RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10215
(gemachtigde: mr. L. Sinoo),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 13 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen G.I. Donday. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
Voortvarend handelen
1. Eiser stelt van Roemeense nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2001.
Bewaringsgronden
2. In de maatregel van bewaring heeft de minister overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken. De minister heeft, onder verwijzing naar artikel 5.1b, eerste, derde en vierde lid, van het Vreemdelingenbesluit (Vb), als zware gronden vermeld dat eiser:
3a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan;3b. zich in strijd met de Vreemdelingenwetgeving gedurende enige tijd aan het toezicht op vreemdelingen heeft onttrokken;3c. eerder een visum, besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven;3i. te kennen heeft gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan zijn verplichting tot terugkeer;
en als lichte gronden vermeld dat eiser:
4a. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden;4c. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft;4d. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan;4e. verdachte is van enig misdrijf dan wel daarvoor is veroordeeld.
3. De rechtbank stelt vast dat de gronden van de maatregel van bewaring niet zijn betwist. De rechtbank is van oordeel dat alle zware gronden en de lichte gronden onder 4a, 4c en 4d feitelijk juist en voldoende gemotiveerd zijn. De gronden kunnen de maatregel van bewaring dragen.
Beginsel van non-refoulement
4. Uit het arrest Adrar volgt dat de minister bij het opleggen (en voortduren) van de maatregel van bewaring dient na te gaan of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van eiser. Vervolgens dient de bewaringsrechter zich daarvan, zo nodig ambtshalve, te vergewissen.
5. De rechtbank overweegt als volgt. De minister is in de maatregel van bewaring niet kenbaar ingegaan op de vraag of het beginsel van non-refoulement zich niet verzet tegen de verwijdering van eiser. De rechtbank is van oordeel dat dit wel had gemoeten. Het lag op de weg van de minister om dit kenbaar te maken in de maatregel van bewaring, door dan wel de afwegingen over het risico op refoulement op te nemen in de maatregel van bewaring, dan wel een conclusie daarvan op te nemen in de maatregel van bewaring. Zowel eiser als de bewaringsrechter moeten deze afweging immers kunnen toetsen. Dit levert een gebrek op in de maatregel van bewaring.
6. Zoals ook volgt uit artikel 94, zesde lid, van de Vw maakt dit gebrek de inbewaringstelling pas onrechtmatig, als de met de bewaring gediende belangen niet in redelijke verhouding staan tot de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen. Naar het oordeel van de rechtbank is er wel sprake van een gebrek maar is eisers belang in dit geval niet wezenlijk geschaad. Hierbij is van belang dat eiser in het gehoor voor inbewaringstelling niets naar voren heeft gebracht waaruit blijkt dat hij vreest voor refoulement. Het gehoor is vroegtijdig is afgebroken vanwege eisers agressieve gedrag. Ook op de zitting heeft eiser niets gesteld ter onderbouwing van een refoulementrisico. Nu uit eisers verklaringen blijkt dat er geen sprake is van een refoulementrisico, valt ook niet goed in te zien hoe eiser door het hiervoor vastgestelde gebrek in zijn belangen is geschaad. De noodzaak om zich te kunnen verweren tegen de overwegingen in de maatregel is immers niet aanwezig. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de voor de minister met de bewaring gediende belangen in dit geval zwaarder wegen dan de ernst van het gebrek en de daardoor geschonden belangen van eiser. De belangenafweging valt in dit geval dus in het voordeel van de minister uit. Het gebrek maakt de inbewaringstelling hierdoor niet onrechtmatig.
7. Eiser stelt dat de minister onvoldoende voortvarend werkt zijn uitzetting, terwijl van hem in dit geval meer dan gebruikelijke voortvarendheid mocht worden verwacht. De minister was immers in het bezit van eisers ID-kaart. Vervolgens is deze per aangetekende post verzonden en door het postbedrijf kwijtgeraakt. Hierdoor is ook de geplande uitzetting van 24 februari 2026 geannuleerd. De minister is onzorgvuldig omgegaan met eisers ID-kaart en had het document per koerier moeten verzenden in plaats van aantekende post.
8. De rechtbank oordeelt dat de minister voldoende voortvarend werkt aan de uitzetting van eiser. Op 17 februari 2026 is een vertrekgesprek met eiser gevoerd. Op 23 februari 2026, één dag voor de geplande uitzetting, heeft de minister geprobeerd om een noodpaspoort te regelen zodat de geplande uitzetting kon worden uitgevoerd. Dit is niet gelukt. Vervolgens heeft de minister de uitzetting geannuleerd op en op dezelfde dag nog een laissez-passer aangevraagd bij de Roemeense autoriteiten. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat de minister – door zijn ID-kaart per aangetekende post te verzenden – zo onzorgvuldig heeft gehandeld, dat de maatregel onrechtmatig dient te worden geacht. Dat het postbedrijf de ID-kaart is kwijtgeraakt, ligt buiten de invloedsfeer van de minister. Gelet op vorenstaande handelingen heeft de minister, ondanks de ontstane vertraging, voldoende voortvarend gewerkt aan de uitzetting van eiser. De beroepsgrond slaagt niet.
Compensatie verloren ID-kaart
9. Eiser stelt dat hij gecompenseerd moet worden door de minister in het verlies van zijn ID-kaart. Hiertoe voert eiser aan dat de minister zijn ID-kaart is kwijtgeraakt door onzorgvuldig handelen. Zijn ID-kaart was één van zijn weinige bezittingen was en hij heeft geen middelen om een nieuwe ID-kaart aan te vragen.
10. De rechtbank oordeelt als volgt. De rechtbank volgt eiser niet in zijn stelling dat het verlies van zijn ID-kaart voor rekening van de minister moet komen. Zoals de rechtbank eerder in rechtsoverweging 8 al oordeelde, is het verzenden per aangetekende post niet per definitie onzorgvuldig en ligt het buiten de invloedsfeer van de minister dat het postbedrijf de ID-kaart is kwijtgeraakt. Verder heeft de minister toegelicht dat het postbedrijf een onderzoek is gestart naar de verloren ID-kaart. Nu eiser nog niet is uitgezet, is het nog mogelijk dat de ID-kaart tijdig wordt gevonden en hem bij zijn uitzetting wordt teruggegeven. De beroepsgrond slaagt niet.
Ambtshalve toetsing
11. De rechtbank moet ook ambtshalve toetsen of de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek op enig moment onrechtmatig was. Op grond van de stukken en wat op de zitting is besproken, is de rechtbank van oordeel dat dit niet het geval is.
Conclusie
12. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen.
13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep ongegrond;
- wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 6 maart 2026.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.