RECHTBANK DEN HAAG
uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen
[eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser
de minister van Asiel en Migratie, verweerder
Zittingsplaats Middelburg
Bestuursrecht
zaaknummer: NL25.28342
(gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld),
en
(gemachtigde: mr. H.J. Metselaar).
Procesverloop
Bij besluit van 25 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen omdat Zwitserland daarvoor verantwoordelijk is.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit.
Bij uitspraak van 17 juli 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het beroep tegen het bestreden besluit kennelijk ongegrond verklaard.
Eiser heeft tegen deze uitspraak verzet gedaan.
Bij uitspraak van 10 oktober 2025 heeft deze rechtbank en zittingsplaats het verzet van eiser gegrond verklaard. Daarmee is de uitspraak van 17 juli 2025 komen te vervallen.
Op 26 februari 2026 heeft de rechtbank het beroep op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] en de gemachtigde van verweerder.
Beoordeling door de rechtbank
1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2002 en de Turkse nationaliteit te hebben. Eiser heeft op 1 mei 2025 een asielaanvraag ingediend in Nederland.
2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit
Eurodac is gebleken dat eiser op 27 december 2023 in Zwitserland een asielaanvraag heeft ingediend. Verweerder heeft daarom de Zwitserse autoriteiten op grond van de Dublinverordening verzocht om eiser terug te nemen. De Zwitserse autoriteiten hebben dit verzoek op 4 juni 2025 geaccepteerd.
3. Eiser voert tegen het bestreden besluit het volgende aan. Hij vreest door Zwitserland direct te worden uitgezet naar Turkije en niet in aanmerking te komen voor opvang, voorzieningen en toegang tot de asielprocedure. Eiser wijst erop dat hij uitgeprocedeerd is in Zwitserland. Daarnaast is sprake van ernstige psychische problematiek bij eiser. Ter onderbouwing hiervan heeft hij onder meer een brief van een toegepast psycholoog van GZA overgelegd, waarin wordt gesteld dat het risico op suïcide bij uitzetting zeer hoog wordt geacht. Verweerder dient daarom nader onderzoek te doen en een BMA-advies op te vragen.
4. Verweerder heeft tijdens de behandeling van het door eiser gedane verzet kenbaar gemaakt aanleiding te zien om onderzoek door BMA op te starten. Op 4 januari 2026 heeft BMA meegedeeld onvoldoende informatie te hebben ontvangen om tot een zorgvuldig medisch advies te komen. De adviesaanvraag is daarom niet inhoudelijk afgedaan. Bij brief van 11 februari 2026 heeft verweerder de rechtbank geïnformeerd dat omwille van de zorgvuldigheid eind januari 2026 besloten is om nogmaals een BMA-advies op te vragen. Op 25 februari 2026 heeft BMA medisch advies uitgebracht. Uit dit medisch advies volgt dat eiser medische klachten heeft en onder bepaalde voorwaarden kan reizen.
5. In reactie op het BMA-advies heeft eiser aangevoerd dat het BMA-advies geen recht doet aan de voorlopige diagnose van eiser. Volgens eiser kan afgevraagd worden of de overdracht naar Zwitserland niet zal leiden tot onomkeerbare gevolgen zoals is bedoeld in het arrest C.K. Verweerder dient daarom nader onderzoek te doen naar de situatie van eiser na overdracht.
De rechtbank oordeelt als volgt.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel
6. De rechtbank stelt voorop dat bij de toepassing van de Dublinverordening het uitgangspunt is dat verweerder mag uitgaan van het vermoeden dat lidstaten bij de behandeling van asielzoekers hun internationale verplichtingen zullen nakomen (het interstatelijk vertrouwensbeginsel). De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft onder meer in de uitspraken van 24 januari 2025 en 10 oktober 2025 bevestigd dat verweerder ten aanzien van Zwitserland van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. Eiser moet aan de hand van concrete aanwijzingen aannemelijk maken dat dit in zijn geval niet kan. Daarbij geldt een bijzonder hoge drempel van zwaarwegendheid.
7. Eiser is hier niet in geslaagd. Eiser heeft geen aanknopingspunten naar voren gebracht waaruit blijkt dat niet kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Met het claimakkoord garanderen de Zwitserse autoriteiten dat eiser de mogelijkheid krijgt om een nieuw asielverzoek in te dienen. De Zwitserse autoriteiten zijn gebonden aan internationale verplichtingen bij het behandelen van eisers asielaanvraag. Dat eisers eerdere asielaanvraag is afgewezen, maakt dat niet anders. Indien eiser meent dat Zwitserland zijn verplichtingen jegens hem niet nakomt, ligt het op zijn weg om te klagen bij de (hogere) Zwitserse autoriteiten. Niet gebleken is dat die hem niet willen helpen of dat klagen bij voorbaat onmogelijk of zinloos is.
Indirect refoulement
8. De beroepsgrond van eiser dat sprake is van indirect refoulement omdat hij vreest dat Zwitserland hem zal uitzetten naar Turkije treft geen doel. Eiser kan in de Dublinprocedure geen beroep op doen op het (indirect) refoulementbeginsel wanneer uitgegaan kan worden van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit volgt onder andere uit het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 30 november 2023 en de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 12 juni 2024.Als eiser voor refoulement vreest, dient hij deze vrees in Zwitserland aan te kaarten.
Arrest C.K.
9. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn gezondheidstoestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Indien eiser deze gegevens heeft overgelegd, dient verweerder het risico op een dergelijke verslechtering van de gezondheidstoestand te laten onderzoeken door BMA, zo volgt uit verweerders Werkinstructie 2021/3.
10. Uit het BMA-advies van 25 februari 2026 blijkt het volgende. Eiser is gediagnostiseerd met PTSS en een stoornis in cannabisgebruik. Eiser heeft herbelevingen, angsten, paniekaanvallen, slaapproblemen en suïcidale gedachten. Daarnaast is er sprake
van auditieve en visuele hallucinaties die mogelijk stress gerelateerd zijn. Volgens de behandelaar van eiser is de suïcidaliteit sluimerend aanwezig. Er is geen sprake van concrete plannen of intenties tot suïcide. Eiser gebruikt verder momenteel geen medicatie. Geconcludeerd is dat eiser kan reizen, indien tijdens de reis sprake is van begeleiding door een (psychiatrisch) verpleegkundige in verband met de angstklachten en paniekaanvallen van eiser.
11. Verweerder heeft met het BMA-advies de gevolgen van de overdracht op de gezondheidstoestand van eiser deugdelijk onderzocht en heeft van het BMA-advies mogen uitgaan. Verweerder heeft daarmee voldaan aan de verplichtingen die voortvloeien uit het arrest C.K.
12. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat een overdracht naar Zwitserland voor eiser geen reëel en bewezen risico op een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn gezondheidstoestand oplevert. Dat de overdracht een zodanige weerslag op de psychische gezondheid van eiser zou hebben, blijkt namelijk onvoldoende uit de door eiser overgelegde stukken. Dat het BMA-advies onvoldoende zou zijn om de gerezen twijfel over de weerslag van de overdracht op de psychische gezondheidstoestand van eiser weg te nemen en dat verweerder zich hiervan niet voldoende heeft vergewist, wordt niet gevolgd. Daarbij is van belang dat uit het BMA-advies blijkt dat hierbij de suïcidaliteit van eiser is betrokken, maar dat niet gebleken is van concrete plannen of intenties tot suïcide. In wat eiser heeft aangevoerd ziet de rechtbank dan ook geen concreet aanknopingspunt voor twijfel aan het advies.
13. Verder is niet gesteld of gebleken is dat de behandeling die eiser nodig zou hebben, niet aanwezig of beschikbaar is in Zwitserland. De Zwitserse autoriteiten zullen bovendien beschikken over de medische gegevens van eiser, waardoor zij op een zorgvuldige manier kunnen beoordelen welke voorzieningen nodig zijn voor eiser.
Conclusie
14. Het beroep is ongegrond.
15. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten.
Beslissing
De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.
Deze uitspraak is gedaan op 5 maart 2026 door mr. W.H. Bel, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl.
De uitspraak is bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.