RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen
[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.35545
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over het niet toekennen van uitstel van vertrek op grond van artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.
De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. De minister heeft bij besluit van 30 mei 2025 de asielaanvraag van verzoekster afgewezen en daarbij aan verzoekster voorlopig uitstel van vertrek voor maximaal zes maanden verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling of verzoekster in aanmerking komt voor uitstel van vertrek. De minister heeft vervolgens bij het bestreden besluit van 28 juli 2025 bepaald dat aan verzoekster geen uitstel van vertrek wordt verleend. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.
De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van verzoekster en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de voorzieningenrechter
3. De voorzieningenrechter kan op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist en kan, als partijen daardoor niet in hun belangen worden geschaad, ook uitspraak doen zonder dat een zitting plaatsvindt. De voorzieningenrechter beoordeelt bij een verzoek om een voorlopige voorziening hangende een procedure of deze procedure een redelijke kans van slagen heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventuele) bodemprocedure niet.
Is sprake van een spoedeisend belang?
4. De voorzieningenrechter overweegt dat verzoekster in afwachting van haar beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag rechtmatig in Nederland mocht verblijven. Deze rechtbank en zittingsplaats heeft bij uitspraak van vandaag dit beroep van verzoekster ongegrond verklaard. Dit betekent dat verzoekster geen rechtmatig verblijf meer in Nederland heeft. Daarom is er sprake van een spoedeisend belang.
Heeft het bezwaar een redelijke kans van slagen?
5. De voorzieningenrechter ziet zich voor de vraag gesteld of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft.
6. De minister heeft onder verwijzing naar een advies van het Bureau Medische Advisering (BMA) besloten dat verzoekster geen uitstel van vertrek krijgt. Het BMA heeft op 28 juli 2025 een medisch advies uitgebracht. Uit het BMA-advies blijkt dat bij verzoekster sprake is van hypertensie veroorzaakt door primair hyperaldosteronisme. De bloeddruk is goed onder controle te houden met één middel, Nifedipine. Het BMA heeft geconcludeerd dat verzoekster in staat is om te reizen en dat er geen medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan.
7. Verzoekster voert aan dat het BMA-advies niet begrijpelijk is. In het BMA-advies staat dat als de behandeling met Nifedipine uitblijft haar bloeddruk kan stijgen. Vervolgens wordt geconcludeerd dat verzoekster momenteel één middel gebruikt en hiermee goed is ingesteld en dat daarom bij uitblijven van het gebruik hiervan geen levensbedreigende situatie wordt verwacht. Dit advies is niet concludent en inzichtelijk en kan daarom niet in stand blijven. Verder is de medicatie die verzoekster gebruikt niet beschikbaar in Liberia.
8. De minister heeft op 12 februari 2026 een aanvullend BMA-advies van 11 februari 2026 overgelegd. In dit advies heeft het BMA een nadere toelichting gegeven waarom het uitblijven van de behandeling (medicatie) niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn. Het BMA geeft aan dat omdat verzoekster één middel gebruikt niet verwacht wordt dat bij het uitblijven van dit middel de bloeddruk zodanig zal stijgen dat er orgaanschade of een andere ernstige medische situatie op zal treden binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden. Een dergelijke situatie is eerder te verwachten wanneer iemand meerdere middelen gebruikt of wanneer de bloeddruk niet goed onder controle te krijgen is. Dit is bij verzoekster niet het geval. Daarom verwacht het BMA geen medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden.
9. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) moet de minister zich er, indien hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, ingevolge artikel 3:2 van de Awb van vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden. Wanneer de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing ook niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de minister zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. Deze uitgangspunten gelden ook voor de beoordeling door de voorzieningenrechter.
10. Naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter heeft het bezwaar geen redelijke kans van slagen. De voorzieningenrechter stelt vast dat verzoekster geen contra-expertise heeft overgelegd. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het BMA-advies van 28 juli 2025 in samenhang bezien met het aanvullende advies van 11 februari 2026, gelet op de daarin opgenomen informatie, op zorgvuldige wijze tot stand is gekomen, de redenering daarin begrijpelijk is en de betrokken conclusie daarop aansluit. Verzoekster heeft geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht om de conclusie dat geen sprake is van een medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden in twijfel te trekken. De niet onderbouwde stelling dat voor verzoekster geen medicatie beschikbaar is in Liberia is daartoe onvoldoende. Zoals volgt uit het BMA-advies zal bij het uitblijven van het gebruik van medicatie geen medische noodsituatie binnen de indicatieve termijn van drie tot zes maanden ontstaan. Er is daarom geen reden om uitstel van vertrek te verlenen.
Conclusie en gevolgen
11. Omdat het bezwaar geen redelijke kans van slagen heeft wijst de voorzieningenrechter het verzoek om een voorlopige voorziening af. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Beslissing
De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.