[naam], eiser,
V-nummer: [nummer]
(gemachtigde: mr. G. Ocak),
en
de minister van Asiel en Migratie,
(gemachtigde: mr. P.A.L.A. van Ittersum).
Inleiding
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het verzoek om de minister in de proceskosten te veroordelen. Verzoeker heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroepen tegen het besluit tot plaatsing in de HTL en de daarbij horende vrijheidsbeperkende maatregel, beiden van 23 oktober 2025. Hij heeft de beroepen ingetrokken, omdat de minister de vrijheidsbeperkende maatregel heeft opgeheven.
De rechtbank heeft de minister in de gelegenheid gesteld te reageren op het verzoek om veroordeling in de proceskosten. De minister heeft de rechtbank meegedeeld dat de vrijheidsbeperkende maatregel die op 23 oktober 2025 aan eiser is opgelegd, tot aan de opheffing rechtmatig was en dat verzoeker het verzoek om proceskosten niet nader heeft onderbouwd. Gelet op vorenstaande stelt de minister dat het verzoek om proceskosten moet worden afgewezen.
Partijen hebben ingestemd met een schriftelijke behandeling van het beroep. De rechtbank doet op grond van artikel 8:57, eerste lid van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) uitspraak zonder zitting. De rechtbank heeft het onderzoek gesloten op 19 februari 2026.
Beoordeling door de rechtbank
2. De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenveroordeling af. Zij legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel komt.
Is de minister aan verzoeker tegemoetgekomen?
3. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten.
4. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen.
Volgens vaste rechtspraak is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a, eerste lid, van de Awb slechts sprake indien het bestuursorgaan een binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit ingenomen standpunt heeft herzien en het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog heeft genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit wegens nieuwe feiten of veranderde omstandigheden houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling.
De rechtbank is van oordeel dat er geen sprake is van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb. Hiertoe overweegt de rechtbank dat niet is gebleken dat de vrijheidsbeperkende maatregel voorafgaand aan de opheffing onrechtmatig was. De maatregel als bedoeld in artikel 56 van de Vreemdelingenwet is enkel opgeheven omdat eiser vrijwillig heeft afgezien van opvang. Dit betreffen nieuwe feiten en omstandigheden. Het besluit van de minister om de vrijheidsbeperkende maatregel op te heffen betreft in dit geval geen erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit. Dit blijkt te meer uit het feit dat het plaatsingsbesluit van het COa van 23 oktober 2025 is gehandhaafd.
Beslissing
De rechtbank wijst het verzoek om vergoeding van de proceskosten af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. H. Hanssen-Telman, rechter, in aanwezigheid van
R. de Hoop, griffier, op 9 maart 2026 en gepseudonimiseerd gepubliceerd op rechtspraak.nl.
de griffier de rechter
Bent u het niet eens met deze uitspraak?
Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het verzoek om proceskostenveroordeling, kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen vier weken na de dag van bekendmaking. Tegen deze uitspraak, voor zover het betreft het beroep tegen de vrijheidsbeperkende maatregel, staat geen rechtsmiddel open.