RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, de minister
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.6665
(gemachtigde: mr. V. Senczuk),
en
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Procesverloop
In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het besluit tot het verlengen van de overdrachtstermijn aan Zwitserland. De minister heeft met het bestreden besluit (de brief van 2 februari 2026) de overdrachtstermijn tot achttien maanden verlengd.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk. Dat betekent dat de rechtbank het verlengingsbesluit niet inhoudelijk zal beoordelen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
2. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland op 10 november 2025 bij Zwitserland een verzoek om terugname gedaan. Noorwegen heeft dit verzoek aanvaard op 24 november 2025. De rechtbank stelt vast dat daarmee de uiterste overdrachtsdatum op 24 mei 2026 komt te liggen.
3. Het geschil gaat over de verlenging van de overdrachtstermijn voor de overdracht van eiser naar Zwitserland. Reden voor de verlenging is dat eiser volgens de minister gevangen is gezet als bedoeld in artikel 29, tweede lid, van de Dublinverordening.
4. Uit het verhandelde ter zitting blijkt dat eiser op 23 februari 2026 is uitgezet naar Zwitserland. Hiermee is de claim reeds tijdig geëffectueerd, namelijk vóór de oorspronkelijke uiterste overdrachtsdatum van 24 mei 2026. Daarmee is de overdrachtstermijn, die tot stand is gekomen met het claimakkoord van 24 november 2025, geëindigd. Dat betekent dat er geen termijn meer is om over te dragen en dus ook geen verlenging daarvan meer aan de orde kan zijn. Op het moment dat eiser mogelijk opnieuw moet worden overgedragen, zal een nieuwe overdrachtstermijn tot stand moeten komen. Het verlengingsbesluit heeft nu in praktische zin geen betekenis meer. Dat impliceert dat de minister eiser hoe dan ook de verlenging (die in dit beroep aan de orde is) niet kan tegenwerpen bij een mogelijke nieuwe overdrachtstermijn.
5. Het voorgaande leidt tot de conclusie dat er geen procesbelang is bij een inhoudelijke beoordeling van het verlengingsbesluit.
Conclusie en gevolgen
6. Het beroep is niet-ontvankelijk wegens het ontbreken van procesbelang.
7. Eiser krijgt daarom geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep niet-ontvankelijk.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.