ECLI:NL:RBDHA:2026:4785

ECLI:NL:RBDHA:2026:4785

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 06-03-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL26.10109
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Eerste aanleg - enkelvoudig
Zittingsplaats Arnhem

Samenvatting

Bewaring, vervolgberoep, voortvarend handelen, zicht op uitzetting, ongegrond.

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 6 maart 2026 in de zaak tussen

[eiser], v-nummer: [nummer], eiser

de minister van Asiel en Migratie.

Zittingsplaats Arnhem

Bestuursrecht

zaaknummer: NL26.10109

(gemachtigde: mr. A. Jhingoer),

en

Procesverloop

De minister heeft op 9 januari 2026 aan eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) opgelegd. Deze maatregel duurt nog voort.

Eiser heeft tegen het voortduren van de maatregel van bewaring beroep ingesteld.

De rechtbank heeft deze maatregel van bewaring eerder getoetst. Op het eerste beroep heeft de rechtbank beslist bij uitspraak van 30 januari 2026.

De minister heeft een voortgangsrapportage overgelegd. Eiser heeft hierop gereageerd.

De rechtbank heeft het vooronderzoek op 2 maart 2026 gesloten en bepaald dat een onderzoek ter zitting achterwege blijft.

Overwegingen

1. Indien de rechtbank van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen in redelijkheid niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 96, derde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond en beveelt zij de opheffing van de maatregel of een wijziging van de wijze van tenuitvoerlegging daarvan.

De rechtbank stelt voorop dat zij deze maatregel van bewaring al eerder heeft getoetst. Uit de uitspraak van 30 januari 2026 volgt dat de maatregel van bewaring tot het moment van het sluiten van het onderzoek dat aan die uitspraak ten grondslag ligt, rechtmatig was. Daarom is bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het voortduren van de maatregel van bewaring slechts de periode van belang sinds het moment van het sluiten van dat onderzoek, op 27 januari 2026.

Heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld?

2. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende voortvarend handelt door eiser enkel schriftelijk en in het algemeen te presenteren. Verwacht mag worden dat de minister aanstuurt op een presentatie in persoon, juist omdat er meerdere aliassen bekend zijn.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende voortvarend gehandeld door op 29 januari 2026 en 19 februari 2026 schriftelijk te rappelleren bij de Marokkaanse autoriteiten op de status van de aanvraag om een laissez-passer (lp) en het voeren van een vertrekgesprek op 11 februari 2026. Dat er (nog) geen presentatie in persoon heeft plaatsgevonden maakt dit oordeel niet anders. Voor de vraag of een presentatie in persoon nodig is evenals voor de planning daarvoor, is de minister afhankelijk van de Marokkaanse autoriteiten. Dat er meerdere aliassen bekend zijn, leidt evenmin tot een ander oordeel. Bovendien is het aan eiser toe te rekenen dat door het gebruik van aliassen het mogelijk langer duurt om zijn identiteit vast te stellen. De beroepsgrond slaagt niet.

Ontbreekt zicht op uitzetting binnen een redelijke termijn?

3. Eiser voert aan dat zicht op uitzetting naar Marokko binnen een redelijke termijn ontbreekt. Het is onduidelijk welke gegevens op de lp-aanvraag zijn opgenomen. Enkel een schriftelijke presentatie zonder documenten zal geen lp opleveren, nu er aliassen bekend zijn.

De rechtbank stelt voorop dat het zicht op uitzetting naar Marokko in zijn algemeenheid niet ontbreekt. Dat nog geen lp is afgegeven, is naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende om aan te nemen dat er in eisers geval geen zicht op uitzetting bestaat. Er zijn door eiser ook geen concrete aanknopingspunten naar voren gebracht die erop wijzen dat het lp-traject bij de Marokkaanse autoriteiten op niets zal uitlopen en dat er voor hem geen lp zal worden afgegeven. Dat er aliassen bekend zijn, maar dit oordeel niet anders. Op eiser rust immers de plicht om zijn actieve en volledige medewerking te verlenen aan het verkrijgen van concrete en verifieerbare gegevens, waaronder documenten, die nodig zijn om de beoogde uitzetting te bewerkstelligen. Niet gebleken is dat eiser op enige wijze invulling heeft gegeven aan die medewerkingsplicht, dit volgt ook uit het verslag ven het vertrekgesprek van 11 februari 2026. De beroepsgrond slaagt niet.

Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel?

4. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel van bewaring op enig moment onrechtmatig is geweest.

Conclusie en gevolgen

5. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. A.S. Gaastra, rechter, in aanwezigheid van

mr. J.M. van Kouwen, griffier.

De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak staat geen rechtsmiddel open.

Zittende Magistratuur

Rechter

  • mr. A.S. Gaastra

Griffier

  • mr. J.M. van Kouwen

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?