[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. P.J.J.A. Hendriks),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Eiser stelt van Syrische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1991. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 2 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, J. Dawie als tolk en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Kroatië een verzoek om terugname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië. Hiertoe voert eiser aan dat hij in Kroatië is mishandeld omdat hij uit het Midden-Oosten komt. Eiser valt op door zijn uiterlijk en het feit dat hij de taal van Kroatië niet beheerst. Er zijn ook geen voorzieningen om de taal te leren waardoor eiser niet aan een inkomen of woning kan komen. Met betrekking tot de taalbarrière en de missende voorzieningen verwijst eiser naar het AIDA-rapport, update 2024. Er leeft een diepgewortelde vreemdelingenhaat in Kroatië. Ook voert eiser aan dat de bevolking en een merendeel van de politiek in Kroatië fel tegen de bescherming is van vluchtelingen uit het Midden-Oosten. Hierdoor vreest eiser dat hij geen menswaardig bestaan in Kroatië kan opbouwen. Ter zitting heeft eiser nog toegelicht dat de mishandeling in Kroatië door de grenspolitie was. Hij werd na de mishandeling in een auto gegooid en over de grens uitgezet. Eiser heeft gezien het vorenstaande geen vertrouwen in de autoriteiten van Kroatië.
6. De rechtbank stelt voorop dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van de lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Kroatië bevestigd in de uitspraak van 9 oktober 2024 en 10 december 2024. Dit betekent dat de minister in beginsel ervanuit mag gaan dat Kroatië zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Kroatië niet in strijd zal zijn met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Kroatië, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Kroatische autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Kroatië overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Kroatië. Van een schending van artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden.
8. Het AIDA-rapport, update 2024, waar eiser naar verwijst laat geen wezenlijk ander beeld zien dan het eerdere AIDA rapport, update 2023, waarover de Afdeling al heeft geoordeeld. Het is niet gebleken dat de problemen in Kroatië wat betreft de taalbarrière, ondanks dat er moeilijkheden bestaan, dermate structureel en ernstig zijn, dat bij overdracht aan Spanje op voorhand sprake is van een reëel risico op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling.
9. Ook de verklaringen van eiser over de omstandigheden in Kroatië zijn onvoldoende om te spreken over structurele tekortkomingen van de asielprocedure en de opvangvoorzieningen in Kroatië. Daarbij heeft hij deze verklaringen niet onderbouwd met documenten. Ten aanzien van de stelling van eiser ter zitting dat hij is mishandeld door de grenspolitie, heeft de minister terecht gewezen op pagina 4 van het aanmeldgehoor van 26 november 2025, waaruit blijkt dat eiser geen problemen heeft ervaren met de autoriteiten van Kroatië en dat hij is aangevallen en geslagen door gewone mensen op straat die hij niet kende.
10. Tot slot hebben de Kroatische autoriteiten met het claimakkoord gegarandeerd dat zij de asielaanvraag van eiser zullen behandelen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Als eiser toch problemen ondervindt, mag van hem worden verwacht dat hij klaagt bij de Kroatische autoriteiten. Er is niet gebleken dat eiser dit heeft geprobeerd of dat dit voor hem niet mogelijk zal zijn. De beroepsgrond slaagt niet.
Indirect refoulement
11. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser bedoelt dat hij bij overdracht aan Kroatië vreest voor indirect refoulement, wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023. Uit dat arrest volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Kroatië uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.