ECLI:NL:RBDHA:2026:4751

ECLI:NL:RBDHA:2026:4751

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 09-03-2026
Datum publicatie 09-03-2026
Zaaknummer NL25.49896
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Groningen

Samenvatting

VA. Irak. Griekse verblijfsvergunning. Beroep is gegrond. Het bestreden besluit wordt vernietigd, voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen

[naam], eiser,

de minister van Asiel en Migratie, de minister

Samenvatting

Zittingsplaats Groningen

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.49896

van Iraakse nationaliteit,

V-nummer: [v-nummer]

(gemachtigde: mr. S.A.S. Jansen),

en

(gemachtigde: mr. B.W. Zagers).

1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.

De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep gegrond is en dat het bestreden besluit gedeeltelijk wordt vernietigd, voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd. Het bestreden besluit blijft voor het overige in stand. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.

Procesverloop

2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 13 oktober 2025, waarin het voornemen van 3 juni 2025 en de zienswijze van eiser van 24 juli 2025 zijn besproken, deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarbij is ook geen verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek verleend en is aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd, waarin is bepaald dat eiser Nederland onmiddellijk moet verlaten en moet vertrekken naar Irak.

Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Eisers beroepsgronden zijn gericht tegen de afgewezen asielaanvraag en het terugkeerbesluit.

De rechtbank heeft het beroep op 3 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten.

Beoordeling door de rechtbank

De afgewezen asielaanvraag als kennelijk ongegrond

Het asielrelaas

3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard dat hij [naam] is, is geboren op [geboortedatum], de Iraakse nationaliteit heeft en tot de Jezidi gemeenschap behoort. Verder heeft eiser verklaard dat hij is gevlucht wegens bombardementen waardoor onder andere zijn huis is verwoest. Ook heeft eiser verklaard dat hij in Irak wordt gediscrimineerd omdat hij Jezidi is en dat hij is benaderd door de PKK om zich bij hen aan te sluiten. Eiser vreest bij terugkeer naar Irak met geweld te worden gerekruteerd door de PKK. Ter onderbouwing van zijn identiteit heeft eiser een identiteitskaart, een nationaliteitsbewijs, een uittreksel van het geboorteregister en een kopie van een voedselkaart van zijn gezin overgelegd.

Het asielbesluit

Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:

identiteit, nationaliteit en herkomst;

problemen vanwege discriminatie;

problemen met de PKK.

De minister acht de identiteit van eiser niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit niet met documenten onderbouwd. De door eiser overgelegde voedselkaart en uittreksel van het geboorteregister kunnen niet als bewijs voor de identiteit dienen, omdat deze geen foto bevatten. Verder volgt uit onderzoek van Bureau Documenten dat het identiteitsbewijs met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt is en niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven en dat het nationaliteitsbewijs hoogstwaarschijnlijk frauduleus is verkregen. Daarnaast voldoet eiser niet aan artikel 31, zesde lid, onder b en c, van de Vw, omdat eiser heeft verklaard bewust zijn Griekse verblijfsvergunning te hebben weggegooid en in Nederland een andere geboortedatum heeft opgegeven dan in Griekenland.

De minister acht de herkomst en nationaliteit van eiser, de problemen vanwege discriminatie en de problemen met PKK wel geloofwaardig. De minister is echter van oordeel dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij bij terugkeer een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade.

De minister heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c en d, van de Vw, omdat eiser bewust heeft geprobeerd om de minister te misleiden over zijn identiteit en eiser zich opzettelijk van zijn Griekse verblijfsdocument heeft ontdaan.

Herhaling zienswijze

4. De rechtbank overweegt eerst dat het betoog van eiser dat de zienswijze in beroep als herhaald en ingelast moet worden beschouwd, onvoldoende is om te kunnen worden aangemerkt als een beroepsgrond waarop de rechtbank moet ingaan. De minister is in het bestreden besluit gemotiveerd ingegaan op de zienswijze. Het is aan eiser om in beroep concreet aan te geven waarom de reactie van de minister op de zienswijze volgens hem niet juist of toereikend is. De rechtbank zal zich dan ook richten op wat eiser in beroep concreet heeft aangevoerd. De rechtbank verwijst hierbij naar uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling).

Is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om kennis te nemen van zijn Griekse asieldossier?

5. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft nagelaten om zijn Griekse asieldossier of in ieder geval de relevante documenten uit dit dossier te overleggen. De minister heeft het Griekse asieldossier en de daaraan verbonden conclusie bovendien niet in het voornemen, maar pas voor het eerst in het bestreden besluit vermeld waardoor eiser niet eerder de gelegenheid heeft gekregen om hiervan kennis te nemen en daarop te reageren. Het bestreden besluit is daarom onzorgvuldig tot stand gekomen en niet voldoende gemotiveerd.

Deze beroepsgrond slaagt niet. De minister heeft er op zitting terecht op gewezen dat de vertaling van het Griekse asieldossier al sinds april 2025 onderdeel is van het digitale dossier en derhalve voorafgaand aan het nemen van het bestreden besluit toegankelijk is geweest voor eiser en zijn gemachtigde. Eiser heeft verder niet aannemelijk gemaakt dat hij voorafgaand aan het bestreden besluit niet bij machte is geweest om kennis te nemen van het Griekse asieldossier. De minister heeft er ook terecht op gewezen dat de vorige gemachtigde van eiser hier ten tijde van het bestreden besluit niets over heeft naar voren gebracht. Het betoog van eiser dat de minister heeft nagelaten om het Griekse asieldossier tijdig aan hem te overleggen, faalt. De rechtbank stelt daarbij verder vast dat al in het voornemen staat aangegeven dat de minister het Griekse asieldossier met toestemming van eiser heeft opgevraagd en dat bij de beslissing rekening zal worden gehouden met de beslissing van Griekenland om aan eiser bescherming te verlenen. De rechtbank volgt eiser daarom ook niet in zijn stelling dat pas voor het eerst in het bestreden besluit staat vermeld dat het Griekse asieldossier is opgevraagd.

Heeft de minister de leeftijd van eiser op de juiste wijze vastgesteld?

6. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte is uitgegaan van de geboortedatum waarmee eiser in Griekenland staat geregistreerd. De minister heeft volgens eiser nagelaten om zorgvuldig te onderzoeken en deugdelijk te motiveren welk gewicht kan worden toegekend aan de leeftijdsregistratie in Griekenland. Het enkel vermelden dat het dossier bij de Griekse autoriteiten is opgevraagd en bij de beoordeling van de asielaanvraag is betrokken, is onvoldoende. Verder is van belang dat de hoormedewerker van de IND heeft geoordeeld dat eiser evident minderjarig is. Eiser verwijst naar de uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024 en naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 17 september 2025. Eiser betoogt hierop verder dat nu in het bestreden besluit is uitgegaan van de meerderjarigheid van eiser er een onjuiste toetsing heeft plaatsgevonden. In het geval van minderjarigen moet de minister onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel geven. Daarnaast had de minister een onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden moeten uitvoeren.

Eisers beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

De minister heeft er op zitting terecht op gewezen dat de uitspraken waar eiser naar verwijst, zijn verwerkt in het beleid van de minister, te weten in de Werkinstructie 2025/1. De rechtbank overweegt dat eiser dit beleid op zichzelf niet heeft bestreden. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister het bestreden besluit conform het beleid heeft genomen en op goede gronden van de meerderjarigheid van eiser kan uitgaan. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Uit het dossier blijkt dat de minister eerst de door eiser overgelegde documenten ter onderbouwing van zijn identiteit heeft laten onderzoeken. Uit de verklaring van onderzoek van Bureau Documenten is gebleken dat de identiteitskaart met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven. Ook is gebleken dat het nationaliteitsbewijs hoogstwaarschijnlijk frauduleus is opgemaakt. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat aan de conclusie van Bureau Documenten moet worden getwijfeld. De minister heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat de leeftijd van eiser op basis van de door hem overgelegde documenten niet kan worden vastgesteld.

De minister heeft vervolgens een leeftijdsschouw laten uitvoeren. Hierin is geconcludeerd dat er twijfel bestaat over de door eiser opgegeven leeftijd. Dat door de IND medewerker tijdens de leeftijdsschouw is geconcludeerd dat eiser evident minderjarig is, maakt nog niet dat daar vanuit moet worden gegaan. Omdat de leeftijd van eiser ook op basis van de leeftijdsschouw niet kon worden vastgesteld, heeft de minister terecht nader onderzoek naar eisers leeftijd verricht door hierover navraag te doen bij de Griekse autoriteiten. Uit het door de Griekse autoriteiten overgelegde asieldossier volgt dat eiser in Griekenland staat geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum], dat dit is gebaseerd op eisers eigen verklaring en dat eiser uitdrukkelijk heeft aangegeven dat hij naar juistheid heeft verklaard. De minister heeft derhalve onderzoek bij de Griekse autoriteiten verricht en naar volledigheid en met juistheid toegelicht waarop de registratie in Griekenland is gebaseerd. Voorts heeft de minister, ten behoeve van het ontzenuwen van de presumptie van minderjarigheid, aan eiser mogen tegenwerpen dat hij meermaals tegenstrijdig heeft verklaard over zijn leeftijd, zijn Griekse verblijfsvergunning heeft weggegooid, dat de identiteitskaart met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet echt en met aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid niet bevoegd is opgemaakt en afgegeven en de het nationaliteitsbewijs hoogstwaarschijnlijk frauduleus is opgemaakt. De minister heeft er verder ook terecht op gewezen dat de voedselkaart en het uittreksel van het geboorteregister weinig bewijswaarde hebben, omdat hierop geen naam, persoonsgegevens en foto staan. Daarnaast heeft de minister er op de zitting nog terecht op gewezen dat eiser tijdens het AVIM gehoor heeft verklaard te beschikken over een originele identiteitskaart en een paspoort en dat deze nog bij zijn ouders liggen in Irak. Eiser heeft deze documenten nog steeds niet overhandigd ondanks dat hij bij de AVIM heeft verklaard nog dagelijks contact te hebben met zijn ouders. Eiser heeft geen aannemelijke verklaring gegeven waarom hij deze documenten nog steeds niet heeft overlegd.

Gelet op al het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister de presumptie van minderjarigheid voldoende heeft ontzenuwd en is hij niet ten onrechte uitgegaan van de geboortedatum [geboortedatum]. De minister was dan ook niet gehouden tot een aangepaste toetsing of een onderzoek naar de aanwezigheid van adequate opvangmogelijkheden in Irak.

Heeft de minister terecht betrokken dat de Griekse verblijfsvergunning van eiser enkel is uitgegeven omdat eiser Jezidi is?

7. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte bij de besluitvorming heeft betrokken dat eiser in Griekenland asiel heeft verkregen enkel en alleen op basis van het feit dat hij Jezidi is. Volgens eiser heeft hij zijn verblijfsstatus in Griekenland verkregen vanwege de onveilige en persoonlijke omstandigheden waaronder hij moest leven in het land van herkomst.

Deze beroepsgrond slaagt evenmin. De rechtbank stelt vast dat uit het Griekse asieldossier volgt dat de Griekse autoriteiten aan eiser een asielvergunning hebben verleend enkel vanwege zijn identiteit als Jezidi. Eiser heeft verder zijn standpunt niet met een concrete onderbouwing en verwijzing naar het Grieks asieldossier, aannemelijk gemaakt. De minister heeft zich dan ook met juistheid op dit standpunt gesteld.

Heeft de minister terecht geoordeeld dat eiser geen gegronde vrees voor vervolging heeft en bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade?

8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geoordeeld dat hij geen vluchteling is als bedoeld in het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Hiertoe voert eiser aan dat hij in Irak als Jezidi wordt gediscrimineerd, onderdrukt en niet wordt geaccepteerd en dat hij door deze discriminatie ook wordt beperkt in zijn dagelijks leven. Zo kon eiser niet naar andere steden reizen om te werken en is het voor hem als Jezidi niet mogelijk om in Sinjar werk te krijgen. Verder voert eiser aan dat de algemene situatie in Sinjar voor hem erg gevaarlijk is gelet op de verschillende actieve groeperingen in het gebied en de Turkse vliegtuigen die het gebied regelmatig bombarderen. Ter onderbouwing wijst eiser op het Algemeen Ambtsbericht over Irak van november 2023. Ook wijst eiser er op dat hij vanwege zijn etniciteit fysiek is aangevallen en uitgescholden in een winkel in Sinjar en dat hij in Zakoh samen met zijn familieleden door tien man is aangevallen. Daarnaast zijn eiser en zijn vriend met het oog op rekrutering benaderd door drie leden van de PKK. Dat in 2022 in Sinjar Jezidi kinderen werden gerekruteerd wordt ook bevestigd in het algemeen ambtsbericht. Op de zitting heeft eiser ook nog gewezen op de actuele situatie in Irak.

Ook deze beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging en bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft deugdelijk gemotiveerd dat eiser niet behoort tot een groep die wordt blootgesteld aan systematische vervolging in Irak of tot een van de door Irak vastgestelde risicoprofielen. Ook heeft de minister voldoende gemotiveerd dat de vermoedens van eiser dat hij zal worden blootgesteld aan discriminatie onvoldoende zwaarwegend zijn. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat niet is gebleken dat hij wordt beperkt in zijn eerste levensbehoeften. Eiser heeft immers verklaard dat hij de mogelijkheid heeft om onderwijs te volgen en dat hij toegang heeft tot de medische zorg. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat de enkele aanwezigheid van eiser in Sinjar op zichzelf niet voldoende is om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen en heeft de minister deugdelijk gemotiveerd dat de individuele omstandigheden van eiser onvoldoende aanleiding vormen om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. De minister heeft daarbij mogen betrekken dat eiser slechts eenmaal zonder geweld is benaderd door de PKK en dat hij in de drie maanden tussen het voorval en zijn vertrek uit Irak niet nogmaals door de PKK is benaderd. Ook heeft de minister daarbij mogen betrekken dat eiser heeft verklaard dat dit niet de directe aanleiding vormde om Irak te verlaten. Verder heeft de minister er terecht op gewezen dat uit het algemeen ambtsbericht blijkt dat er geen meldingen zijn gemaakt van gedwongen rekrutering van volwassenen door milities en is van belang dat eiser als volwassene terug zal keren naar Irak.

De rechtbank ziet ook in hetgeen eiser op de zitting heeft aangevoerd over de actuele situatie in Irak geen aanleiding voor een ander oordeel. Eiser heeft onvoldoende onderbouwd dat hij als gevolg daarvan een gegronde vrees heeft voor vervolging of dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Bovendien heeft de minister op de zitting toegelicht dat er op dit moment nog geen sprake is van een beleidswijziging ten aanzien van Irak.

Het terugkeerbesluit

Heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit kunnen opleggen?

10. De minister heeft aan eiser een terugkeerbesluit opgelegd met de verplichting terug te keren naar Irak. Eiser dient Nederland onmiddellijk te verlaten.

11. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte in het terugkeerbesluit heeft opgenomen dat eiser dient terug te keren naar Irak terwijl hij over een Griekse verblijfsvergunning beschikt. Op de zitting heeft eiser daar aan toegevoegd dat de minister de uitkomst van de asielprocedure in Nederland had moeten melden bij de Griekse autoriteiten en had moeten uitvragen of de Griekse autoriteiten naar aanleiding daarvan reden zien om de verblijfsstatus van eiser in Griekenland te wijzigen.

De minister stelt zich primair op het standpunt dat de beroepsgrond over het niet melden van de asielprocedure van eiser in Nederland aan de Griekse autoriteiten niet tijdig is ingebracht en in strijd is met de goede procesorde. Eiser heeft dit punt niet eerder aangevoerd in de beroepsgronden. De minister stelt zich verder op het standpunt dat aan eiser terecht een terugkeerbesluit voor Irak is opgelegd, omdat terugkeer naar Griekenland niet verlangd kan worden vanwege het risico op verregaande materiële deprivatie.

De rechtbank ziet in wat eisers op zitting nader heeft aangevoerd, een aangevulde beroepsgrond als bedoeld in artikel 8:69, tweede lid, van de Awb en geen aanleiding voor het oordeel dat er sprake is van strijd met de goede procesorde. Eiser heeft immers in zijn beroepsgronden aangevoerd dat aan hem ten onrechte een terugkeerbesluit is opgelegd. De rechtbank stelt verder vast dat niet is gebleken dat de minister de Griekse autoriteiten op de hoogte heeft gesteld van de uitkomst van de in Nederland gevolgde asielprocedure en dat ook niet is gebleken dat de Griekse autoriteiten de verleende vluchtelingenstatus van eiser hebben ingetrokken. De rechtbank is van oordeel dat de minister geen terugkeerbesluit kan nemen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en deze in reactie hierop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Het terugkeerbesluit is derhalve ten onrechte aan eiser opgelegd.

Het voorgaande betekent dat er ten aanzien van het terugkeerbesluit sprake is van een zorgvuldigheidsgebrek en dat de beroepsgrond van eiser slaagt. Het bestreden besluit komt om die reden voor zover het betrekking heeft op he terugkeerbesluit voor vernietiging in aanmerking.

De minister heeft op zitting verzocht in de gelegenheid te worden gesteld om te onderzoeken of een melding bij de Griekse autoriteiten is gedaan dan wel om een dergelijke melding alsnog te verrichten. De rechtbank wijst dit aanhoudingsverzoek af onder verwijzing naar artikel 8:41a van de Awb en de omstandigheid dat het terugkeerbesluit een ambtshalve en voor eiser belastend besluit betreft.

Conclusie en gevolgen

12. Het beroep is gegrond, omdat de minister een terugkeerbesluit heeft opgelegd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus intrekken. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd.

De rechtbank laat het bestreden besluit voor het overige in stand. Dat betekent dat de afgewezen asielvergunning als ongegrond in stand blijft. Tegen de afwijzing van de verblijfsvergunning regulier en uitstel van vertrek zijn geen beroepsgronden aangevoerd, zodat deze om die reden al vast staan.

13. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank, op grond van het besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand, vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1). Verder zijn er geen kosten die vergoed kunnen worden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het betreden besluit voor zover daarin aan eiser een terugkeerbesluit is opgelegd;

- laat het bestreden besluit voor het overige in stand;

- veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten van eiser.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. V. Vegter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl.

De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op:

Informatie over hoger beroep

Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. N.M. van Waterschoot

Griffier

  • mr. V. Vegter

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?