RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres
de minister van Asiel en Migratie,
Samenvatting
Zittingsplaats Utrecht
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.27864
(gemachtigde: mr. F.W. Verweij),
en
(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).
1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag.
De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Procesverloop
2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1990. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 mei 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond.
Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft een verweerschrift ingediend.
De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister.
Beoordeling door de rechtbank
Het asielrelaas
3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is afkomstig uit Liberia. Eiseres is op enig moment naar Guinee vertrokken en woonde daar met haar echtgenoot en gezin. Nadat haar man is overleden heeft de broer van haar man, [persoon1] , eiseres en haar gezin opgehaald en hebben zij een jaar bij hem verbleven in [plaats 1] , Liberia. Gedurende dat jaar heeft [persoon1] eiseres lichamelijk en geestelijk mishandeld en op een gegeven moment heeft hij eiseres met een mes aangevallen. Eiseres is toen gevlucht en heeft contact opgenomen met een vriend van haar overleden man, [persoon2] . [persoon2] heeft eiseres en haar kinderen opgehaald en meegenomen naar zijn woning in [plaats 2] . Eiseres heeft daar met haar kinderen een jaar verbleven. Vervolgens heeft [persoon1] via [persoon2] eiseres telefonisch bedreigd. Dit is voor eiseres reden geweest om Liberia te verlaten. Bij terugkeer vreest eiseres dat [persoon1] haar zal vinden en vermoorden.
Het bestreden besluit
4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven:
- identiteit, nationaliteit en herkomst;
- problemen met de broer van haar overleden echtgenoot;
- besnijdenis van eiseres.
De minister stelt zich hierover op het standpunt dat de asielmotieven geloofwaardig zijn. Eiseres heeft echter geen gegronde vrees voor vervolging. De vrees voor [persoon1] heeft geen raakvlak met gronden uit het Vluchtelingenverdrag. Verder vreest eiseres niet om zelf voor een tweede keer besneden te worden, omdat dat in Liberia niet is toegestaan. Eiseres vreest dat haar dochter zal worden besneden, maar dat valt niet binnen de reikwijdte van eiseres haar asielaanvraag. Haar dochter verblijft immers nog steeds in Liberia. De minister heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiseres bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. De problemen met [persoon1] zijn niet de reden voor het vertrek van eiseres geweest, zij is volgens haar eigen verklaring uit Liberia vertrokken om medische redenen. Eiseres heeft nadat zij bij [persoon1] is weggegaan, persoonlijk niets meer van hem vernomen. Hij wist niet waar eiseres verbleef en ook haar dochter is veilig in Liberia. Eiseres verblijft sinds 2021 in Europa en zij heeft niet aannemelijk gemaakt waarom [persoon1] nog steeds naar haar op zoek zou zijn en dat zij niet terug kan keren naar Liberia. Subsidiair is niet aannemelijk dat eiseres geen hulp van de autoriteiten kan inroepen.
De minister heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond en bepaald dat eiseres geen verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd als bedoeld op grond van artikel 8 van het EVRM krijgt. Aan eiseres is uitstel van vertrek verleend in afwachting van de beslissing op de ambtshalve beoordeling over toepassing van artikel 64 van de Vw.
Vrees voor [persoon1]
5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte aan haar tegenwerpt dat zij niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij nog altijd vreest voor [persoon1] . Dat eiseres na haar vertrek niets meer van [persoon1] heeft vernomen, maakt niet dat zij zonder gevaar kan terugkeren naar Liberia. [persoon1] heeft geprobeerd om de schuilplaats van eiseres te achterhalen. Dat [persoon1] eiseres niet heeft gevonden, betekent niet dat hij niet langer probeert om haar te vinden. Eiseres voert verder aan dat het standpunt van de minister dat zij bescherming kan vragen van de autoriteiten opvallend is. Asielzaken lenen zich niet voor een dergelijk subsidiair standpunt van de minister. Eiseres kan bovendien geen hulp van de autoriteiten inroepen, omdat zij haar niet preventief kunnen beschermen. Zij kunnen niet voorkomen dat [persoon1] eiseres zal vinden en zodra hij haar vindt zal alle hulp te laat zijn. De minister werpt verder ten onrechte [plaats 2] als vestigingsalternatief tegen aan eiseres.
6. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet ten onrechte heeft gesteld dat eiseres haar vrees dat zij bij terugkeer door [persoon1] zal worden vermoord niet aannemelijk heeft gemaakt. Eiseres heeft na haar vertrek bij [persoon1] persoonlijk geen contact meer met hem gehad. Zij is bij [persoon2] in [plaats 2] gaan wonen en heeft daar gedurende een jaar verbleven, ook nadat [persoon2] de telefonische bedreigingen ontving. Volgens haar eigen verklaring waren de telefonische bedreigingen ook niet de reden voor het vertrek van eiseres bij [persoon2] . De kinderen van eiseres verblijven nu nog steeds bij [persoon2] . Eiseres verblijft sinds 2021 in Europa en heeft sinds haar vertrek niets meer van of over [persoon1] vernomen. Eiseres heeft niet aannemelijk gemaakt dat [persoon1] desondanks nog steeds naar haar op zoek is. Van een reëel risico op ernstige schade is daarom geen sprake.
7. De rechtbank overweegt nog dat de minister, anders dan eiseres stelt, [plaats 2] niet als vestigingsalternatief heeft aangemerkt. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres kan terugkeren naar Liberia en dat zij niet specifiek hoeft terug te keren naar [plaats 1] . [plaats 1] kan namelijk niet worden aangemerkt als een bestendige plaats van verblijf, nu eiseres daar maar een jaar heeft verbleven. Eiseres heeft nadien nog een jaar in [plaats 2] gewoond. De rechtbank kan dit volgen. De minister stelt verder niet ten onrechte dat niet is gebleken dat de Liberiaanse autoriteiten (desgevraagd) geen bescherming kunnen bieden aan eiseres. Eiseres betwist ook niet dat de autoriteiten bereid zouden zijn om haar te helpen. De stelling van eiseres dat hulp van de autoriteiten op voorhand zinloos of onvoldoende zou zijn, is niet onderbouwd. De beroepsgrond slaagt niet.
Vrees voor besnijdenis
8. Eiseres voert nog aan dat zij koste wat kost wil voorkomen dat haar dochter verminkt wordt. Het maakt eiseres niet uit of dit in het beleid van de minister is opgenomen of niet.
9. De rechtbank stelt vast dat de dochter van eiseres in Liberia verblijft, zodat de vrees voor haar besnijdenis niet onder de beoordelingsruimte van deze asielaanvraag, die op eiseres ziet, valt. Zoals de minister heeft aangegeven volgt uit paragraaf C1/4.2.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 dat een asielmotief moet zien op de persoonlijke vrees voor vervolging of een risico op ernstige schade. Het beroep slaagt niet.
Conclusie en gevolgen
10. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond.
Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiseres geen gelijk krijgt. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, rechter, in aanwezigheid van mr.L.S. Lodder, griffier.
Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.