RECHTBANK DEN HAAG
[eiser], v-nummer [nummer], eiser
de minister van Asiel en Migratie
Samenvatting
Zittingsplaats Arnhem
Bestuursrecht
zaaknummer: NL24.35088
einduitspraak na tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer van 5 maart 2026 in de zaak tussen
(gemachtigde: mr. M.J. Verwers),
en
(gemachtigde: mr. M.R. Stuart).
Als derde-partij neemt aan de zaak deel:
- de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid).
1. Deze einduitspraak gaat over de afwijzing van de aanvraag van eiser om een verblijfsdocument EU/EER op grond van het arrest Chavez-Vilchez (een zogenoemd Chavez-verblijfsrecht). De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 11 juli 2025 geoordeeld dat de minister de afwijzing van de aanvraag niet goed heeft gemotiveerd en hem in de gelegenheid gesteld om dat te herstellen. In deze einduitspraak beoordeelt de rechtbank of de minister het vastgestelde motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld.
De rechtbank komt tot het oordeel dat de minister het motiveringsgebrek voldoende heeft hersteld. De minister heeft alsnog voldoende uitgelegd waarom tussen eiser en zijn Nederlandse minderjarige zoon [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] de Europese Unie moet verlaten als de aanvraag wordt afgewezen, en heeft ook alsnog voldoende uitgelegd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM niet in het voordeel van eiser is uitgevallen. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft.
Onder 2 staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3 staat wat de rechtbank in haar tussenuitspraak heeft geoordeeld en onder 4 staat hoe de minister het motiveringsgebrek heeft hersteld. Vanaf overweging 5 volgt de beoordeling van de aanvullende motivering van de minister. Aan het einde van de einduitspraak staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan.
Procesverloop
2. Eiser heeft een aanvraag om een verblijfsdocument ingediend, omdat hij bij zijn Nederlandse minderjarige zoon [naam zoon] wil verblijven. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 5 december 2022 afgewezen. Met het bestreden besluit van 4 september 2024 op het bezwaar van eiser is de minister bij de afwijzing van de aanvraag gebleven.
Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift.
De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2025 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft zijn partner [naam partner] als getuige naar de zitting meegenomen.
De rechtbank heeft op 11 juli 2025 een tussenuitspraak gedaan. Zij heeft in deze tussenuitspraak een motiveringsgebrek geconstateerd en de minister in de gelegenheid gesteld om dit gebrek binnen acht weken na verzending van de tussenuitspraak te herstellen, met inachtneming van wat in de tussenuitspraak is overwogen.
De minister heeft op 4 augustus 2025 een aanvullende motivering van het bestreden besluit gegeven. Eiser heeft hier op 22 september 2025 op gereageerd. Vervolgens heeft de minister op 12 januari 2026 een aanvullend verweerschrift uitgebracht.
De rechtbank heeft het beroep vervolgens op 22 januari 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser heeft daarnaast zijn partner [naam partner] als getuige naar de zitting meegenomen.
Beoordeling door de rechtbank
De tussenuitspraak van 11 juli 2025
3. Deze uitspraak bouwt voort op de tussenuitspraak van 11 juli 2025. Het staat de rechtbank niet vrij om terug te komen van een oordeel dat zij in de tussenuitspraak zonder voorbehoud heeft gegeven, behalve als sprake is van een zeer uitzonderlijk geval. De rechtbank blijft daarom bij wat zij in de tussenuitspraak heeft overwogen, tenzij zij hierna uitdrukkelijk anders overweegt.
In de tussenuitspraak heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in het kader van het Chavez-verblijfsrecht onvoldoende is ingegaan op de overgelegde verklaringen van vrienden en kennissen (bij de beoordeling van de vraag of eiser voor zijn zoon [naam zoon] daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht) en dat de minister onvoldoende inzichtelijk heeft gemaakt op welke manier hij het (hogere) belang van het kind heeft betrokken bij de vraag of tussen eiser en [naam zoon] een afhankelijkheidsverhouding bestaat. In het kader van artikel 8 van het EVRM heeft de rechtbank overwogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven tussen eiser en zijn partner en kinderen in Irak uit te oefenen.
De rechtbank heeft de minister in de tussenuitspraak de gelegenheid gegeven om dit motiveringsgebrek te herstellen. Om het gebrek te herstellen moet de minister nader motiveren waarom uit de verklaringen van vrienden en kennissen niet blijkt van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken, op welke manier hij het (hogere) belang van het kind bij zijn beoordeling heeft betrokken en waarom geen sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Irak uit te oefenen.
De aanvullende motivering van 4 augustus 2025
4. De minister heeft het bestreden besluit op 4 augustus 2025 van een aanvullende motivering voorzien. In deze aanvullende motivering is de minister in de eerste plaats ingegaan op de verklaringen van vrienden en kennissen die eiser heeft overgelegd. De minister heeft zich over deze verklaringen op het standpunt gesteld dat hun bewijswaarde beperkt is, omdat zij subjectief van aard zijn. Uit de verklaringen volgt weliswaar dat eiser contact heeft met [naam zoon], dat hij altijd voor hem klaarstaat en dat hij ook activiteiten met [naam zoon] onderneemt, maar niet dat eiser ook daadwerkelijke dagelijkse zorgtaken verricht. Daarom leiden deze verklaringen – individueel en in samenhang bezien – nog altijd niet tot de conclusie dat eiser meer dan gebruikelijke zorg- en opvoedingstaken voor [naam zoon] verricht. Verder heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat tussen eiser en [naam zoon] geen sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [naam zoon] met eiser naar Irak zou moeten terugkeren. [naam zoon] is jong en kan zich, gelet daarop, beter aanpassen aan een situatie waarin hij wordt gescheiden van eiser dan wanneer hij ouder zou zijn. Daarnaast is niet gebleken of onderbouwd dat de afwijzing van de aanvraag van eiser leidt tot problemen in de lichamelijke en emotionele ontwikkeling van [naam zoon], of dat het niet mogelijk zou zijn om vanuit Irak contact te houden. Tot slot is de minister ingegaan op de vraag of in Irak sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven uit te oefenen. Daarover heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat een negatief reisadvies van het ministerie van Buitenlandse Zaken niet betekent dat sprake is van een objectieve belemmering. Die reisadviezen zijn niet bindend en zijn bovendien bedoeld voor Nederlandse reizigers. Omdat eiser echter de Iraakse nationaliteit heeft en zijn partner eventueel met hem naar Irak zou reizen, zijn de beperkingen uit het reisadvies niet in volle omvang van toepassing op de situatie van eiser. Daarom maakt het negatief reisadvies niet dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Irak uit te oefenen.
Mocht de minister de aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht afwijzen?
5. Eiser betoogt dat de minister nog altijd onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij niet in aanmerking komt voor een Chavez-verblijfsrecht.
Daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken
6. In het beleid zoals dat gold op het moment van het bestreden besluit werd voor een Chavez-verblijfsrecht (onder meer) de eis gesteld dat een derdelander-ouder (dat is in dit geval eiser) daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken verricht voor zijn minderjarige kind en dat tussen de derdelander-ouder en dit kind een zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat het kind gedwongen zou zijn het grondgebied van de Europese Unie te verlaten als aan de derdelander-ouder een verblijfsrecht wordt geweigerd. De minister heeft dit beleid in het bestreden besluit toegepast. Na het nemen van het bestreden besluit en de tussenuitspraak van 11 juli 2025 heeft de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State geoordeeld dat het verrichten van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken niet als zelfstandige eis mag worden gesteld voor een Chavez-verblijfsrecht, maar dat bepalend is of tussen de derdelander-ouder en het minderjarige kind een afhankelijkheidsverhouding bestaat. Voor de vraag of sprake is van een afhankelijkheidsverhouding, is het bestaan van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken echter wel van belang.
De minister heeft in het verweerschrift van 12 januari 2026 laten weten dat hij niet langer aan eiser tegenwerpt dat hij geen daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken voor [naam zoon] verricht en nu aanneemt dat eiser dergelijke zorg- en opvoedingstaken verricht. De rechtbank zal de beroepsgronden van eiser over dit punt daarom niet meer bespreken.
Afhankelijkheidsverhouding
7. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat tussen hem en [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] eiser naar Irak zou moeten volgen als aan eiser een verblijfsrecht wordt geweigerd. Dit standpunt is volgens eiser in strijd met de rechtspraak van het Hof van Justitie. De minister heeft in de eerste plaats niet onderkend dat eiser deze afhankelijkheidsverhouding slechts aannemelijk moet maken, en niet moet aantonen. Eiser stelt daarin te zijn geslaagd met de stukken die hij bij de aanvraag en in bezwaar heeft overgelegd. Verder heeft de minister in zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 het hogere belang van het kind op dit punt nog steeds onvoldoende in de beoordeling betrokken. De minister heeft daarbij onvoldoende waarde gehecht aan de jonge leeftijd van [naam zoon]. Deze jonge leeftijd betekent, anders dan de minister stelt, niet dat [naam zoon] zich ‘gemakkelijk’ kan aanpassen aan een situatie waarin eiser niet meer in zijn nabijheid is: [naam zoon] kent immers geen leven zonder zijn vader en een vertrek van eiser naar Irak is gelet op de leeftijd van [naam zoon] ook niet aan hem uit te leggen. Daarnaast heeft de minister niet onderkend dat [naam zoon] sterk is gehecht aan eiser, zodat het vertrek van eiser uit Nederland ondragelijk en traumatisch zal zijn, en mag niet van eiser en [naam zoon] worden verwacht dat zij hun familieleven opgeven. Het Unierecht garandeert immers een (onbetwistbaar) recht van het kind op regelmatige persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat tussen eiser en [naam zoon] geen zodanige afhankelijkheidsverhouding bestaat dat [naam zoon] eiser naar Irak moet volgen en heeft dit standpunt met zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 voldoende gemotiveerd. In de eerste plaats heeft de minister in zijn beoordeling voldoende betrokken wat eiser bij de aanvraag en in de bezwaarfase heeft overgelegd. Met de enkele verwijzing van eiser naar deze stukken legt hij niet uit waarom die beoordeling onjuist of onvoldoende zou zijn, zodat de rechtbank aan die verwijzing voorbijgaat. Verder heeft de minister het hogere belang van het kind voldoende in zijn beoordeling betrokken. De minister heeft de relevante omstandigheden die in het beleid zijn genoemd voldoende kenbaar in de beoordeling betrokken. De rechtbank kan deze beoordeling ook volgen. De minister stelt immers terecht dat niet is gebleken dat het afwijzen van de aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht leidt tot problemen in de lichamelijke of emotionele ontwikkeling van [naam zoon]. In beroep stelt eiser, in reactie hierop, weliswaar dat [naam zoon] zich niet makkelijk zal kunnen aanpassen aan een situatie zonder eiser en dat een scheiding tussen hem en [naam zoon] ondragelijk en traumatisch zal zijn, maar hij onderbouwt die stellingen niet. Hoe zeer ook voorstelbaar is dat eiser en [naam zoon] aan elkaar gehecht zijn en een scheiding tussen eiser en [naam zoon] heel moeilijk zal zijn, kan daarom niet tot de conclusie worden gekomen dat sprake is van een zodanige afhankelijkheidsverhouding dat [naam zoon] ook met eiser mee naar Irak zal moeten als hem een verblijfsrecht wordt geweigerd. De verwijzing van eiser naar het recht van het kind op regelmatige persoonlijke betrekkingen en rechtstreekse contacten met beide ouders uit artikel 24, derde lid, van het EU-Handvest maakt het voorgaande niet anders. Uit deze bepaling en de door eiser aangehaalde rechtspraak valt, zoals de minister terecht heeft gesteld, niet af te leiden dat een kind in alle gevallen recht heeft op zijn (beide) ouders in zijn nabijheid en (dus) dat aan derdelander-ouders, zo nodig, altijd een verblijfsrecht moet worden verleend. Bovendien heeft de minister er terecht en onbetwist op gewezen dat regelmatige betrekkingen bij vertrek van eiser naar Irak mogelijk blijven door bijvoorbeeld contact op afstand.
Conclusie over deze beroepsgrond
8. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft de gebreken die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft vastgesteld voldoende hersteld en met de aanvullende motivering van 4 augustus 2025 alsnog voldoende uitgelegd waarom hij de aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht heeft afgewezen.
Had de minister de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in het voordeel van eiser moeten laten uitvallen?
9. Eiser betoogt dat de minister met de aanvullende motivering van 4 augustus 2025 nog altijd onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de belangenafweging in het kader van artikel 8 van het EVRM in zijn nadeel is uitgevallen.
Toetsingskader
10. De rechtbank heeft in haar tussenuitspraak van 11 juli 2025 overwogen dat de minister onvoldoende had gemotiveerd waarom het negatief reisadvies voor Irak niet betekent dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Irak uit te oefenen. Verder heeft de rechtbank overwogen dat de minister – afhankelijk van de nadere motivering over het bestaan van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken – mogelijk nog een ander standpunt zou kunnen innemen over de weging van de intensiteit van het gezinsleven binnen deze belangenafweging. Daarom kon zij over de beroepsgronden van eiser over dat onderwerp nog geen oordeel geven. Dit betekent dat de rechtbank hierna uitsluitend zal beoordelen of de minister alsnog voldoende heeft gemotiveerd waarom het negatief reisadvies voor Irak niet betekent dat sprake is van een objectieve belemmering en of de minister de intensiteit van het gezinsleven op juiste wijze in de belangenafweging heeft betrokken.
Het voorgaande betekent ook dat de rechtbank de overige beroepsgronden van eiser, die gaan over de vraag of de minister in het nadeel van eiser mocht wegen dat hij een gevaar voor de openbare orde vormt en of de minister het recht op regelmatige betrekkingen tussen een ouder en zijn kind voldoende in de belangenafweging heeft betrokken, hierna niet zal beoordelen. Eiser had deze beroepsgronden – mede gelet op het feit dat, anders dan hij stelt, al in het bestreden besluit werd tegengeworpen dat hij een actuele en ernstige bedreiging voor de openbare orde vormt – immers ook vóór het doen van de tussenuitspraak kunnen aanvoeren. Daarom is het niet toelaatbaar is dat eiser deze nu pas aanvoert.
Objectieve belemmering
11. Eiser betoogt dat de minister zich nog steeds ten onrechte op het standpunt stelt dat het negatief reisadvies voor Irak niet leidt tot een objectieve belemmering om daar gezinsleven uit te oefenen. De minister moet beoordelen of er redenen zijn om aan te nemen dat uitoefening van het gezinsleven in Irak niet mogelijk is. Het reisadvies voor Irak is duidelijk: het ministerie van Buitenlandse Zaken raadt Nederlanders af om naar Irak te reizen. De partner van eiser en [naam zoon] zijn beiden Nederlander, zodat mag worden aangenomen dat dit reisadvies onverkort voor hen geldt. Daar komt nog bij dat de partner van eiser zwanger is van een tweede kind, en mogelijk met een pasgeboren baby naar Irak zal moeten reizen. Het valt dan ook niet in te zien waarom zij wel naar Irak kunnen reizen om daar te gaan wonen en waarom zij in dat geval minder gevaar lopen dan een toerist. Dat het gaat om een advies en dat de partner van eiser samen met eiser reist, doet volgens eiser niet af aan de gevaren die in het reisadvies zijn vermeld.
Dit betoog slaagt niet. De minister stelt zich niet ten onrechte op het standpunt dat het negatief reisadvies voor Irak niet maakt dat sprake is van een objectieve belemmering om het familie- en gezinsleven in Irak uit te oefenen en heeft dit met de aanvullende motivering van 4 augustus 2025 alsnog voldoende gemotiveerd. De rechtbank kent daarbij doorslaggevende waarde toe aan de motivering van de minister dat de reisadviezen van het ministerie van Buitenlandse Zaken zijn geschreven voor toeristen en andere (zaken)reizigers en dat de gezinsleden van eiser in voorkomend geval juist niet in deze hoedanigheid naar Irak zullen reizen, omdat zij samen met eiser – die de Iraakse nationaliteit heeft – zullen reizen. Eiser zet hier op zichzelf genomen terecht tegenover dat reisadviezen specifiek voor Nederlanders zijn geschreven en dat de hoedanigheid waarin een Nederlander naar Irak reist niets zal veranderen aan de in het reisadvies omschreven feitelijke veiligheidssituatie in Irak, maar gaat er daarmee wel aan voorbij dat het reisadvies niet is geschreven met het oog op een (duurzame) vestiging in Irak en/of een reis naar Irak onder begeleiding van iemand met de Iraakse nationaliteit. Het reisadvies kan daarom niet een-op-een worden toegepast op de situatie van eiser en zijn gezinsleden. De minister had aan het reisadvies daarom niet de waarde hoeven hechten die eiser daaraan gehecht wenst te zien.
Intensiteit van het gezinsleven
12. Eiser betoogt verder dat de minister de intensiteit van het gezinsleven onvoldoende in de belangenafweging heeft betrokken. [naam zoon] is aan eiser gehecht en een scheiding van eiser zou ondragelijk en traumatisch zijn. Gelet op het feit dat het belang van het kind de eerste overweging moet vormen, dient hieraan een aanzienlijk gewicht te worden toegekend in de belangenafweging. Daar komt nog bij dat de partner van eiser zwanger is van een tweede kind, en de geboorte hiervan de afhankelijkheid en de intensiteit van het gezinsleven alleen maar sterker zal maken.
Dit betoog slaagt niet. De minister heeft de intensiteit van het gezinsleven voldoende in de belangenafweging betrokken. De minister heeft, kort samengevat, uitgelegd dat het aannemen van daadwerkelijke zorg- en opvoedingstaken de intensiteit van het familie- en gezinsleven wat zwaarder doet wegen dan in het bestreden besluit, maar dat dit – onder meer gelet op het ontbreken van een objectieve belemmering en de openbare-ordeantecedenten van eiser – de belangenafweging niet in het voordeel van eiser doet uitvallen. Met een enkele verwijzing naar de mate van hechting tussen eiser en [naam zoon] en de enkele (niet-onderbouwde) stelling dat een scheiding ondragelijk en traumatisch zou zijn legt eiser niet uit waarom de intensiteit van het gezinsleven zwaarder in zijn voordeel had moeten worden gewogen dan de minister nu heeft gedaan. Dat zijn partner nu zwanger is van een tweede kind, maakt dat niet anders. Nog daargelaten dat de rechtbank het bestreden besluit moet beoordelen aan de hand van de feiten en omstandigheden zoals bekend ten tijde van het nemen van dat besluit, heeft de minister zich op de zitting op het standpunt gesteld dat dit de intensiteit van het gezinsleven niet doet veranderen en heeft eiser dat op de zitting verder niet betwist.
Conclusie over deze beroepsgrond
13. De beroepsgrond van eiser slaagt niet. De minister heeft de gebreken die de rechtbank in de tussenuitspraak heeft vastgesteld voldoende hersteld en met de aanvullende motivering van 4 augustus 2025 (alsnog) voldoende uitgelegd waarom hij de belangenafweging in het nadeel van eiser heeft laten uitvallen.
Is de redelijke termijn overschreden?
14. Eiser verzoekt om een schadevergoeding vanwege het overschrijden van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het EVRM.
Uit artikel 6 van het EVRM volgt dat geschillen binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Volgens vaste rechtspraak geldt het aan artikel 6 van het EVRM ten grondslag liggende beginsel van rechtszekerheid ook in procedures over de binnenkomst, het verblijf en de uitzetting van vreemdelingen. Dat betekent dat ook die procedures binnen een redelijke termijn moeten worden beslecht. Wordt deze redelijke termijn overschreden, dan wordt in beginsel verondersteld dat de vreemdeling immateriële schade heeft geleden in de vorm van spanning en frustratie. In beginsel is dan een schadevergoeding van € 500 gepast voor elk half jaar dat de redelijke termijn geheel of gedeeltelijk is overschreden.
De vraag of de redelijke termijn is overschreden, moet worden beoordeeld aan de hand van de omstandigheden van het geval. Daarbij zijn de ingewikkeldheid van de zaak, de wijze waarop de zaak door het bestuursorgaan en de rechter is behandeld, het processuele gedrag van de betrokkene gedurende de gehele procesgang en de aard van de maatregel en het daardoor getroffen belang van de betrokkene van belang. Als uitgangspunt heeft daarbij te gelden dat de redelijke termijn is overschreden als de rechtbank niet binnen twee jaar na het instellen van beroep uitspraak doet. In die termijn is de duur van een bezwaarprocedure inbegrepen. Hebben de bezwaar- en beroepsfase samen zo lang hebben geduurd dat de redelijke termijn van twee jaar daardoor is overschreden, dan heeft voor de toerekening van die termijnoverschrijding aan het bestuursorgaan en de rechtbank als uitgangspunt te gelden dat de bezwaarfase maximaal een half jaar mag duren en de beroepsfase maximaal anderhalf jaar. De rechtbank ziet, anders dan de minister heeft gesteld, geen reden om in deze zaak een langere behandelingsduur te rechtvaardigen. De minister heeft er, onder verwijzing naar rechtspraak, weliswaar op gewezen dat in deze zaak tijdens de bezwaarfase twee keer aanvullende stukken zijn overgelegd en dat tijdens de beroepsfase een tussenuitspraak is gedaan, maar dat heeft deze zaak – anders dan in de aangehaalde uitspraak – naar het oordeel van de rechtbank niet veel ingewikkelder gemaakt, zodat niet valt in te zien waarom een behandelingsduur van twee jaar onvoldoende was voor het bezwaar en het beroep van eiser.
De redelijke termijn vangt aan als bezwaar is gemaakt bij het bestuursorgaan. Het bezwaarschrift is op 30 december 2022 per fax aan de minister verzonden. Dat betekent dat de redelijke termijn op 30 december 2024 en dus met (bijna) 14 maanden is overschreden. Aan eiser moet daarom een schadevergoeding van € 1.500 worden toegekend. Naar het oordeel van de rechtbank is deze termijnoverschrijding volledig toe te rekenen aan de minister. Gelet op de redelijke behandelingsduur van een half jaar had de minister uiterlijk op 30 juni 2023 een beslissing op bezwaar moeten nemen, maar hij heeft dat pas op 4 september 2024 gedaan. Hij heeft de redelijke behandelingsduur daarom met iets meer dan 14 maanden overschreden. De rechtbank heeft de redelijke behandelingsduur van anderhalf jaar daarentegen niet overschreden, omdat het beroep bij de rechtbank is ingesteld op 6 september 2024 en zij binnen anderhalf jaar na deze datum uitspraak heeft gedaan. De rechtbank zal daarom de Staat der Nederlanden (de minister van Justitie en Veiligheid) veroordelen tot betaling van een schadevergoeding aan eiser tot een bedrag van € 1.500.
Conclusie en gevolgen
15. Het beroep is gegrond, omdat de rechtbank in haar tussenuitspraak gebreken in de motivering van het bestreden besluit heeft vastgesteld. Daarom vernietigt de rechtbank het bestreden besluit. De rechtbank ziet echter aanleiding om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, omdat de minister deze gebreken met zijn aanvullende motivering van 4 augustus 2025 in voldoende mate heeft hersteld. Dat betekent dat eiser uiteindelijk geen gelijk krijgt en zijn aanvraag om een Chavez-verblijfsrecht afgewezen blijft.
Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, moet de minister de proceskosten van eiser vergoeden. Voor het beroep bedraagt deze vergoeding bedraagt € 3.269, omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend (1 punt van € 934), aan de zitting van 4 juni 2025 heeft deelgenomen (1 punt van € 934), na de tussenuitspraak op de aanvullende motivering van de minister heeft gereageerd (0,5 punt van € 467) en aan de zitting van 22 januari 2026 heeft deelgenomen (1 punt van € 934). Voor het verzoek om schadevergoeding vanwege overschrijding van de redelijke termijn bedraagt deze vergoeding € 467, omdat de gemachtigde van eiser dit verzoek heeft gedaan en de rechtbank hieraan een wegingsfactor van 0,5 toekent (1 punt van € 934 met een wegingsfactor van 0,5 maakt € 467). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Dat betekent dat de rechtbank de minister veroordeelt in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 3.736.
Beslissing
De rechtbank:
Deze uitspraak is gedaan door mr. J.M. Emaus-Visschers, rechter, in aanwezigheid van mr. S.J.B. ter Beke, griffier.
De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op:
Informatie over hoger beroep
Een partij die het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak en/of de tussenuitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.