RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10077
(gemachtigde: mr. M.A. Krikke),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 19 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De minister heeft op 23 februari 2026 de maatregel van bewaring opgeheven.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. Eiser stelt van Somalische nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1988.
2. Omdat de bewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling zich in deze zaak tot de vraag of aan eiser schadevergoeding moet worden toegekend. In dit verband moet de vraag worden beantwoord of de tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
3. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is, omdat niet duidelijk is waarom er vier dagen na oplegging geen zicht op uitzetting meer zou zijn. Uit het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling blijkt dat de minister kennis had van het door Denemarken opgelegde terugkeerbesluit. Om die reden had de minister een terugkeerprocedure moeten starten in plaats van de Dublinprocedure.
4. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende concrete aanknopingspunten bestonden ten tijde van het opleggen van de maatregel dat eiser onder de Dublinverordening viel. De minister beschikte over een Eurodac-treffer en op het moment van inbewaringstelling was nog niet duidelijk of eiser nog een asielprocedure had lopen. Deze onduidelijkheid is overigens mede veroorzaakt door de vage verklaringen van eiser tijdens het gehoor voorafgaand aan de inbewaringstelling. De minister mocht eiser op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vw in bewaring stellen. Na nader onderzoek bleek dat overdracht aan Denemarken of Duitsland niet aan de orde was. Vier dagen na oplegging van de maatregel is deze opgeheven omdat geen zicht op uitzetting naar Somalië (land van herkomst) bestaat. Door vrijwel meteen met het onderzoek te beginnen en de maatregel na vier dagen op te heffen heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld. De beroepsgrond slaagt niet.
Bewaringsgronden
5. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de maatregel nodig was, omdat een concreet aanknopingspunt bestond voor een overdracht als bedoeld in de Dublinverordening en een significant risico bestond dat eiser zich aan het toezicht zou onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, tweede, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3d. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
6. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet inhoudelijk zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat alle zware gronden en de lichte gronden onder 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Ambtshalve toetsing
7. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 5 maart 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.