ECLI:NL:RBDHA:2026:4743

ECLI:NL:RBDHA:2026:4743

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer AWB 26/1534 en NL26.4526
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

HTL + Artikel 56 VW. Ontkenning incident en kwalificatie. Eén dag eerder in HTL geplaatst zonder wettelijke grondslag. Strijd met goede procesorde. Ongegrond.

Uitspraak

[naam], eiser,

V-nummer: [nummer]

(gemachtigde: mr. R.J. Schenkman),

en

het bestuur van het Centraal Orgaan opvang asielzoekers, het COa,

alsmede

de minister van Asiel en Migratie, de minister,

(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).

Inleiding

1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank twee beroepen. Het eerste beroep van eiser is gericht tegen het besluit van het COa van 29 december 2025 om eiser vanaf 29 december 2025 in de HTL in Hoogeveen te plaatsen (het plaatsingsbesluit). Het tweede beroep van eiser richt zich tegen het besluit van de minister van 29 december 2025 om hem een vrijheidsbeperkende maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vw op te leggen (de vrijheidsbeperkende maatregel). De rechtbank merkt het beroep ook aan als een verzoek om schadevergoeding.

Eiser heeft 26 januari 2026 beroepsgronden ingediend, waarop het COa op

6 februari 2026 een verweerschrift heeft ingediend.

De rechtbank heeft de beroepen op 19 februari 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn verschenen. Ook is een tolk verschenen. De minister en het COa hebben zich laten vertegenwoordigen door hun gemachtigde. De rechtbank heeft het onderzoek in beide zaken op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

2. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en ook geen vergoeding in de proceskosten. Ook bestaat er geen recht op een schadevergoeding. Hierna legt de rechtbank hoe zij tot dit oordeel komt.

Het beroep gericht tegen het plaatsingsbesluit

Het incident dat heeft geleid tot het plaatsingsbesluit

3. Uit de verslaglegging van het COa blijkt – samengevat – het volgende.

Op 28 december 2025 zat eiser te wachten in de spreekkamer totdat een COa-medewerker bij hem kwam om hem een ROV-6 maatregel op te leggen vanwege een voorgaand incident. De COa-medewerker had besloten om eiser voor twee weken naar de VTL in Budel te overplaatsen, omdat eiser bij het ontbijt een kopstoot had gegeven aan een beveiligingsmedewerker. Omstreeks 10:05 uur stond een beveiligingsmedewerker bij eiser in de spreekkamer om de veiligheid te waarborgen. Eiser provoceerde de beveiligingsmedewerker met scheldwoorden, waarop de beveiligingsmedewerker op een rustige verbale manier aangaf dat de COa-medewerker binnen enkele ogenblikken met eiser in gesprek zou gaan. Hierop sprong eiser plots op en liep in versnelde pas richting de beveiligingsmedewerker, waarbij hij zijn beide vuisten balde en zijn armen met gebalde vuist tot achter de schouder bracht, om vervolgens gericht op de beveiligingsmedewerker in te slaan. De beveiligingsmedewerker kon de inkomende vuistslagen van eiser afweren, maar werd toch door de vuistslag in het gezicht geraakt op zijn linkerwang. Eiser greep hierna de beveiligingsmedewerker bij zijn nek toen hij dichterbij kwam, waardoor eiser en de beveiligingsmedewerker beiden op de grond van de spreekkamer terecht kwamen. Eiser werd, eenmaal op de grond, door de beveiligingsmedewerker onder controle gebracht. Meerdere collega’s van de beveiligingsmedewerker waren inmiddels ter plaatse en de COa-medewerker werd opgeroepen ter ondersteuning. Eiser bleef zich verzetten door zijn lichaam aan te blijven spannen, te schreeuwen en te schelden. Eiser probeerde daarnaast de beveiligingsmedewerker en de COa-medewerker fysiek letsel aan te brengen door gericht te proberen te schoppen en te spugen. De beveiligingsmedewerker heeft door de escalatie een verwonding aan de linkerkant van zijn hals opgelopen. Aan de linkerkant van de hals vormde zich een bloeduitstorting: blauw en rood van kleur en pijnlijk aanvoelend.

Wat vinden partijen?

4. Eiser ontkent dat hij de in de beschikking genoemde COa-medewerkers en beveiligingsbeambten heeft geslagen, geschopt en bespuugd. Daarnaast stelt eiser dat hij door de andere partij de kamer in werd getrokken en dat zij eiser hebben geslagen.

Eiser stelt zich subsidiair op het standpunt dat het incident niet van zeer grote impact is en dat een HTL-plaatsing niet gerechtvaardigd is. Dat eiser zijn ongenoegen uitte over zijn vertrek naar de VTL in Budel is begrijpelijk. Daarnaast is eiser na het incident niet in bewaring genomen door de politie, wat ook een indicatie vormt dat de impact van het incident niet zo groot is als in de bestreden beschikking wordt verondersteld.

Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser aangevoerd dat uit de incidentenlijst, die als bijlage aan het plaatsingsbesluit is toegevoegd, blijkt dat er naar aanleiding van het eerdere incident in de ochtend van 28 december 2025 al een HTL-maatregel is opgelegd, terwijl uit het plaatsingsbesluit blijkt dat dit eerdere incident niet als grondslag voor de HTL-plaatsing is gebruikt. Door de gemachtigde van eiser is ook op de zitting aangevoerd dat uit het plaatsingsbesluit blijkt dat eiser op 28 december 2025 al in de HTL is geplaatst, terwijl het plaatsingsbesluit en de vrijheidsbeperkende maatregel zijn gedateerd op 29 december 2025. Daarnaast ontbreekt in het dossier een verklaring van vrijwillig verblijf. Gelet op vorenstaande heeft eiser één dag in de HTL verbleven onder het daarbij gehorende vrijheidsbeperkende regime zonder dat daaraan een wettelijke grondslag lag, waardoor er recht op schadevergoeding bestaat.

5. Het COa heeft ter onderbouwing van het incident en de impact daarvan verwezen naar het plaatsingsbesluit. Het feit dat eiser niet is meegenomen door de politie is niet doorslaggevend voor de vraag of een HTL-maatregel kan worden opgelegd. Ten aanzien van de vermelding in de incidentenlijst dat eiser al naar aanleiding van het incident bij het ontbijt in de HTL is geplaatst merkt het COa op dat de gang van zaken voldoende duidelijk volgt uit het plaatsingsbesluit dat ter toetsing voorligt. Ten aanzien van de vraag of eiser al voor de 29 december 2025 in de HTL is geplaatst heeft de gemachtigde van het COa aangevoerd dat dit in strijd is met de goede procesorde. De vertegenwoordiger van het COa heeft nu niet de mogelijkheid om de gang van zaken na te vragen en een eventuele verklaring van vrijwillig verblijf van eiser toe te voegen aan het dossier. Voor zover al zou moeten worden uitgegaan van een feitelijke plaatsing op

28 december 2025 is dit een feitelijke handeling waartegen eiser apart bezwaar had moeten indienen.

Oordeel van de rechtbank

De verslaglegging

6. De rechtbank ziet in wat eiser naar voren heeft gebracht geen aanleiding om te twijfelen aan de verslaglegging van het COa. De enkele niet onderbouwde stelling van eiser dat hij niemand heeft geslagen, geschopt en bespuugd en dat juist hij is geslagen, acht de rechtbank onvoldoende om te twijfelen aan de door het COa geschetste gang van zaken. Uit de verslaglegging volgt duidelijk hoe het incident heeft plaatsgevonden en dat (een deel van) de feiten door meerdere getuigen, zoals de beveiliging en andere COa-medewerkers, zijn waargenomen. Het is dan ook voldoende aannemelijk dat de gedragingen zoals door het COa beschreven, zich hebben voorgedaan. Het feit dat kennelijk ten onrechte in de incidentenlijst staat opgenomen dat er naar aanleiding van het incident in de ochtend van

28 december 2025 al een HTL-maatregel is opgelegd, maakt dit niet anders. De rechtbank gaat dan ook uit van de verslaglegging van het COa.

De impact

7. De rechtbank is daarnaast van oordeel dat het COa het incident terecht heeft gekwalificeerd als een incident met een zeer grote impact, nu het gaat om agressie of geweld met als doel de ander ernstig fysieke schade toe te brengen. Uit de verslaglegging volgt onder andere dat eiser, terwijl hij in de spreekkamer aan het wachten was, op de beveiligingsmedewerker begon in te slaan met een gebalde vuist en bij zijn nek is gegrepen. Nadat eiser door de beveiligingsmedewerker op de grond onder controle werd gebracht, bleef eiser zich verzetten door te schreeuwen, te schelden, te schoppen en te spugen. Uiteindelijk is 112 gebeld en is politie ter plaatse gekomen. Het verweer dat de impact beperkt was en dat dit blijkt uit het feit dat eiser niet door de politie in bewaring is genomen, volgt de rechtbank niet. Uit de verslaglegging van het COa volgt dat het niet in bewaring nemen van eiser was gelegen in een capaciteitsgebrek bij de politie. Bovendien is het wel of niet in bewaring nemen van eiser niet bepalend voor de vraag of een HTL-maatregel gerechtvaardigd is. Uit de verslaglegging van het COa blijkt naar het oordeel van de rechtbank duidelijk dat het onvoorspelbare agressieve gedrag van eiser een zeer grote impact heeft gehad op alle betrokkenen, zowel op fysiek, emotioneel als sociaal vlak. Het COa heeft daarnaast terecht overwogen dat al er eerder incidenten hebben plaatsgevonden. De rechtbank is van oordeel dat het COa, in overeenstemming met het Maatregelenbeleid en voldoende deugdelijk gemotiveerd, heeft besloten tot de oplegging van het plaatsingsbesluit.

Eerdere plaatsing in de HTL?

8. De rechtbank overweegt dat de gemachtigde van eiser eerst op zitting heeft aangevoerd dat eiser al op 28 december 2025 zonder geldige titel in de HTL is geplaatst. Nu eiser dit niet eerder als een beroepsgrond heeft aangevoerd heeft het COa hierdoor niet de daadwerkelijke gang van zaken kunnen uitzoeken. Niet valt in te zien waarom dit verweer niet in een eerder stadium aangevoerd had kunnen worden. Gelet op vorenstaande oordeelt de rechtbank dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. De beroepsgrond zal daarom niet worden betrokken bij deze beoordeling.

Conclusie

9. De rechtbank zal het beroep tegen het plaatsingsbesluit gelet op het voorgaande ongegrond verklaren.

Het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel

10. Eiser heeft tegen de vrijheidsbeperkende maatregel geen andere gronden naar voren gebracht dan dat deze maatregel onrechtmatig is, omdat het plaatsingsbesluit onrechtmatig is. Nu het beroep tegen het plaatsingsbesluit ongegrond wordt verklaard, faalt gelet daarop eiser beroepsgrond in dit verband. De rechtbank zal ook het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel ongegrond verklaren.

Conclusie en gevolgen

11. De beroepen zijn ongegrond. Dit betekent dus dat eiser geen gelijk krijgt. De besluiten blijven in stand. Eiser krijgt dus ook geen schadevergoeding. Ook ziet de rechtbank geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling.

Beslissing

De rechtbank:

Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van R. de Hoop, griffier, op 9 maart 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.

de griffier de rechter

Bent u het niet eens met deze uitspraak?

Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen het plaatsingsbesluit, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. H. Hanssen-Telman

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?