Rechtbank DEN HAAG
Strafrecht
Meervoudige kamer
Parketnummer: 09/213764-25
Datum uitspraak: 10 maart 2026
Tegenspraak
De rechtbank Den Haag heeft op de grondslag van de tenlastelegging en naar aanleiding van het onderzoek op de terechtzitting het navolgende vonnis gewezen in de zaak van de officier van justitie tegen de verdachte:
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1994 te [geboorteplaats] ([geboorteland]),
BRP-adres: [adres], [postcode] [woonplaats],
op dit moment gedetineerd in de penitentiaire inrichting [plaats], [locatie].
1. Het onderzoek ter terechtzitting
Het onderzoek is gehouden op de terechtzittingen van 21 oktober 2025 en 9 december 2025 (beide pro forma) en 24 februari 2026 (inhoudelijke behandeling).
De rechtbank heeft kennisgenomen van de vordering van de officier van justitie mr. R.H. Limburg en van hetgeen door de verdachte en zijn raadsman mr. L.E. Buiting naar voren is gebracht.
2. De tenlastelegging
Aan de verdachte is ten laste gelegd dat:
1
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk een ander, te weten [aangever] van het leven te beroven, die [aangever] met een mes, dan wel een scherp puntig voorwerp, in de hals/nek heeft gestoken, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
2
hij op of omstreeks 13 juli 2025 te Alphen aan den Rijn ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een ander, te weten [aangever] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen met een (afgebroken) flessenhals, dan wel een scherp puntig voorwerp, tegen de schouder/bovenarm, althans het lichaam, heeft geslagen, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid.
3. De bewijsbeslissing
Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gerekwireerd tot bewezenverklaring van het onder 1 en 2 tenlastegelegde en heeft gevorderd dat de verdachte wordt veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 42 maanden, met aftrek van de tijd in voorarrest doorgebracht.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft namens de verdachte integrale vrijspraak van het tenlastegelegde bepleit.
Vrijspraak
De rechtbank stelt op basis van de verklaringen van de verdachte, de aangever en de aanwezige getuigen vast dat er op 13 juli 2025 zowel in de tuin als binnen in de woning een ruzie heeft plaatsgevonden tussen verdachte en de aangever, waarbij de aangever letsel aan zijn nek en op zijn rechterborst heeft opgelopen.
De aangever heeft verklaard dat hij en de verdachte in een handgemeen verzeild raakten, waarna de verdachte hem met een afgebroken flessenhals op zijn rechterschouder heeft geslagen en vervolgens – bij de trap in de woning - met een mes in zijn hals heeft gestoken. De aangever heeft dat mes niet gezien.
De moeder van de verdachte heeft verklaard dat de verdachte bij het begin van de ruzie een mes vast had en daarmee aan het zwaaien was, maar dat dit mes hem was afgepakt en door haar in de vuilnisbak is gegooid. Op het moment van het incident, dus daarna, bevond zij zich zoals zij heeft verklaard op het toilet. Toen zij daarvan terugkwam, zag zij in de keuken dat haar man gewond was geraakt en bloedde. Geen van de andere getuigen heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte een mes heeft vastgehad of daarmee heeft gestoken.
De verdachte heeft zelf verklaard dat hij wel een mes heeft vastgehad, maar dat hij dat op een eerder moment al had laten vallen. Hij ontkent daarmee te hebben gestoken. Het mes is later door een van de verbalisanten aangetroffen in de prullenbak. Een indicatieve test gaf een negatief resultaat voor aanwezige bloedsporen op het mes.
De verdachte heeft verder verklaard dat hij een lege fles tegen het keukenraam heeft geslagen en de afgebroken flessenhals in de richting van de aangever heeft gegooid, en dat deze tegen de rug van aangever kwam. Geen van de andere getuigen heeft verklaard te hebben gezien dat de verdachte met een kapotgeslagen fles heeft gegooid of geslagen. Wel constateerden verbalisanten dat het raam tussen de achtertuin en de keuken ingeslagen was.
Ten aanzien van feit 1 en 2
De rechtbank constateert dat ten aanzien van beide ten laste gelegde feiten de getuigenverklaringen, de verklaring van de aangever en de verklaring van verdachte op essentiële punten – zowel in vergelijking met elkaar als ook op zichzelf beschouwd –uiteenlopen en niet consistent zijn. Van belang is bovendien dat een medische rapportage en een forensisch onderzoek naar de verwondingen, het mes en de afgebroken flessenhals ontbreken. Daarmee kan niet worden vastgesteld of de verwondingen die de aangever heeft opgelopen aan zijn nek en borst zijn veroorzaakt door het mes respectievelijk de flessenhals. De noodzakelijkheid van deze vaststelling ligt immers besloten in de wijze waarop de feiten aan de verdachte zijn tenlastegelegd. Het dossier bevat weliswaar foto’s van het opgelopen letsel, maar die foto’s alleen bieden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende zekerheid om de ten laste gelegde veroorzaking buiten redelijke twijfel te kunnen vaststellen.
Ten aanzien van feit 1
De rechtbank overweegt dat geen van de afgelegde verklaringen duidelijkheid geeft over de vraag of de verdachte een mes vasthad tijdens de confrontatie met de aangever bij de trap, of hij daarmee heeft gestoken en zo ja of dat tot de verwonding in de hals van de aangever heeft kunnen leiden.
De rechtbank acht verder van belang dat de vorm van de verwonding in de hals van de aangever zoals die is beschreven op pagina 37 en is te zien op pagina 40 van het dossier, te weten een winkelhaak van ongeveer drie bij drie centimeter, waarbij een stuk huid lijkt te ontbreken, niet passend lijkt te zijn bij een steekwond veroorzaakt door het type mes dat is aangetroffen.
Al met al kan de rechtbank op basis van het dossier en het verhandelde ter terechtzitting in onvoldoende mate vaststellen wat de precieze toedracht was van het ontstaan van de verwondingen van de aangever in diens hals om tot een bewezenverklaring van het onder 1 ten laste gelegde feit te komen.
Ten aanzien van feit 2
Naar het oordeel van de rechtbank zijn er ook ten aanzien van het onder 2 ten laste gelegde feit te veel onduidelijkheden over de toedracht van het ontstaan van de verwondingen van de aangever op zijn rechterborst. Geen van de getuigen heeft iets verklaard over een (afgebroken) flessenhals en deze is ook niet in de woning aangetroffen. De enkele verklaring van de aangever dat het letsel op zijn schouder is toegebracht door het slaan met een afgebroken flessenhals in combinatie met de verklaring van de verdachte dat hij met een afgebroken flessenhals in de richting van de aangever zou hebben gegooid, acht de rechtbank onvoldoende om tot een bewezenverklaring van het onder 2 tenlastegelegde te komen.
Conclusie
Gelet op al hetgeen hiervoor is overwogen kan de rechtbank essentiële vragen voor de bewezenverklaring niet beantwoorden. Omdat de rechtbank op grond van het dossier en in het licht van de tenlastegelegde feiten niet kan vaststellen wat er zich op 13 juli 2025 in de woning heeft afgespeeld en hoe de aangever aan zijn verwondingen is gekomen, zijn er onvoldoende aanknopingspunten aan de hand waarvan kan worden vastgesteld dat verdachte heeft gepoogd de aangever te doden dan wel zwaar te mishandelen.
De rechtbank is daarom van oordeel dat de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten niet wettig en overtuigend zijn bewezen en zal de verdachte daarvan vrijspreken.
4. Voorlopige hechtenis
De rechtbank heeft het bevel tot voorlopige hechtenis van de verdachte opgeheven per 5 maart 2026, welke beslissing apart is geminuteerd.
5. De beslissing
De rechtbank:
verklaart niet wettig en overtuigend bewezen dat de verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en spreekt de verdachte daarvan vrij.
Dit vonnis is gewezen door
mr. L.K. van Zaltbommel, voorzitter,
mr. M.C. Ritsema van Eck - van Drempt, rechter,
mr. H.G. Egter van Wissekerke, rechter,
in tegenwoordigheid van mr. J.E. Stevers, griffier,
en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank van 10 maart 2026.