[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
(gemachtigde: mr. R.M. Tjong Kim Sang),
en
de minister van Asiel en Migratie, de minister
(gemachtigde: mr. A. Sloots).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 10 februari 2026 niet in behandeling genomen omdat Oostenrijk verantwoordelijk is voor de aanvraag.
De rechtbank heeft het beroep op 24 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Indirect refoulement
2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de argumenten die eiser heeft aangevoerd, de beroepsgronden.
3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Totstandkoming van het besluit
4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Die staat in de Dublinverordening. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Oostenrijk een verzoek om terugname gedaan. Oostenrijk heeft dit verzoek aanvaard.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
5. Eiser stelt dat de minister niet mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk. Hiertoe voert eiser aan dat de opvangvoorzieningen in Oostenrijk zeer sober zijn en dat geen sprake is van een eerlijk proces en effectieve rechtsgang. Het doel van Oostenrijk is om zo min mogelijk asielzoekers toe te laten. Hierbij verwijst eiser naar artikel van 12 maart 2025 van NU.nl. Verder heeft eiser in Oostenrijk onvoldoende medische zorg voor zijn rughernia gekregen en werd hij niet gehoord door de rechtbank in zijn beroepsprocedure.
6. De rechtbank overweegt dat de minister in zijn algemeenheid ten aanzien van lidstaten mag uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) heeft dit voor Oostenrijk onlangs nog bevestigd in de uitspraken van 24 oktober 2024 en 8 januari 2025. Dit betekent dat de minister in beginsel mag uitgaan van het vermoeden dat Oostenrijk zijn internationale verplichtingen tegenover eiser zal nakomen en dat de behandeling van eiser in Oostenrijk niet in strijd zal zijn met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM. Dit vermoeden is weerlegbaar. Het is aan eiser om met concrete aanwijzingen aannemelijk te maken dat hij bij overdracht aan Oostenrijk, als gevolg van het niet nakomen van internationale verplichtingen door de Oostenrijkse autoriteiten, een reëel risico loopt op een met artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM strijdige behandeling. Daarvoor kan hij objectieve informatie over de werking van het asiel- en opvangsysteem in Oostenrijk overleggen of verklaringen afleggen over zijn eigen ervaringen aangaande het asiel- en opvangsysteem in Oostenrijk. Van een schending van artikel 4 van het Handvest en artikel 3 van het EVRM zal, in geval eiser aannemelijk maakt dat er sprake is van tekortkomingen in het asiel- en opvangsysteem, eerst sprake zijn indien die tekortkomingen structureel zijn en een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid bereiken (zie punten 91-93 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 19 maart 2019, ECLI:EU:C:2019:218, in de zaak Jawo).
7. De rechtbank ziet in wat eiser heeft aangevoerd geen aanleiding om af te wijken van het oordeel van de Afdeling in voornoemde uitspraken dat van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden. Eisers verklaring over zijn ervaringen in Oostenrijk leiden niet tot de conclusie dat sprake is van structurele tekortkomingen in de opvang en asielprocedure in Oostenrijk. Niet aangetoond is dat Dublinclaimanten, zoals eiser, een risico lopen om geen opvang en medische zorg krijgen. Verder hebben de Oostenrijkse autoriteiten middels het claimakkoord gegarandeerd het verzoek om internationale bescherming van eiser in behandeling te nemen. Daarmee garanderen de autoriteiten ook dat zij zich zullen houden aan de internationale verplichtingen die voortvloeien uit de verdragen en Europese richtlijnen die horen bij het behandelen van een asielaanvraag. Daardoor komt ook geen betekenis toe aan het artikel over zo min mogelijk toelaten van asielzoekers. Indien eiser in Oostenrijk toch wordt geconfronteerd met tekortkomingen bij de behandeling van zijn asielaanvraag, in de opvang of anderszins, kan hij hierover klagen bij de Oostenrijkse (hogere) autoriteiten. Niet is gebleken dat klagen bij de Oostenrijkse autoriteiten voor eiser niet mogelijk of bij voorbaat zinloos is. De beroepsgrond slaagt niet.
8. De rechtbank overweegt als volgt. Voor zover eiser bedoelt dat hij bij overdracht aan Oostenrijk vreest voor indirect refoulement, wijst de rechtbank op het arrest van het Hof van Justitie van de EU van 30 november 2023. Uit dat arrest volgt dat binnen de kaders van een Dublinprocedure niet beoordeeld kan worden of een vreemdeling bij overdracht aan de verantwoordelijke lidstaat een reëel risico loopt op indirect refoulement. Dit is alleen anders als niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgegaan kan worden ten aanzien van het betreffende land omdat de vreemdeling aannemelijk heeft gemaakt dat er in dat land sprake is van systeemfouten in de asielprocedure en de opvangvoorzieningen voor personen die om internationale bescherming verzoeken. Gezien hetgeen daarover hiervoor overwogen is, kan nog steeds van het interstatelijk vertrouwensbeginsel ten aanzien van Oostenrijk uitgegaan worden. De rechtbank komt daarom niet toe aan het toetsen van indirect refoulement.
Artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening
9. Eiser stelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij geen aanleiding heeft gezien om de asielaanvraag op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening aan zich te trekken. Gelet op de medische omstandigheden is het voor eiser noodzakelijk dat de minister zijn asielaanvraag in behandeling neemt. Daarnaast heeft de minister nagelaten onverwijld te halen. Er is een Eurodac-treffer op 10 augustus 2025, een claimakkoord op 24 oktober 2025 en een voornemen op 16 januari 2026 verschenen. Eiser heeft door deze vertraging langer dan noodzakelijk en wenselijk in onzekerheid doorgebracht.
10. Paragraaf C2/5.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc) bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dvo, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. De minister gebruikt de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming hier te lande te behandelen als er sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht van onevenredige hardheid getuigt.
11. De rechtbank oordeelt dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat hij de aanvraag niet onverplicht aan zich had hoeven trekken omdat geen sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat de overdracht aan Oostenrijk onevenredig hard is. Eiser heeft ook niet gesteld dat van zulke omstandigheden sprake zou zijn. Daarbij heeft eiser zijn medische situatie niet toegelicht of onderbouwd (met stukken) dat Nederland heeft meest aangewezen land is voor behandeling. Verder handelt de minister binnen de gestelde termijnen en ziet de rechtbank hierin dan ook geen grond dat de minister de asielaanvraag aan zich zou moeten trekken. De beroepsgrond slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.