ECLI:NL:RBDHA:2026:4789

ECLI:NL:RBDHA:2026:4789

Instantie Rechtbank Den Haag
Datum uitspraak 19-02-2026
Datum publicatie 10-03-2026
Zaaknummer NL25.62121
Rechtsgebied Bestuursrecht; Vreemdelingenrecht
Procedure Voorlopige voorziening
Zittingsplaats Utrecht

Samenvatting

Voorlopige voorziening hangende bezwaar – machtiging tot voorlopig verblijf – geen sprake van een zwaarwegend spoedeisend belang – verzoek afgewezen

Uitspraak

RECHTBANK DEN HAAG

uitspraak van de voorzieningenrechter in de zaak tussen

[verzoekster] , V-nummer: [V-nummer] , verzoekster

de minister van Asiel en Migratie, verweerder

Samenvatting

Zittingsplaats Utrecht

Bestuursrecht

zaaknummer: NL25.62121

(gemachtigde: mr. M.A. Vegter),

en

(gemachtigde: mr. M.F. van der Lubbe).

1. Deze uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening gaat over de afwijzing van de aanvraag van verzoekster om een machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar pleegmoeder [referente] (referente). Verzoekster is het hier niet mee eens. Zij verzoekt daarom om een voorlopige voorziening en voert daartoe een aantal gronden aan. De voorzieningenrechter beoordeelt bij de vraag of hij een voorlopige voorziening zal treffen of het bezwaar een redelijke kans van slagen heeft. Dat kan een reden zijn om het bestreden besluit te schorsen. Deze vraag beantwoordt hij aan de hand van de gronden van verzoekster.

De voorzieningenrechter wijst in deze uitspraak het verzoek af. Hierna legt de voorzieningenrechter uit hoe hij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Het oordeel van de voorzieningenrechter heeft een voorlopig karakter en bindt de rechtbank in een (eventueel) bodemgeding niet.

Procesverloop

2. Verzoekster, geboren op [geboortedatum] 2008 en van Somalische nationaliteit, heeft een aanvraag ingediend voor een mvv onder de beperking ‘verblijf als familie- of gezinslid’ bij haar pleegmoeder, referente. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 20 november 2025 afgewezen. Verzoekster heeft hiertegen bezwaar gemaakt en de voorzieningenrechter gevraagd om een voorlopige voorziening te treffen.

De voorzieningenrechter heeft het verzoek op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: referente, de gemachtigde van verzoekster, de heer M. Abdullahi als tolk en de gemachtigde van de minister.

Beoordeling door de voorzieningenrechter

Totstandkoming besluit

3. Referente heeft sinds 18 oktober 2022 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. Op 14 november 2022 heeft zij een aanvraag voor een mvv voor haar echtgenoot en kinderen en voor verzoekster als haar pleegdochter, ingediend. Aan de echtgenoot en kinderen van referente heeft de minister de gevraagde mvv verleend. De minister heeft de aanvraag voor verzoekster afgewezen.

4. De minister heeft de aanvraag van verzoekster afgewezen, omdat zij niet voldoet aan de voorwaarden voor het verkrijgen van een mvv nareis. Op basis van een integrale beoordeling krijgt verzoekster het voordeel van de twijfel en is nader onderzoek aangeboden in de vorm van een interview met verzoekster. De minister heeft op basis daarvan de identiteit van verzoekster aannemelijk geacht. De minister heeft overwogen dat verzoekster de identiteit van haar biologische ouders niet aannemelijk heeft gemaakt. Verzoekster heeft verder de familierechtelijke relatie met haar biologische ouders en haar pleegouders niet aannemelijk gemaakt. Hierdoor kan verweerder de nareisvraag ook niet beoordelen in het kader van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM).

Het verzoek

5. Verzoekster vraagt de voorzieningenrechter primair om te bepalen dat de minister haar dient te behandelen als ware zij in het bezit van een mvv. Subsidiair vraagt zij de voorzieningenrechter om te bepalen dat de minister snel op haar bezwaar beslist. Verzoekster voert in dit kader aan dat de minister de mvv voor de overige gezinsleden van referente heeft ingewilligd en dat zij uiterlijk op 8 maart 2026 naar Nederland moeten reizen. Verzoekster maakt sinds haar geboorte deel uit van het gezin van referente en zij dreigt nu helemaal alleen achter te blijven in Kenia.

Spoedeisend belang

6. Als voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank tegen een besluit bezwaar is gemaakt, kan de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd kan worden in de hoofdzaak, op grond van artikel 8:81, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) op verzoek een voorlopige voorziening treffen als onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist. Voor zover de daartoe uit te voeren toetsing meebrengt dat de rechtmatigheid van het bestreden besluit wordt beoordeeld, heeft het oordeel van de voorzieningenrechter een voorlopig karakter en is dat oordeel niet bindend voor de beslissing op bezwaar of in een eventuele beroepsprocedure.

7. De voorzieningenrechter overweegt dat de primair gevraagde voorziening geen voorlopig karakter heeft. De feitelijke gevolgen van het uitgangspunt dat verzoekster wordt behandeld alsof zij in het bezit is van een geldige mvv, komen er immers op neer dat het voor haar mogelijk wordt om naar Nederland te reizen, zonder dat de minister vooraf heeft kunnen toetsen of aan alle voorwaarden voor het beoogde verblijfsdoel wordt voldaan. De beoordeling hiervan is in eerste instantie aan de minister. Toewijzing van de gevraagde voorziening zou betekenen dat de minister voor een voldongen feit wordt gesteld. Voor zo’n vergaande beslissing is in beginsel alleen plaats wanneer een zwaarwegend spoedeisend belang daartoe dwingt en sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het besluit.

8. De voorzieningenrechter is van oordeel dat er geen sprake is van een zwaarwegend spoedeisend belang. Hoewel de voorzieningenrechter begrijpt dat verzoekster graag samen met de overige gezinsleden van referente naar Nederland wil vertrekken, is onvoldoende onderbouwd dat verzoekster zich niet tijdelijk zelfstandig, al dan niet met behulp van anderen zoals haar oma, in Kenia kan handhaven. Voor toewijzing van het primaire verzoek van verzoekster is daarom geen plaats.

9. De voorzieningenrechter ziet ook geen aanleiding om de minister op te dragen om al voor 8 maart 2026 op het bezwaar van verzoekster te beslissen. De voorlopige voorzieningenprocedure is niet bedoeld om de voortgang in de bezwaarprocedure te bespoedigen. De voorzieningenrechter stelt vast dat de minister (op dit moment) de wettelijke beslistermijn niet heeft overschreden en dat de minister heeft toegezegd om binnen de beslistermijn te gaan beslissen. Dit houdt in dat de minister uiterlijk op 30 april 2026 op het bezwaar zal beslissen, dat is binnen twee maanden na 8 maart 2026. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter is dit niet op voorhand onoverkomelijk en kan verzoekster met het verzoek om een voorlopige voorziening niet bewerkstelligen dat de minister sneller beslist op het bezwaarschrift dan de wettelijke beslistermijn.

10. Gelet op de argumenten die over en weer zijn uitgewisseld en het feit dat in bezwaar een volledige heroverweging plaatsvindt, komt de voorzieningenrechter thans ook nog niet tot de conclusie dat sterk getwijfeld moet worden aan de rechtmatigheid van het primaire besluit. De minister zal met inachtneming van de bezwaargronden en het recent in deze procedure door verzoekster overgelegde DNA-onderzoek op het bezwaar van verzoekster moeten beslissen.

11. Nu er geen sprake is van een (zwaarwegend) spoedeisend belang en naar het voorlopig oordeel van de voorzieningenrechter niet sterk getwijfeld dient te worden aan de rechtmatigheid van het besluit, ziet de voorzieningenrechter geen ruimte om de verstrekkende primair verzochte voorziening toe te wijzen en is er evenmin aanleiding om het subsidiair verzochte toe te wijzen.

Conclusie en gevolgen

12. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Verzoekster krijgt het griffierecht niet terug. Zij krijgt ook geen vergoeding van haar proceskosten.

Beslissing

De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. Spelt, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. L.S. Lodder, griffier.

Uitgesproken in het openbaar op 19 februari 2026.

Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open.

Zittende Magistratuur

Griffier

  • mr. L.S. Lodder

Vindplaatsen

Rechtspraak.nl
Bekijk op rechtspraak.nl Download XML
Rechtspraak.nl XML
+ Alert

♥ Steun Jurisprudentie.online

Gratis service, geen ads, geen tracking.
Klik op de zoekopdracht - dat helpt kleine ondernemers.

🔍 opent nieuw tabblad

Advocaat of Jurist?

Organisch Google verkeer voor een fractie van Google Ads.

✓ 6-26x goedkoper
✓ 100% echte bezoekers
✓ Geen click fraud
Meer info

Eigen website?

Word partner en krijg gerichte bezoekers die juridische info zoeken.

Nu actief:
Word Partner

Klik opent een nieuw tabblad. Je hoeft niks te kopen - alleen de klik helpt.

Alert aanmaken

Keyword:

Je email:

Hoe vaak?