RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.L. Schoonbrood).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6647
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
Procesverloop
Bij besluit van 6 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen A. Dogan. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Proces-verbaal tot binnentreden (tolk)
1. Eiser voert aan dat uit het proces-verbaal van binnentreden op 6 februari 2026 volgt dat gebruik is gemaakt van een beëdigd tolk in de Turkse taal. Eiser spreekt echter de taal Kermandji. Daarmee is sprake van een gebrek in het voortraject.
2. De rechtbank overweegt als volgt. Uit het proces-verbaal van binnentreden volgen geen onduidelijkheden of misverstanden in de communicatie. Op de vraag of eiser de tolk kon verstaan heeft hij bevestigd geantwoord. Er is niet gesteld of gebleken dat eiser in enig concreet rechtens te beschermen belang is geschaad door de inzet van de tolk in de Turkse taal. Verder is van belang dat niets uit het proces-verbaal tot binnentreden aan eiser is tegengeworpen in de maatregel van bewaring. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
3. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig is, omdat een concreet aanknopingspunt bestaat voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3k. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en geen medewerking verleent aan de overdracht aan de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
3m. een overdrachtsbesluit heeft ontvangen en onmiddellijke overdracht of overdracht op zeer korte termijn noodzakelijk is ten behoeve van het realiseren van de overdracht binnen zes maanden na het akkoord van de lidstaat die verantwoordelijk is voor de behandeling van zijn asielverzoek;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
4. Eiser betwist de zware grond onder 3k. Hiertoe voert eiser aan dat hij heeft meegewerkt bij de staandehouding op 6 februari 2026. Hij heeft eerder verklaard dat hij niet zal meewerken aan uitzetting, maar dat kan niet aan eiser worden tegengeworpen omdat zijn asielprocedure toen nog liep. Ook merkt eiser op dat hem geen tijd is gegund om aan het overdrachtsbesluit te voldoen. Op 3 februari 2026 is uitspraak gedaan op het beroep tegen het overdrachtsbesluit en op 6 februari 2026 is hij in bewaring gesteld.
5. De rechtbank oordeelt dat de minister de zware grond onder 3k feitelijk juist en voldoende heeft gemotiveerd. Eiser heeft op 30 september 2025 een overdrachtsbesluit ontvangen. In het aanmeldgehoor van 24 juli 2025 en het vertrekgesprek van 10 februari 2026 heeft eiser verklaard dat hij niet wil terugkeren. Verder volgt de rechtbank de verklaring van de minister ter zitting dat er inderdaad een korte periode zit tussen de rechtbankuitspraak van 3 februari 2026 en de inbewaringstelling, maar dat gelet op eisers verklaringen over zijn terugkeer en de naderende uiterste overdrachtsdatum er voldoende aanleiding was om eiser in bewaring te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.
6. De rechtbank oordeelt dat de zware grond onder 3k en de overige niet betwiste gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. Deze gronden zijn voldoende om aan te nemen dat er sprake is van een risico op onttrekking. Deze gronden kunnen de maatregel van bewaring daarom dragen.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.