RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie,
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL26.10170
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. J.S.W. Boorsma).
Procesverloop
Bij besluit van 21 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft de minister aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd.
Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding.
De rechtbank heeft het beroep op 2 maart 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen M. El Bakkali. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.
Overwegingen
1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank of de vrijheidsontnemende maatregel
rechtmatig is. De rechtbank is van oordeel dat dit vanaf het begin niet het geval is. De maatregel wordt daarom door de rechtbank opgeheven. Het beroep is gegrond. De rechtbank legt hierna uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en wat de gevolgen daarvan zijn.
Onrechtmatigheid van de maatregel (grondslag)
2. Eiser stelt dat de maatregel van begin af aan onrechtmatig is. Hiertoe voert eiser aan dat geen sprake is van een Dublinsituatie. Op 24 juni 2024 heeft Kroatië het claimverzoek geaccepteerd en vervolgens is de uiterste overdrachtsdatum verlengd. In het dossier ontbreekt een brief hierover aan eiser en daarmee is de verlenging onrechtmatig. Doordat de verlenging onrechtmatig dient te worden geacht, bestond ten tijde van het opleggen van de maatregel van bewaring geen Dublinsituatie en is eiser op onjuiste grondslag in bewaring gesteld.
3. De rechtbank oordeelt als volgt. Uit het dossier volgt dat Nederland op 23 april 2024 bij Kroatië een verzoek tot overname gedaan. Kroatië heeft dit verzoek op 20 juni 2024 aanvaard en daarmee komt de uiterste overdrachtstermijn op 20 december 2024 te liggen. Verder volgt uit het dossier dat de uiterste overdrachtstermijn op 13 oktober 2025, en daarmee kennelijk te laat, is verlengd. De rechtbank is van oordeel eiser ten tijde van het opleggen van de maatregel niet onder de Dublinverordening viel omdat de uiterste overdrachtstermijn op 20 december 2024 al was verlopen en niet tijdig is verlengd.
4. Gelet op het voorgaande is de maatregel vanaf het begin onrechtmatig. Daarom is
het niet nodig om wat eiser verder heeft aangevoerd te bespreken en bestaat voor een
verdere ambtshalve toetsing geen aanleiding.
Conclusie
5. Het beroep is gegrond en de maatregel van bewaring is vanaf het moment van
opleggen daarvan onrechtmatig. De rechtbank beveelt de opheffing van de maatregel van
bewaring met ingang van 4 maart 2026.
6. Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien zij de opheffing van de maatregel van bewaring beveelt aan eiser een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. De rechtbank acht gronden aanwezig om een schadevergoeding toe te kennen voor 12 dagen onrechtmatige (tenuitvoerlegging van de) vrijheidsontnemende maatregel van 12 x € 120,- (verblijf detentiecentrum) = € 1.440,-.
7. De rechtbank veroordeelt de minister in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,00 (1 punt voor het
indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Omdat aan eiser een toevoeging is verleend, moet de minister de proceskostenvergoeding betalen aan de rechtsbijstandverlener.
Beslissing
De rechtbank:
- verklaart het beroep gegrond;
- beveelt de opheffing van de maatregel van bewaring met ingang van 4 maart 2026;
- veroordeelt de Staat der Nederlanden tot het betalen van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.440,-, te betalen door de griffier en beveelt de tenuitvoerlegging van deze schadevergoeding;
- veroordeelt de minister in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,00.
Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Lenstra, rechter, in aanwezigheid van S.N. Lekatompessij, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 4 maart 2025.
Rechtsmiddel
Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking.