot afpersing is een ernstig feit dat grote impact heeft gehad op het leven van het slachtoffer en zijn gezin en zijn gevoel van veiligheid. Dit te meer nu de verdachte is overgegaan tot het plaatsen van een explosief-gelijkend voorwerp aan de brievenbus van het bedrijf van de verdachte. Het is immers een feit van algemene bekendheid, gezien de vele nieuwsberichten over de plaatsing van explosieve voorwerpen zoals zogenoemde cobra’s, dat het exploderen van dergelijke voorwerpen ernstige gevolgen voor huizen en mensen kunnen hebben. Voor een leek is het verschil tussen echt en nep veelal niet te onderscheiden. De verdachte heeft ook daadwerkelijk de intentie gehad om het slachtoffer hiermee schrik aan te jagen. De strafbare gedragingen van de verdachte zorgen bovendien meer in zijn algemeenheid voor gevoelens van onrust en onveiligheid in de samenleving. Hieraan kent de rechtbank bij haar strafoplegging zwaarwegende betekenis toe.
In strafverminderende zin houdt de rechtbank rekening met de omstandigheid dat sprake is van een poging en niet van een voltooide afpersing.
Strafblad
De rechtbank heeft kennisgenomen van het strafblad van de verdachte van 8 januari 2026. Hierop zijn geen recente veroordelingen te vinden, zodat de rechtbank bij haar strafoplegging geen betekenis toekent aan het strafblad van de verdachte.
Persoon van de verdachte
De rechtbank heeft ter zitting met de verdachte gesproken over zijn persoonlijke omstandigheden. Hij is gescheiden en heeft geen vaste woon- of slaapplek. Verdachte is weer aan de slag gegaan met zijn eigen bedrijf, het importeren van auto’s uit Duitsland. Samen met zijn ex-vrouw heeft hij de zorg voor zijn vier kinderen, waarvan een dochter een beperking heeft en naar het speciaal onderwijs gaat. Hiermee houdt de rechtbank bij haar strafoplegging rekening ten gunste van de verdachte.
De strafoplegging
De rechtbank is, alles afwegende en gelet op wat in vergelijkbare gevallen doorgaans wordt opgelegd, van oordeel dat een taakstraf in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is.
Door het opleggen van de taakstraf zal de verdachte consequenties ervaren die het gevolg zijn van zijn strafbare handelen. Met de voorwaardelijke gevangenisstraf wordt de ernst van de gepleegde feiten tot uitdrukking gebracht en deze voorwaardelijke gevangenisstraf dient daarnaast als prikkel voor de verdachte om zich in de toekomst ervan te weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.
Al met al acht de rechtbank een onvoorwaardelijke taakstraf van 120 uur en een voorwaardelijke gevangenisstraf van twee maanden met een proeftijd van drie jaar passend en geboden. Gezien de ernst van het feit en omstandigheden waaronder deze gepleegd zijn, ziet de rechtbank aanleiding om een langere proeftijd op te leggen dan de officier van justitie heeft geëist, namelijk een proeftijd van drie jaar.
7. De vordering van de benadeelde partij/de schadevergoedingsmaatregel
Het slachtoffer heeft zich als benadeelde partij gevoegd in het strafproces en vordert een schadevergoeding van € 12.667,11, te vermeerderen met de wettelijke rente. Dit bedrag bestaat volgens de vordering uit € 7.402,11 aan materiële schade en € 5.265,- aan immateriële schade.
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot toewijzing van de materiële schade tot een bedrag van € 517,11, tot toewijzing van de immateriële schade tot een bedrag van € 1.500,-, tot toewijzing van de wettelijke rente over deze posten en tot niet-ontvankelijk verklaring voor het overige. Daarnaast heeft zij gevorderd de schadevergoedingsmaatregel toe te passen.
Het standpunt van de verdediging
De verdediging heeft betwist dat de benadeelde partij schade heeft geleden en aangevoerd dat zowel de materiële schade als de immateriële onvoldoende onderbouwd is en hij daarom niet-ontvankelijk verklaard moet worden in zijn vordering. Met betrekking tot het gevorderde bedrag van € 517,11 voor het inschakelen van een beveiligingsbedrijf is aangevoerd dat die beveiliging betrekking zou hebben gehad op de woning van de dochter van de benadeelde partij en dat die kosten daarom niet voor vergoeding in aanmerking komen.
Het oordeel van de rechtbank
Het is aan de benadeelde partij om voldoende feiten en omstandigheden te stellen waaruit blijkt dat hij door het handelen van de verdachte schade heeft geleden. Daarnaast is het aan hem om, bij betwisting daarvan, die feiten en omstandigheden te onderbouwen.
De beveiligingskosten van € 517,11 worden toegewezen
De rechtbank is van oordeel dat de benadeelde partij voldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld waaruit blijkt dat hij schade heeft geleden door het inschakelen van een beveiligingsbedrijf. De verdediging heeft (alleen) de hoogte van deze schadepost betwist. De kosten ter hoogte van € 517,11 heeft de benadeelde partij met een factuur onderbouwd. Anders dan door de verdediging bepleit, volgt uit die factuur niet dat de beveiliging slechts betrekking zou hebben gehad op de woning van de dochter van de benadeelde partij. De rechtbank zal de vordering voor zover deze ziet op deze geleden materiële schade dan ook toewijzen.
De benadeelde partij is voor het overige niet-ontvankelijk in zijn vordering
Voor het restant van de gevorderde materiële schade en voor de gevorderde immateriële schade geldt dat de verdediging heeft betwist dat de benadeelde partij deze schade heeft geleden. Weliswaar heeft de benadeelde partij enige schriftelijke informatie overgelegd ter onderbouwing van de gestelde materiële schade, maar zonder verdere onderbouwing in het licht van de betwisting van de verdediging, die ontbreekt, kan de rechtbank niet vaststellen of deze schade is geleden. Hetzelfde geldt voor de gestelde geleden immateriële schade, waarbij de benadeelde partij kennelijk zijn vordering grondt op een aantasting van zijn persoon ‘op andere wijze’, nu hij desgevraagd ter terechtzitting heeft meegedeeld geen arts of psycholoog te hebben geraadpleegd in verband met geestelijk letsel. De benadeelde partij alsnog de gelegenheid geven voor een nadere onderbouwing, zou een onevenredige belasting van het strafgeding opleveren. De rechtbank zal hem daarom niet-ontvankelijk verklaren voor het overige deel van zijn vordering. Dit deel kan hij slechts bij de burgerlijke rechter aanbrengen.
Wettelijke rente
De vordering tot vergoeding van de wettelijke rente is gegrond op de wet en daarom toewijsbaar. Nu de schade concreet begroot is op daadwerkelijk gemaakte kosten, wordt de schade geacht te zijn geleden op de factuurdatum van deze kosten. Op dat moment is de vordering ontstaan tot betaling van die kosten door de benadeelde partij. De factuur is gedateerd op 11 november 2025, zodat de wettelijke rente over € 517,11 toegewezen wordt vanaf 11 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
Proceskosten
Nu de vordering gedeeltelijk wordt toegewezen, zal de verdachte worden veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij tot aan deze uitspraak in verband met de vordering heeft gemaakt. De rechtbank begroot deze kosten tot op heden op nihil. Daarnaast wordt de verdachte veroordeeld in de kosten die de benadeelde partij voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak nog moet maken.
Schadevergoedingsmaatregel
De verdachte zal voor het tenlastegelegde feit worden veroordeeld en hij is daarom tegenover de benadeelde partij aansprakelijk voor schade die door dit feit aan hem is toegebracht. De rechtbank zal aan de verdachte de verplichting opleggen om aan de Staat te betalen een bedrag van € 517,11, bestaande uit materiële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente daarover vanaf 11november 2025 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald.
8. De toepasselijke wetsartikelen
De op te leggen straffen zijn gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 45 en 317 van het Wetboek van Strafrecht;
Deze voorschriften zijn toegepast, zoals zij ten tijde van het bewezen verklaarde rechtens golden dan wel ten tijde van deze uitspraak rechtens gelden.
9. De beslissing
De rechtbank:
verklaart wettig en overtuigend bewezen, dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan, zoals hierboven onder 3.2 bewezen is verklaard;
verklaart niet bewezen hetgeen aan de verdachte meer of anders is tenlastegelegd dan hierboven is bewezen verklaard en spreekt de verdachte daarvan vrij;
verklaart het bewezenverklaarde strafbaar en dat het bewezenverklaarde uitmaakt:
poging tot afpersing;
verklaart de verdachte daarvoor strafbaar;
veroordeelt de verdachte tot:
een taakstraf voor de tijd van 120 (HONDERDTWINTIG) UREN;
beveelt, voor het geval dat de veroordeelde de taakstraf niet naar behoren verricht, dat vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de tijd van 60 (ZESTIG) DAGEN;
beveelt dat de tijd, door de veroordeelde vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, bij de tenuitvoerlegging van de taakstraf geheel in mindering zal worden gebracht, voor zover die tijd niet reeds op een andere straf in mindering is gebracht;
bepaalt de maatstaf volgens welke de aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht zal geschieden op 2 uren per dag.
veroordeelt de verdachte voorts tot:
een gevangenisstraf voor de duur van 2 (TWEE) MAANDEN;
bepaalt dat die straf niet zal worden tenuitvoergelegd onder de algemene voorwaarde dat de veroordeelde zich voor het einde van de hierbij op drie jaren vastgestelde proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij:
wijst de vordering tot schadevergoeding van de benadeelde partij toe tot een bedrag van € 517,11, bestaande uit materiële schade, vermeerderd met de gevorderde wettelijke rente daarover vanaf 11 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald, te betalen aan [slachtoffer] ;
verklaart dat het meer of anders door de benadeelde partij gevorderde niet-ontvankelijk is in de vordering tot schadevergoeding en dat de benadeelde partij dit deel van de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen
veroordeelt de verdachte in de proceskosten van de benadeelde partij, begroot op nihil, en de kosten die ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog gemaakt moeten worden;
legt aan de verdachte de verplichting op tot betaling aan de Staat ten behoeve van [slachtoffer] van een bedrag van € 517,11, bestaande uit materiële schade, en tot betaling van de wettelijke rente over € 517,11 vanaf 11 november 2025 tot de dag waarop dit bedrag volledig is betaald;
bepaalt dat, als de verdachte niet het volledige bedrag betaalt en/of niet het volledige bedrag op hem kan worden verhaald, gijzeling zal worden toegepast voor de duur van 5 dagen. Het toepassen van gijzeling ontslaat de verdachte niet van zijn betalingsverplichting aan de Staat;
bepaalt dat als de verdachte de toegewezen schadevergoeding deels of geheel aan de benadeelde partij heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel te betalen aan de Staat en dat als de verdachte het toegewezen bedrag deels of geheel aan de Staat heeft betaald, de verdachte niet verplicht is om dat deel aan de benadeelde partij te betalen.
Dit vonnis is gewezen door
mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, voorzitter,
mr. L.K. van Zaltbommel, rechter,
mr. J.G. Bruinsma, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2026.