RECHTBANK DEN HAAG
de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. N.L Schoonbrood).
uitspraak
Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6641
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. A.W.J. van der Meer),
en
Procesverloop
Bij besluit van 5 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
De rechtbank heeft het onderzoek op 17 februari 2026 gesloten.
Overwegingen
Bewaringsgronden
Voortvarend handelen
Ambtshalve toetsing
1. Eiser stelt van Algerijnse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1996.
Afstandsverklaring
2. De rechtbank stelt vast dat zich in het dossier een afstandsverklaring bevindt waaruit blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij niet op de zitting wenst te verschijnen. Op de afstandsverklaring is aangekruist dat eiser niet bij de Vreemdelingenkamer wenst te verschijnen en dat het om de zitting van 16 februari 2026 gaat. Verder volgt uit
de afstandsverklaring dat eiser zijn verklaring heeft afgelegd ten overstaan van een PIW’er1. Deze PIW’er heeft de afstandsverklaring op 16 februari 2026 voorzien van een handtekening. Omdat eiser heeft geweigerd te tekenen, heeft ook het afdelingshoofd op 16
1. Penitentiair Inrichtingswerker.
februari 2026 de afstandsverklaring ondertekend. Gelet op deze omstandigheden stelt de rechtbank vast dat de afstandsverklaring correct is ingevuld. In de wijze waarop
de afstandsverklaring is ingevuld en ondertekend, bestaat er geen reden om te twijfelen aan het feit dat eiser afstand heeft gedaan van zijn recht om ter zitting te worden gehoord. De rechtbank ziet evenmin aanleiding voor nader onderzoek.
Beginsel van non-refoulement
3. Eiser stelt zich (kort gezegd) op het standpunt dat onvoldoende deugdelijk is onderzocht of uitzetting naar Algerije in strijd is met het non-refoulement beginsel en verwijst daarvoor naar het arrest Ararat.
4. De rechtbank oordeelt als volgt. De minister heeft in de maatregel van bewaring overwogen dat niet is gebleken dat vanwege het beginsel van non-refoulement, zoals genoemd in artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn, danwel vanwege de andere daarin genoemde belangen moet worden afgezien van de uitzetting van eiser. Eiser heeft niet gesteld dat er concrete aanwijzingen zijn dat terugkeer naar Algerije leidt tot schending van artikel 3 of artikel 8 van het EVRM. Daar komt bij dat eiser in zijn gehoor voor inbewaringstelling niet heeft verklaard dat hij vreest voor terugkeer naar Algerije. De rechtbank ziet dan ook geen aanknopingspunten dat het beginsel van non-refoulement in de weg staat aan de terugkeerverplichting van eiser. Hierbij is ook van belang dat eisers beroep tegen het de afwijzing van zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk is verklaard, waarin het risico op refoulement wel is beoordeeld. De beroepsgrond slaagt niet.
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;
3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;
3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;
3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer; en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;
4b. meerdere aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning heeft ingediend die niet tot verlening van een verblijfsvergunning hebben geleid;
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;
4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan.
6. De rechtbank stelt vast dat de minister ter zitting de lichte grond onder 4d heeft laten vallen. De overige gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat deze gronden feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Detentiegeschiktheid
7. Eisers gemachtigde voert aan dat eiser als detentieongeschikt dient te worden beschouwd. Eiser is erg wisselend in zijn gedrag. Het ene moment begrijpt eiser helemaal niets van wat er gebeurt en het andere moment begrijpt hij alles heel goed. Daarom had gekeken moeten worden of er psychische klachten bij eiser spelen.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de maatregel van bewaring volgt dat de medische en psychische omstandigheden van eiser zijn beoordeeld. Hieruit blijkt ook dat eiser in het detentiecentrum is gezien door de medische dienst. Op het detentiecentrum is zowel medische als psychische zorg beschikbaar. Eiser heeft in zijn gehoor en ter zitting niet onderbouwd waarom hij als detentieongeschikt dient te worden aangemerkt. De beroepsgrond slaagt niet.
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt aan zijn uitzetting. Eiser zit al elf dagen in bewaring en er is nog geen vertrekgesprek gevoerd. Verder staat een presentatie gepland, maar deze zal pas op 4 maart 2026 plaatsvinden.
10. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De minister heeft contact gehad met DIA om een vlucht te boeken op basis van een eerdere toezegging van een laissez-passer (lp). Toen bleek dat toch een presentatie ingepland diende te worden, is deze op 13 februari 2026 ingepland voor 4 maart 2026. De minister is afhankelijk van de Algerijnse autoriteiten voor de afgifte van een lp. Deze handelingen zijn voldoende om de oordelen dat de minister voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
20 februari 2026
Documentcode: [Documentcode]
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.